id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.5 Rolnummer: P.22.0601.N Zaak: V. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-09-13 Raadplegingen: 1097 - laatst gezien 2026-06-18 19:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een conclusie moet in haar geheel worden gelezen; een vordering die is opgenomen in de motieven van een conclusie is regelmatig aan de rechter voorgelegd, zelfs wanneer zij niet herhaald wordt in het dictum van de conclusie
(1).
(1)Cass. 5 februari 2004, AR C.01.0372.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040205.22, AC 2004, nr. 59; Cass. 30 september 1996, AR S.95.0055.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960930.1, AC 1996, nr.
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Vordering tot schadevergoeding opgenomen in alleen de motieven van een conclusie - Beschikkingsbeginsel - Beoordeling van de conclusie in haar geheel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Vordering tot schadevergoeding opgenomen in alleen de motieven van een conclusie - Beschikkingsbeginsel - Beoordeling van de conclusie in haar geheel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0601.N P A V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen C B, burgerlijke partij, verweerster. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het beschikkingsbeginsel: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot het betalen aan de verweerster van een morele schadevergoeding van 5.000,00 euro, hoewel deze partij in haar tweede syntheseappelconclusie deze vergoeding niet vorderde. Een conclusie moet in haar geheel worden gelezen. Een vordering die is opgenomen in de motieven van een conclusie is regelmatig aan de rechter voorgelegd, zelfs wanneer zij niet herhaald wordt in het dictum van de conclusie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Uit de door de verweerster neergelegde appelconclusie (randnr. 14) blijkt dat deze partij tevens een morele schadevergoeding van 5.000,00 euro vorderde, gelet op de diverse beslagen en aanzienlijke schulden waarmee zij door toedoen van de eiser werd geconfronteerd. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de verweerster geen morele schadevergoeding vorderde, mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Het onderdeel voert miskenning aan van de devolutieve werking van het hoger beroep: anders dan het beroepen vonnis, veroordelen de appelrechters de eiser tot het betalen van een morele schadevergoeding aan de verweerster hoewel zij niet vaststellen dat deze partij hoger beroep dan wel incidenteel beroep tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering instelde. De appelrechters die, na te hebben vastgesteld dat de eiser met het beroepen vonnis werd veroordeeld tot het betalen aan de verweerster van de sommen van 350,00 euro (voor het schattingsverslag), 20.000,00 euro (voor een misgelopen voorschot) en 43.434,24 euro (vrijwaring voor de sommen die zij verschuldigd is aan Patronale Life nv), oordelen dat deze partij in hoger beroep tevens een morele schadevergoeding van 5.000,00 euro vordert, stellen aldus vast dat de verweerster bij incidenteel beroep haar burgerlijke rechtsvordering in hoger beroep heeft uitgebreid. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters veroordelen de eiser tot het betalen van een vergoeding van 350,00 euro voor het schattingsverslag; in zijn appelconclusie heeft de eiser evenwel aangevoerd dat hij deze som aan de schatter heeft overgemaakt, maar deze door de houding van de verweerster geen verslag heeft kunnen afleveren; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord. De appelrechters stellen vast dat de eiser bij arrest van 16 oktober 2020 werd veroordeeld voor een aantal bedrieglijke praktijken “met het bijzonder opzet om de woonst van [de verweerster] op een zo voordelig mogelijke manier te verwerven dan wel zich in de mogelijkheid te plaatsen een schadevergoeding lastens haar te verwerven”, waaronder de praktijk dat de verweerster een som van 350,00 euro betaalde aan de eiser voor een schattingsverslag dat zij nooit ontving. Zij oordelen vervolgens dat deze schade voortvloeit uit het bewezen verklaarde misdrijf en aldus een vergoedbare schade is. Met deze redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel vermelde verweer zonder dat zij dienden te antwoorden op de argumenten tot staving van dit verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Tweede onderdeel Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 508/13/1 en 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de motiveringsplicht van de rechter: in zijn appelconclusie heeft de eiser de appelrechters verzocht om de rechtsplegingsvergoeding te verminderen; enerzijds vorderde hij om, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, de rechtsplegingsvergoeding te begroten op basis van het toegekende bedrag; anderzijds liet hij gelden dat dat hij door zijn langdurige detentie onvermogend was en de rechtsplegingsvergoeding aldus op het minimumbedrag moest worden bepaald; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord; bovendien wordt een gedetineerde, met toepassing van artikel 508/13/1, Gerechtelijk Wetboek geacht onvermogend te zijn, behoudens tegenbewijs; dit tegenbewijs wordt niet geleverd. Uit zijn appelconclusie (randnrs. 14 en 15) blijkt dat de eiser het in het onderdeel bedoelde verweer heeft gevoerd. De appelrechters die de eiser veroordelen tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, bepaald op grond van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster laten dit verweer onbeantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven De overige grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre dit de eiser veroordeelt tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 112,37 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960930.1 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040205.22 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221202.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div