id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.1 Rolnummer: S.17.0023.N Zaak: FEDERALE PENSIOENDIENST contra T. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2022-10-06 Raadplegingen: 678 - laatst gezien 2026-06-16 17:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor de periode na 1 januari 1968 kan de tewerkstelling in hoedanigheid van ondergrondse of bovengrondse werknemer, of als ophaalmachinist of arbeider tewerkgesteld aan het wassen en triëren van de steenkolen, aan het drogen van schlamm of aan de fabricage van briketten op basis van hars, slechts worden bewezen aan de hand van de aanduidingen hieromtrent die voorkomen op de pensioenrekening of op andere administratieve bescheiden die de voorzorgskas voor de betrokken aangeslotene bezit; hieruit volgt dat het bewijs van een tewerkstelling in een voormelde hoedanigheid in de periode na 1 januari 1968 niet kan worden geleverd aan de hand van een door de werkgever verstrekt tewerkstellingsattest. Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Vrije woorden: Mijnwerker - Hoofdzakelijke tewerkstelling - Bewijs Wettelijke bepalingen: KB 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers - 21-12-1967 - Artt. 3, 3°, derde, vijfde en zesde lid, en 32, § 2, eerste, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967122103 KB 26 april 2012 tot uitvoering, inzake het pensioen van de werknemers, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen - 26-04-2012 - Artt. 5, eerst en tweede lid, en 7 - 02 ELI link Pub nr 2012022166 Tekst van de beslissing Nr. S.17.0023.N FEDERALE PENSIOENDIENST, openbare instelling eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen P.T., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 16 december
- Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. I. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Krachtens artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 april 2012 tot uitvoering, inzake het pensioen van de werknemers, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt voor de werknemer die de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt op 31 december 2011 maar die, op deze datum, bewijst dat hij ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker tewerkgesteld is geweest, de pensioenleeftijd: - op 55 jaar vastgesteld wanneer het een rustpensioen betreft wegens een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker; - bereikt wanneer de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende ten minste vijfentwintig jaren. Krachtens artikel 5, tweede lid, van voormeld KB van 26 april 2012 gaat het rustpensioen in die gevallen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij, naargelang het geval, één van de in het eerste lid vermelde leeftijden bereikt. Krachtens artikel 7 van voormeld KB van 26 april 2012 blijven de bepalingen van artikel 3, 3°, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen onverkort van toepassing voor de vaststelling van de pensioenrechten van de in artikel 5 bedoelde werknemers, voor zover het gaat om tijdvakken van tewerkstelling gelegen v??r 1 januari
- Overeenkomstig artikel 3, 3°, derde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen is de tewerkstelling als ondergrondse mijnwerker deze welke gewoonlijk en hoofdzakelijk uitgeoefend wordt in de ondergrond van onder meer de steenkolenmijnen. Krachtens artikel 3, 3°, vijfde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen worden met ondergrondse mijnwerkers gelijkgesteld: - de ophaalmachinisten die doen blijken dat zij gedurende ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk in die hoedanigheid of als ondergronds mijnwerker tewerkgesteld zijn geweest; - de in de bedoelde ondernemingen aan het wassen en triëren van de steenkolen, aan het drogen van schlamm en aan de fabricage van briketten op basis van hars tewerkgestelde arbeiders, die doen blijken dat zij gedurende ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk in één dezer hoedanigheden of als ondergronds mijnwerker tewerkgesteld zijn geweest. Krachtens artikel 3, 3°, zesde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen wordt, om vast te stellen of voldaan is aan de voorwaarde van de tewerkstellingstermijn bepaald bij het vorig lid, eveneens rekening gehouden met de periode die volgt op de activiteit als ophaalmachinist, als arbeider tewerkgesteld aan het wassen en triëren van de steenkolen, aan het drogen van schlamm of aan de fabricage van briketten op basis van hars, die werd stopgezet wegens het stilleggen van de opdelving, van het wassen en triëren van steenkolen, van het drogen van schlamm of van de fabricage van briketten op basis van hars, in de onderneming die hem tewerkstelde. De toepassing van deze bepaling is evenwel afhankelijk van de voorwaarde dat de werknemer op deze datum ten minste tien jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk in een van deze hoedanigheden of als ondergrondse mijnwerker tewerkgesteld is geweest.
