← België

Marc Goossens Persbureau BV c.BURGEM. DENDERMONDE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.3 Rolnummer: P.22.0008.N Zaak: Marc Goossens Persbureau BV c.BURGEM. DENDERMONDE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-13 Raadplegingen: 730 - laatst gezien 2026-06-18 00:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche Met het oog op het verlenen van het advies, bedoeld in artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals hier van toepassing, thans artikel 6.3.10, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de Hoge Raad inlichtingen opvragen bij de handhavende besturen en zijn advies op die inlichtingen baseren. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering - Positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid - Inlichtingen verstrekt door het lokaal bestuur - Gevolg Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.1.7 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0008.N I M G P bv, voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Koenraad VAN DE SYPE, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Vijfstraten 57-59, beklaagde, eiseres, II M F C G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Laura Otte, advocaat bij de balie Gent, beide cassatieberoepen tegen BURGEMEESTER VAN DE STAD DENDERMONDE, met kantoor te 9200 Dendermonde, Franz Courtensstraat 11, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 november

  1. De eisers voeren in een gezamelijke memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 21, eerste lid, 4°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat het vaststaat dat de betonplaat werd geplaatst in dezelfde periode als de autobergplaats, dit is in de loop van 2012, en de strafvordering derhalve ook met betrekking tot de betonplaat niet is verjaard, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; aangezien de eisers op grond van stukken, waaronder een foto en een verklaring van de aannemer, aannemelijk hadden gemaakt dat de betonplaat reeds in 2002 werd gegoten om een constructieprobleem aan de woning te verhelpen, kon het arrest niet oordelen dat de door de eisers voorgelegde stukken niet toelaten om met zekerheid vast te stellen dat de betonplaat waarop de autobergplaats werd opgericht, reeds in 2002 werd gegoten; het arrest oordeelt ten onrechte dat, gelet op de omstandigheid dat de autobergplaats een grotere lengte heeft dan de zijgevel van de woning, het zeer onwaarschijnlijk is dat de betonplaat werd gegoten om de woning te beschermen tegen het verder scheuren van de zijgevel; de appelrechters konden niet voetstoots aannemen dat een betonplaat ter stabilisering van een constructief probleem aan de woning op nagenoeg dezelfde bouwdiepte als de woning gegoten zou zijn geweest; het arrest kon ook niet oordelen dat de autobergplaats in 2012 werd gebouwd om de vracht- en aanhangwagens van de eisers in onder te brengen, aangezien de autobergplaats ruimer werd gebouwd en er achteraan een vrije ruimte is.
  3. Het arrest oordeelt niet dat de eisers aannemelijk maken dat de betonplaat reeds in 2002 werd geplaatst. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  4. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek en artikel 6.2.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel: de veroordeling van de eisers op grond van artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is niet naar recht verantwoord; het arrest veroordeelt de eisers op grond van een opgeheven strafbepaling en verzuimt na te gaan of de feiten ook na 1 maart 2018 strafbaar zijn gebleven.
  6. Het arrest (p. 10, nr. 6.1) oordeelt dat de feiten van de bewezenverklaarde telastlegging op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar waren bij toepassing van artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2018 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning strafbaar zijn gebleven op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het middel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Derde middel
  7. Het middel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet: het oordeel dat de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, thans de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering (hierna de Hoge Raad), de drievoudige toets concreet en minutieus heeft doorgevoerd, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; de Hoge Raad heeft in zijn positief advies bij de herstelvordering van de verweerder geen eigen onderzoek gevoerd met betrekking tot de toetsing van de herstelvordering aan het criterium van de gelijke behandeling van gelijkaardige feiten, maar zich gebaseerd op de gegevens van het handhavend bestuur, wat een miskenning inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel; het arrest had het onwettige advies van de Hoge Raad dan ook buiten toepassing moeten verklaren.
  8. Met het oog op het verlenen van het advies, bedoeld in artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals hier van toepassing, thans artikel 6.3.10, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de Hoge Raad inlichtingen opvragen bij de handhavende besturen en zijn advies op die inlichtingen baseren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, waaronder het positief advies van 17 november 2017 van de Hoge Raad, blijkt dat deze laatste: - inlichtingen heeft ingewonnen bij het handhavende bestuur bij toepassing van artikel 10, § 3, van het besluit van 1 oktober 2010 van de Vlaamse Regering houdende de vaststelling van het procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid; - op basis van die inlichtingen op een gemotiveerde wijze tot het besluit is gekomen dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijkaardige feiten. Het oordeel van de appelrechters dat de Hoge Raad de drievoudige toets concreet en minutieus heeft doorgevoerd, is dan ook regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 159,01 euro, waarvan de eiseres I 79,50 euro is verschuldigd en de eiser II 79,51 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.