← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.9 Rolnummer: P.21.1576.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-03-15 Raadplegingen: 594 - laatst gezien 2026-06-18 20:56 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De burgerlijke partij die niet tot de kosten van de strafvordering werd veroordeeld, heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing over de strafvordering

(1).
(1)Cass. 20 januari 2010, AR P.09.1146.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100120.5, AC 2010, nr. 47; Cass. 18 april 2001, AR P.01.0072.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010418.20, AC 2001, nr. 213. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Strafvordering - Burgerlijke partij Fiches 2 - 3 De kosten van het exploot waarbij een door een misdrijf benadeelde persoon de vermeende schadeveroorzaker rechtstreeks voor de correctionele rechtbank of de politierechtbank dagvaardt, zijn immers geen kosten van de strafvordering maar wel kosten van de burgerlijke rechtsvordering
(1).
(1)Cass. 18 april 2001, AR P.01.0072.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010418.20, AC 2001, nr.
  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Tekst van de beslissing Nr. P.21.1576.N I H. D. R., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Sander Kaïret, advocaat bij de balie Gent, tegen
  2. H. H. R. D. K., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Celine Van de Velde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Beneluxpark 27B, waar de verweerder woonplaats kiest,
  3. DE KORTRIJKSE TOREN nv, met zetel te 9800 Deinze, De Tonne 75, voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Sammy BOUZOUMITA, met kantoor te 9000 Gent, Gebroeders De Smetstraat 7, beklaagde, verweerster. II H. D. K., reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Celine Van de Velde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Beneluxpark 27B, waar de eiser woonplaats kiest. III DE KORTRIJKSE TOREN nv, reeds vermeld, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Serge Defrenne, advocaat bij de balie Gent, tegen
  4. P. P., burgerlijke partij,
  5. P. nv, burgerlijke partij,
  6. P. IMPORT & DISTRIBUTION GROUP nv, burgerlijke partij,
  7. DECORAM bv, met zetel te 9800 Deinze, Karel Piquélaan 3, burgerlijke partij,
  8. DEINZE KOOPCENTER bv, met zetel te 9800 Deinze, Karel Piquélaan 7, burgerlijke partij,
  9. H. D. R., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. IV
  10. ARCHITECTENKANTOOR ARCHI. V. bv, (…) voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Tom POELMAN, met kantoor te 9080 Lochristi, Kapelleken 12, beklaagde,
  11. R. I. M. V., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
  12. P. P., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  13. P. nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  14. P. IMPORT & DISTRIBUTION GROUP nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  15. DECORAM bv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  16. DEINZE KOOPCENTER bv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  17. H. D. R., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 oktober
  18. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers IV voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiseres I heeft een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I, III en IV
  19. Het cassatieberoep I is gericht tegen alle beschikkingen van het arrest in de zaak met referte III, dit is de zaak die aanhangig werd gemaakt door de rechtstreekse dagvaarding op verzoek van de eiseres I.
  20. De eiseres I, die als burgerlijke partij niet tot de kosten van de strafvordering werd veroordeeld, heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing over de strafvordering, zodat haar cassatieberoep in zoverre niet ontvankelijk is.
  21. Na te hebben vastgesteld dat de eerste rechter in het beroepen vonnis heeft beslist om de zaak op burgerrechtelijk gebied aan te houden en dat er tegen die beslissing geen hoger beroep werd ingesteld, oordeelt het arrest (p. 24, nr. 7) dat het geen saisine heeft op burgerrechtelijk gebied. Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering noch een beslissing als bedoeld door artikel 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen die beslissing op burgerrechtelijk gebied, zijn de cassatieberoepen I, III en IV voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  22. De eiseres I stelt in haar antwoordnoot dat, mocht het Hof haar cassatieberoep tegen de beslissing over de strafvordering niet ontvankelijk achten, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag moet worden gesteld omdat zij als burgerlijke partij die de strafvordering op gang heeft gebracht en bijgevolg tot een gedeelte van de kosten van de strafvordering werd veroordeeld, de mogelijkheid wordt ontzegd om tegen de beslissing over de strafvordering cassatieberoep aan te tekenen, en dit op een identieke wijze als een burgerlijke partij die de strafvordering niet op gang heeft gebracht, wat volgens de eiseres I een wezenlijk verschillende toestand inhoudt.
