id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.4 Rolnummer: C.21.0527.N Zaak: K. contra Always Home Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-10-06 Raadplegingen: 1364 - laatst gezien 2026-06-19 05:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke of impliciete grondslag van zijn beslissing vormt
(1).
(1)Zie Cass. 23 april 2021, AR C.20.0122.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.3, AC 2021, nr. 294; Cass. 9 januari 2020, AR C.19.0188.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3, AC 2020, nr. 26. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde
(1).
(1)Zie Cass. 23 april 2021, AR C.20.0122.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.3, AC 2021, nr. 294; Cass. 9 januari 2020, AR C.19.0188.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Vordering waarover definitief werd beslist - Latere vordering tussen dezelfde partijen - Niet-identieke oorzaak en voorwerp - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 De exceptie van gewijsde geldt wanneer de rechter, op basis van een vergelijking van de draagwijdte van de beslissing waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen met de nieuwe vordering, beslist dat die vordering niet kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de eerdere beslissing ongedaan te maken. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Vordering waarover definitief werd beslist - Latere vordering tussen dezelfde partijen - Draagwijdte eerste beslissing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0527.N
- C.K.,
- P.V.H., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- ALWAYS HOME nv, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest,
- AH INVEST nv, verweerster, in aanwezigheid van
- J. V. G., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van AZUUR INVEST bvba,
- J. G., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van AZUUR INVEST bvba, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar zij woonplaats kiezen,
- GANDS nv,
- Lino VERBEKE, advocaat, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van ELFI MAREEL bvba,
- Jeroen VILLE, advocaat, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van ELFI MAREEL bvba, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 mei
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 6 juli 2022 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie en de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, strekt het gezag van gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt, waarbij wordt vereist dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
- Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke of impliciete grondslag van zijn beslissing vormt. Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde.
- De exceptie van gewijsde geldt bijgevolg wanneer de rechter, op basis van een vergelijking van de draagwijdte van de beslissing waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen met de nieuwe vordering, beslist dat die vordering niet kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de eerdere beslissing ongedaan te maken.
- Bij arrest van 5 januari 2015 doet het hof van beroep te Antwerpen uitspraak over de door de eisers tegen de verweersters ingestelde vordering tot ontbinding van een koopovereenkomst van 12 augustus
- Het hof van beroep te Antwerpen oordeelt daarbij onder meer dat: - ingevolge de overdracht door de eerste verweerster van een van haar bedrijfs-takken aan de tweede verweerster, “[de tweede verweerster] de medecontractant van de [eisers] [is] geworden in plaats van [de eerste verweerster]”, zodat de koopovereenkomst “slechts ten aanzien van [de tweede verweerster] [kan worden] ontbonden, aangezien [de eerste verweerster] geen partij meer is bij deze overeenkomst”; - de verweersters de overdracht van bedrijfstak “uitdrukkelijk hebben onderworpen aan de bepalingen van artikel 760 tot 767 van het Wetboek van vennootschappen, overeenkomstig artikel 770 van dat wetboek”; - “zowel het voorstel tot overdracht als de akte van overdracht, waarin de voormelde bepalingen uitdrukkelijk werden opgenomen, werden gepubliceerd door neerlegging van deze aktes ter griffie van de rechtbank van koophandel en pu-blicatie van een uittreksel van de akte van overdracht in het Belgisch Staatsblad, zodat de [eisers] kennis konden nemen van de voorwaarden van deze overdracht en deze voorwaarden aan hen tegenstelbaar zijn, overeenkomstig de voormelde bepalingen van het Wetboek van vennootschappen”; - “aangezien de wettelijk voorgeschreven procedure voor deze overdracht van bedrijfstak werd nageleefd, […] deze overdracht met al haar rechtsgevolgen tegenstelbaar [is] aan derden”; - ingevolge “artikel 767, § 1 van het Wetboek van vennootschappen […] de aansprakelijkheid van [de eerste verweerster] voor de in deze procedure gevorderde schulden, beperkt is tot het nettoactief dat [de eerste verweerster] heeft behouden na de overdracht van de desbetreffende bedrijfstak aan [de tweede verweerster]”.