- Krachtens artikel 32, § 2, eerste en tweede lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen wordt het bewijs van een tewerkstelling in de hoedanigheid van mijnwerker geleverd door elk bescheid waaruit blijkt dat de werknemer voor zijn pensioen gestort heeft of dat hij de bij artikel 35 bedoelde gelijkstellingen kan genieten. Het onderscheid tussen een tewerkstelling in hoedanigheid van ondergrondse of bovengrondse werknemer wordt gemaakt volgens de aanduidingen welke hieromtrent voorkomen op de rekening of op andere administratieve bescheiden welke de voorzorgskassen voor elke aangeslotene bezitten. Artikel 32, § 2, derde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen bepaalt dat voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1968, de aard van de tewerkstelling bedoeld in artikel 3, 3°, vijfde lid, door elk rechtsmiddel kan worden bewezen, voor zover de bij het eerste lid bedoelde pensioenstortingen werden verricht. Uit de voormelde bepalingen volgt dat voor de periode na 1 januari 1968 de tewerkstelling in hoedanigheid van ondergrondse of bovengrondse werknemer, of als ophaalmachinist of arbeider tewerkgesteld aan het wassen en triëren van de steenkolen, aan het drogen van schlamm of aan de fabricage van briketten op basis van hars, slechts kan worden bewezen aan de hand van de aanduidingen hieromtrent die voorkomen op de pensioenrekening of op andere administratieve bescheiden die de voorzorgskas voor de betrokken aangeslotene bezit. Hieruit volgt dat het bewijs van een tewerkstelling in een voormelde hoedanigheid in de periode na 1 januari 1968 niet kan worden geleverd aan de hand van een door de werkgever verstrekt tewerkstellingsattest.
- Het arrest stelt vast en oordeelt dat: - de verweerder de leeftijd van 55 jaar niet had bereikt op 31 december 2011, maar die leeftijd pas bereikte in september 2014; - opdat de verweerder aan de leeftijd van 55 jaar vervroegd rustpensioen als ondergronds mijnwerker kan genieten, het de kernvraag is te weten of hij 20 jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als ophaalmachinist, wasser of zifter bewijst; - de verweerder eerst 10 jaren gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in de hoedanigheid van ophaalmachinist, wasser of zifter dient aan te tonen opdat de periode die volgt op de activiteit als wasser of zifter eveneens in rekening kan worden gebracht om de vereiste 20 jaren tewerkstelling aan te tonen; - de eiser niet betwist dat de jaren 1988 tot 1996, zijnde 9 jaren, in aanmerking kunnen worden genomen; - de eiser wel betwist dat het jaar 1987 als een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in de hoedanigheid van wasser of zifter in aanmerking kan worden genomen; - volgens de eiser voor het jaar 1987 een opsplitsing moet worden gemaakt tussen enerzijds de periode van 5 januari tot 5 juli, hetzij 118 arbeidsdagen en 40 gelijkgestelde dagen, waarin de verweerder niet in de hoedanigheid van ophaalmachinist, wasser of zifter heeft gewerkt, maar als louter bovengrondse mijnwerker, en anderzijds de periode van 6 juli tot 31 december, hetzij 133 arbeidsdagen en 20 gelijkgestelde dagen, waarin de verweerder wel in die hoedanigheid werkte; - de eiser voor dit onderscheid verwijst naar de individuele rekening die verschillende codes vermeldt voor die twee periodes, evenals naar een handgeschreven vermelding op een RIZIV-document. Het oordeelt verder niet-bekritiseerd dat er maar sprake kan zijn van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als er per werkjaar 185 dagen in één van voormelde hoedanigheden werd gewerkt.
- Het arrest oordeelt vervolgens dat de verweerder afdoende aantoont van 5 januari 1987 tot en met 31 december 1987, dus meer dan 185 dagen, als wasser te hebben gewerkt, zodat er ook voor dat jaar sprake is van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als wasser, op grond dat de stelling van de eiser dat de verweerder in 1987 slechts 153 dagen als wasser zou hebben gewerkt in strijd is met het door werkgever Mijnen nv opgesteld tewerkstellingsattest waarop duidelijk staat vermeld: “5 januari 1987 tot en met 15 maart 1988 gespecialiseerd handlanger kolenwasserij” en op grond hiervan vaststaat dat de verweerder al van 5 januari 1987 als wasser werkte. Het arrest dat niet vaststelt dat volgens de aanduidingen hieromtrent op de individuele rekening of op administratieve bescheiden in het bezit van de voorzorgskas waarbij de verweerder was aangesloten, de verweerder reeds vanaf 5 januari 1987 als steenkolenwasser was tewerkgesteld, maar dat daartoe besluit op grond van een tewerkstellingsattest verstrekt door werkgever Mijnen nv, beslist aldus met schending van artikel 32, § 2, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen dat de verweerder ook in 1987 een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als met ondergrondse mijnwerker gelijkgestelde arbeider bewijst en verantwoordt zodoende zijn beslissing dat de verweerder vanaf 1 oktober 2014 recht heeft op een rustpensioen, niet naar recht. Het middel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Bepaalt de kosten voor de eiser op 584,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 5 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div