  23. De voorgestelde prejudiciële vraag gaat er ten onrechte van uit dat de eiseres I tot een gedeelte van de kosten van de strafvordering werd veroordeeld. De kosten van het exploot waarbij een door een misdrijf benadeelde persoon de vermeende schadeveroorzaker rechtstreeks voor de correctionele rechtbank of de politierechtbank dagvaardt, zijn immers geen kosten van de strafvordering maar wel kosten van de burgerlijke rechtsvordering. De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. Middelen van de eiseres I
  24. De middelen die geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeven geen antwoord. Middelen van de eiser II Eerste middel
  25. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 204 en 206 Wetboek van Strafvordering: de beslissing om de ingevolge de rechtstreekse dagvaarding ingestelde strafvordering met betrekking tot de telastleggingen van de referte III ontvankelijk te verklaren, is niet naar recht verantwoord; het arrest verzuimt hierbij immers om uitspraak te doen over diverse punten van de vordering van de eiser II, met name met betrekking tot de in zijn syntheseconclusie aangevoerde niet-ontvankelijkheid van de rechtstreekse dagvaarding omdat deze op dezelfde feiten berust als deze die reeds aanhangig werden gemaakt, alsook met betrekking tot de maximale rechtsplegingsvergoeding die de eiser II had gevorderd; het arrest specificeert nergens welke andere strafbare feiten dan wel zouden voorliggen in vergelijking met de feiten die het voorwerp waren van het gerechtelijk onderzoek en gaat niet in op het verzoek van de eiser II om hem een maximale rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.
  26. Het cassatieberoep van de eiser II is gericht tegen de beschikkingen op strafgebied met betrekking tot de telastlegging A van de refertes I en II. Het middel dat louter betrekking heeft op de referte III, is niet ontvankelijk. Tweede middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: met het oordeel dat de strafvordering voor de telastlegging A van refertes I en II ontvankelijk is, verantwoordt het arrest de veroordeling van de eiser II wegens die telastlegging niet naar recht en is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest houdt geen rekening met de in de syntheseconclusie van de eiser II aangevoerde feiten die het voorwerp hebben uitgemaakt van de administratieve beslissing waarbij aan de eiser II een administratieve geldboete werd opgelegd voor de feiten van de telastlegging B; de feiten van de telastlegging B konden niet worden gepleegd zonder deze van de telastlegging A, zodat de beide telastleggingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; door de strafvordering voor de telastlegging A ontvankelijk te verklaren, miskent het arrest dan ook de bewijskracht van de voormelde administratieve beslissing en het non bis in idem-beginsel.
  28. Het arrest (p. 24-25) oordeelt onder meer als volgt: - uit de dossiergegevens en de inhoud van de beslissingen van de bevoegde administratieve overheid die besliste tot het opleggen van de administratieve geldboete volgt dat deze administratieve geldboete die aan elke beklaagde werd opgelegd enkel betrekking had op de feiten van de telastlegging B, namelijk het voortzetten van de werken in strijd met het stakingsbevel of het doorbreken van het bewuste stakingsbevel; - dat in de administratieve beslissing over de administratieve geldboete wordt verwezen naar het niet-respecteren van de wachttermijnen voor het uitvoeren van de funderingen, heeft niet tot gevolg dat de administratieve geldboeten ook voor deze feiten werden opgelegd; - in de administratieve beslissing werden de omstandigheden van de feiten weergegeven en de feiten van de telastlegging A maken daar deel van uit, zonder dat zij zich nochtans vereenzelvigen met het niet-respecteren van het stakingsbevel en zonder dat zij noodzakelijk met eenheid van opzet werden gepleegd; - de respectieve feiten van de telastlegging A van refertes I en II en de telastlegging B van refertes I en II zijn afzonderlijke feiten: het doorbreken van het stakingsbevel kan niet worden geënt op het misdrijf van de telastlegging A in beide refertes; - de feiten van de telastleggingen A en B zijn in beide refertes niet onlosmakelijk verbonden; - het zijn evenmin dezelfde feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn; - de feiten van de telastlegging A in beide refertes vloeien niet voort uit de feiten van de telastlegging B in beide refertes of omgekeerd; - de feiten van de telastlegging B van refertes I en II dateren van na de feiten van de telastlegging A van refertes I en II en slaan enkel op het doorbreken van een stakingsbevel dat door de bevoegde overheid werd opgelegd. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  29. Het middel dat formeel de miskenning aanvoert van de bewijskracht van de administratieve beslissing waarbij aan de eiser II voor de telastlegging B een administratieve geldboete werd opgelegd, komt in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  30. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de voormelde administratieve beslissing en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  31. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 49.3 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser II voor de telastlegging A van de refertes I en II tot een geldboete van 25.000,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen tot 150.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden; hoewel de eiser II in zijn appelconclusie had aangevoerd dat de huurgelden van het project (…) niet aan de eiseres III toekwamen maar wel aan D.C.V. nv, linkt het arrest deze strafmaat aan de omvang van het bedrijf van de eiseres III, die irrelevant is voor de bestraffing van de eiser II; het arrest houdt bij de bestraffing ook ten onrechte ermee rekening dat de eiser II zou hebben gekozen voor het creëren van voldongen feiten, waarvan helemaal geen sprake was, aangezien het project als zodanig was vergund; bovendien werd de in eerste aanleg aan de eiser II opgelegde straf door het arrest zonder noemenswaardige motivering verhoogd van 30.000,00 euro naar 150.000,00 euro; door de strafmaat zo hoog te leggen voor het louter uitvoeren van funderingen van een beperkt deel van het project terwijl de vergunning enkele maanden later hoe dan ook uitvoerbaar was, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
  32. Het Handvest Grondrechten Europese Unie heeft geen algemene reikwijdte en is overeenkomstig artikel 51.1 van dat Handvest maar van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 49.3 Handvest Grondrechten Europese Unie, faalt het naar recht.
