id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.15 Rolnummer: P.22.0655.N Zaak: K. contra BANK J.VAN BREDA C divisie ABK Bank Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-13 Raadplegingen: 946 - laatst gezien 2026-06-17 08:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 210 Wetboek van Strafvordering heeft tot doel de partijen in de gelegenheid te stellen standpunt in te nemen telkens het appelgerecht een niet door een partij aangevoerde grief opwerpt en dit bijgevolg tot een verruiming van de saisine van het appelgerecht kan leiden zoals die initieel volgt uit de grieven van de partijen
(1); onder grief moet daarbij worden verstaan een beslissingsonderdeel van de beroepen beslissing; uit deze bepaling volgt evenwel niet dat het appelgerecht dat een beslissing neemt over een gegeven dat door een partij niet is aangevoerd, maar dat wel binnen de saisine van het appelgerecht valt zoals die volgt uit de door de partijen aangevoerde grieven en dus deel uitmaakt van een beslissingsonderdeel waarvan de partijen de wijziging beogen of daarmee onafscheidelijk is verbonden, de partijen de gelegenheid moet geven daarover standpunt in te nemen.
(1)Cass. 22 februari 2022, AR P.21.1448.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.12; Cass. 13 november 2018, AR P.18.0360.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.3, AC 2018, nr. 626; Cass. 24 oktober 2018, AR P.18.0764.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181024.3, AC 2018, nr. 585; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022,
- Over de saisine van de appelrechter, die afhangt van de akte van hoger beroep en het grievenformulier zie ook M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1717-
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Ambtshalve aanvoeren van grieven - Kennisgeving van de grief aan de partijen - Grief die deel uitmaakt van een beslissingsonderdeel waarvan de partijen de wijziging beogen of daarmee noodzakelijk is verbonden - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0655.N F K, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ibrahim El Ouahi, advocaat bij de balie Brussel, tegen BANK J. VAN BREDA & Co, divisie ABK BANK, met zetel te 2000 Antwerpen, Ledeganckkaai 7, burgerlijke partij, verweerster. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat louter vaststelt dat de eiser bij de bewezen verklaarde feiten betrokken was, laat na uiteen te zetten op welke wijze die een strafrechtelijke inbreuk uitmaken en het onderzoekt evenmin de constitutieve bestanddelen van de verschillende misdrijven; de rechter moet nauwkeurig uiteenzetten waarom hij een beklaagde schuldig acht. Artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 van dit wetboek ook van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat ieder veroordelend vonnis de feiten vermeldt waaraan het een beklaagde schuldig verklaart. Uit die bepaling volgt voor de strafrechter enkel de verplichting vast te stellen dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde misdrijven, maar niet dat hij moet aangeven waarom de constitutieve bestanddelen van die misdrijven verenigd zijn. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, faalt het naar recht. Uit artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt voor de strafrechter de verplichting om, zelfs bij afwezigheid van een conclusie, de voornaamste redenen te vermelden voor zijn beslissing op de strafvordering. Niet is vereist dat de rechter een gedetailleerd antwoord verschaft over elk mogelijk twistpunt of dat hij noodzakelijk voor met elkaar in verband staande misdrijven of voor elk bestanddeel van elk misdrijf afzonderlijk aangeeft waarom het is aangetoond. Het volstaat dat de vermelde redenen de partijen en de samenleving in staat stellen de beslissing over de schuld te begrijpen. Het arrest neemt de weergave van de feiten en het onderzoek naar de aan de eiser ten laste gelegde feiten van het opstellen van een valse factuur en het gebruik ervan, de door middel van die valse factuur gepleegde oplichting en de omzetting van de middels de oplichting verkregen vermogensvoordelen over (p. 6, randnr. 3, eerste alinea). Het voegt daar zelf een aantal feitelijke gegevens aan toe welke deze telastleggingen concretiseren (p. 6, randnr. 3, tweede en derde alinea). Het verwerpt vervolgens eisers verweer dat iemand buiten zijn medeweten zijn bankkaart moet hebben gebruikt en dat hij met deze feiten niets te maken heeft, als volstrekt ongeloofwaardig, waarbij het de redenen voor dit oordeel opgeeft (p. 6-7, randnr. 4, alinea’s 1 tot en met 6). Het vermeldt ten slotte de handelingen van de eiser die maken dat hij zich aan de hem verweten misdrijven heeft schuldig gemaakt (p. 7, alinea’s 7 tot en met 9). Aldus vermeldt het arrest wel degelijk de voornaamste redenen voor de beslissing over eisers schuld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Het middel voert schending aan van artikel 210 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters voeren ambtshalve een grief aan betreffende de overschrijding van de redelijke termijn zonder dat zij de eiser en het openbaar ministerie hebben gevraagd zich over die overschrijding en de gevolgen ervan uit te spreken. Artikel 210, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat: behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de appelrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel betrekking hebben op zijn bevoegdheid, de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt en het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar de feiten aantasten; de partijen worden verzocht zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen. Deze bepaling heeft tot doel de partijen in de gelegenheid te stellen standpunt in te nemen telkens het appelgerecht een niet door een partij aangevoerde grief opwerpt en dit bijgevolg tot een verruiming van de saisine van het appelgerecht kan leiden zoals die initieel volgt uit de grieven van de partijen. Onder grief moet daarbij worden verstaan een beslissingsonderdeel van de beroepen beslissing. Uit deze bepaling volgt evenwel niet dat het appelgerecht dat een beslissing neemt over een gegeven dat door een partij niet is aangevoerd, maar dat wel binnen de saisine van het appelgerecht valt zoals die volgt uit de door de partijen aangevoerde grieven en dus deel uitmaakt van een beslissingsonderdeel waarvan de partijen de wijziging beogen of daarmee onafscheidelijk is verbonden, de partijen de gelegenheid moet geven daarover standpunt in te nemen. De eiser blijkt grieven te hebben aangevoerd betreffende zijn schuld en de hem opgelegde straf en het openbaar ministerie is die grieven gevolgd en voelde zich ook gegriefd door de beslissing over de straf. Tot de saisine van het appelgerecht behoorden derhalve de beslissingsonderdelen schuld en straf. Aangezien de beslissing over het respecteren van de redelijketermijnvereiste en de gevolgen van het niet-respecteren van die vereiste in beginsel deel uitmaken van de beslissing over de schuld en de straf, hebben de appelrechters met het bekritiseerde oordeel over de redelijketermijnvereiste geen ambtshalve grief aangevoerd in de zin van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zodat zij niet ertoe gehouden waren om overeenkomstig artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering de partijen de gelegenheid te geven standpunt in te nemen over de naleving van de redelijketermijnvereiste en de gevolgen daarvan. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181024.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181113.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div