- In het bestreden arrest stellen de appelrechters vast en oordelen zij dat: - de actuele vordering van de eisers ertoe strekt de overdracht van bedrijfstak door de eerste verweerster aan de tweede verweerster “nietig en ongeldig” te verklaren en vervolgens de verweersters te bevelen “tot restitutie en teruggave van de wederzijds overgedragen/ontvangen activa/passiva waarbij partijen worden hersteld in de toestand vóór de overdracht van bedrijfstak, minstens tot restitutie van de overeenkomst terug naar het vermogen van [de eerste verweerster]” en “voor recht [te zeggen] dat de verplichtingen gekoppeld aan de koopovereenkomst van 12 augustus 2010 en de ontbinding ervan ingevolge de nietigheid van de overdracht van bedrijfstak geacht wordt steeds bij [de eerste verweerster] te zijn gebleven”, minstens “voor recht [te zeggen] dat de overdracht van bedrijfstak (met daarin vervat de overeenkomst) niet aan [de eisers] tegenstelbaar is en […] [de eisers] ingevolge deze niet-tegenstelbaarheid hun schade veroorzaakt door de niet-uitvoering en ontbinding van de overeenkomst integraal kunnen verhalen op het vermogen van [de eerste verweerster]”, uiterst ondergeschikt “voor recht [te zeggen] dat het zich beroepen op de overdracht van bedrijfstak door [de eerste verweerster] teneinde zich te kwijten van haar verplichtingen onder de overeenkomst van 12 augustus 2010 en specifiek haar betalingsverplichting ten aanzien van [de eisers] rechtsmisbruik uitmaakt en minstens vanuit die overwegingen nietig is, minstens niet tegenstelbaar aan [de eisers]”, en in ieder geval de eerste verweerster te veroordelen “tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1 miljoen euro en de zaak voor verdere in staatstelling en definitieve schadebegroting […] [te verwijzen] naar de rol in afwachting van de uitkomst van de gerechtsexpertise bevolen [in het arrest van 5 januari 2015 in het raam van de eerdere procedure]”; - de eisers in de actuele procedure “een aantal feiten en omstandigheden in[roepen] die zouden moeten aantonen dat de overdracht Bedrijfstak een frauduleuze constructie was met de bedoeling een bedrieglijke onvermogendmaking in hoofde van [de tweede verweerster] te organiseren”; - de feiten en omstandigheden die de eisers in de actuele procedure inroepen, “identiek [zijn] aan de feiten en omstandigheden die reeds aan bod kwamen in de eerdere procedure”; - in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 januari 2015 met betrekking tot de overdracht van bedrijfstak “reeds [werd] geoordeeld dat deze overdracht geldig tot stand is gekomen en tegenstelbaar is aan derden” zodat het arrest van 5 januari 2015 “aldus zeker en definitief geoordeeld [heeft] over de geldigheid van de overdracht van bedrijfstak”; - het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 januari 2015 “gezag van gewijsde [heeft] ten aanzien van [de eisers]” en de eisers “thans niet op basis van nieuwe argumentatie in een nieuwe procedure de wijziging van voornoemde beslissing […] [kunnen] uitlokken”.
- De appelrechters die met voormelde redenen de nieuwe vordering van de eisers afwijzen, geven van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 januari 2015 een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskennen derhalve de bewijskracht ervan niet. Voorts beslissen zij, op basis van een vergelijking van de draagwijdte van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 januari 2015 waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen met de nieuwe vordering, naar recht dat die vordering niet kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de eerdere beslissing ongedaan te maken. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.006,42 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat en voor de eerste verwerende partij op 3.000,28 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 5 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241031.1F.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div