  33. Het middel verduidelijkt niet hoe, noch van welke akte, het arrest de bewijskracht zou hebben miskend. Evenmin verduidelijkt het middel waarom de appelrechters artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek zouden hebben geschonden. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  34. Het arrest oordeelt niet dat de huurgelden van het project toekwamen aan de eiseres III, waarvan de eiser II de afgevaardigd bestuurder is, noch dat de financiële omvang van de eiseres III bepalend is voor de bestraffing van de eiser II. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  35. Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling schrijft voor dat de appelrechters, naast de motivering van de door hen uitgesproken straffen, moeten motiveren waarom de door de eerste rechter opgelegde straffen niet toereikend zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  36. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader. Het Hof vermag evenwel na te gaan of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van die verdragsbepalingen.
  37. Het arrest (p. 30-31) motiveert de aan de eiser II opgelegde geldboete door erop te wijzen dat de eiser II, door het plegen van het bewezen misdrijf, aangaf de opgelegde stedenbouwkundige regels niet ernstig te nemen, dat hij zijn eigen financiële belangen liet voorgaan op het algemeen belang en ervoor koos voldongen feiten te creëren, dat bij het bepalen van de omvang van de geldboete rekening wordt gehouden met het belang van het project, waarbij de eiser II bij het plegen van het misdrijf duidelijk een economische afweging maakte, die moet worden ontmoedigd, en dat de geldboete van die aard moet zijn dat in de economische afweging tussen het plegen en het niet-plegen van een stedenbouwkundig misdrijf, het niet-plegen de bovenhand krijgt. Het arrest oordeelt verder dat de eiser professioneel actief is in het vastgoed, zodat de verzwarende omstandigheid voorhanden is, en dat, gelet op de economische motieven en de omstandigheid dat hij nog steeds actief is in dezelfde sector, een geldboete noodzakelijk en passend is als maatschappelijke vergelding en om hem aan te sporen voortaan de omgevingsregels wel strikt na te leven. Met die redenen is de aan de eiser II opgelegde straf regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  38. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel
  39. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt niet over de in de conclusie van de eiser II betwiste ontvankelijkheid van de rechtstreekse dagvaarding, noch over de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvorderingen.
  40. Het middel, dat louter betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de rechtstreekse dagvaarding in de referte III en op de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvorderingen, is om de in het antwoord op het eerste middel vermelde reden niet ontvankelijk. Middelen van de eiseres III Eerste middel Eerste onderdeel
  41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: met het oordeel dat de strafvordering voor de telastlegging A van refertes I en II ontvankelijk is, verantwoordt het arrest de veroordeling van de eiser II wegens die telastlegging niet naar recht en is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest gaat immers niet na of de feiten, voorwerp van de telastlegging B waarvoor aan de eiseres III reeds een administratieve geldboete werd opgelegd en deze van de telastlegging A in de refertes I en II niet minstens in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, zoals de eiseres III in haar syntheseconclusie had aangevoerd; door de strafvordering voor de telastlegging A ontvankelijk te verklaren zonder de feiten waarvoor een administratieve geldboete werd opgelegd te vergelijken met de feiten die het voorwerp uitmaken van de telastlegging A, miskennen de appelrechters dan ook het non bis in idem–beginsel.
  42. Uit artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak, voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon.
  43. Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. Niet de inbreuken of de kwalificatie van de feiten, maar de feiten zelf moeten identiek of substantieel dezelfde zijn.
  44. De rechter beoordeelt onaantastbaar in het licht van de gegevens van de zaak of de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling. Daarbij moet de rechter acht slaan op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt, die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  45. Met de redenen aangehaald in het antwoord op het tweede middel van de eiser II verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer en verantwoordt het naar recht de beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering met betrekking tot de telastlegging A in de refertes I en II. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de feiten van de telastlegging A in de refertes I en II andere feiten zijn dan deze van de telastlegging B waarvoor aan de eiseres III bij administratieve beslissing van 1 juli 2015 een administratieve geldboete werd opgelegd, miskent het arrest de bewijskracht van die administratieve beslissing, waaruit immers blijkt dat het identieke feiten betreft.
  47. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een inhoud toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel indien hij ontkent dat dit geschrift een inhoud bevat, die wél erin voorkomt.
  48. Het arrest (p. 24) oordeelt dat: - de opgelegde administratieve geldboete enkel betrekking had op de feiten van de telastlegging B, namelijk het voortzetten van de werken in strijd met het stakingsbevel of het doorbreken van het bewuste stakingsbevel; - de verwijzing naar het niet-respecteren van de wachttermijnen voor het uitvoeren van de funderingen in de administratieve beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete niet tot gevolg heeft dat de administratieve geldboete ook voor deze feiten werd opgelegd; - in de administratieve beslissing de omstandigheden van de feiten werden weergegeven en de feiten van de telastlegging A in de refertes I en II daar deel van uitmaken, zonder dat zij zich nochtans vereenzelvigen met het niet-respecteren van het stakingsbevel. Met dit oordeel schrijven de appelrechters aan de in het onderdeel bedoelde administratieve beslissing geen inhoud toe die deze niet bevat noch ontkennen zij dat dit geschrift iets bevat wat er wél in voorkomt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  49. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 49.3 Handvest Grondrechten Europese Unie: het arrest veroordeelt de eiseres III voor de telastlegging A van de refertes I en II tot een geldboete van 50.000,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen tot 300.000,00 euro; een dergelijke straf houdt een onevenredige aantasting in van het eigendomsrecht van de eiseres III en is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, te meer omdat het arrest de eiseres III eensdeels vrijspreekt van de telastleggingen A en B in de referte III omdat er redelijke twijfel is dat de eiseres III niet over een uitvoerbare vergunning beschikte voor de in de referte III bedoelde werken, en haar anderdeels louter veroordeelt voor het zonder uitvoerbare vergunning uitvoeren van de in de telastlegging A van de refertes I en II bedoelde funderingswerken.
  50. Het Handvest Grondrechten Europese Unie heeft geen algemene reikwijdte en is overeenkomstig artikel 51.1 van dat Handvest maar van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 49.3 Handvest Grondrechten Europese Unie, faalt het naar recht.
  51. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader. Het Hof vermag evenwel na te gaan of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van die verdragsbepalingen.
  52. Het arrest (p. 30-31) motiveert de aan de eiseres III opgelegde geldboete door erop te wijzen dat de eiseres III, door het plegen van het bewezen misdrijf, aangaf de opgelegde stedenbouwkundige regels niet ernstig te nemen, dat zij haar eigen financiële belangen liet voorgaan op het algemeen belang en ervoor koos voldongen feiten te creëren, dat bij het bepalen van de omvang van de geldboete rekening wordt gehouden met het belang van het project, waarbij de eiseres III bij het plegen van het misdrijf duidelijk een economische afweging maakte, die moet worden ontmoedigd, en dat de geldboete van die aard moet zijn dat in de economische afweging tussen het plegen en het niet-plegen van een stedenbouwkundig misdrijf, het niet-plegen de bovenhand krijgt. Het arrest houdt ook rekening met de omvang van het bedrijf van de eiseres III zoals die onder meer blijkt uit haar inschrijving bij de Kruispuntbank van Ondernemingen en oordeelt verder dat de eiseres III professioneel actief is in het vastgoed, zodat de verzwarende omstandigheid voorhanden is, en dat, gelet op de economische motieven en de omstandigheid dat zij nog steeds actief is in dezelfde sector, een geldboete noodzakelijk en passend is als maatschappelijke vergelding en om haar aan te sporen voortaan de omgevingsregels wel strikt na te leven. Met die redenen, waaruit geen miskenning van het evenredigheidsbeginsel blijkt, verantwoordt het arrest naar recht de aan de eiseres III opgelegde geldboete. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  53. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de veroordeling van de eiseres III tot een geldboete van 50.000,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen tot 300.000,00 euro, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt immers niet op de appelconclusie van de eiseres III waarin zij had aangevoerd dat geen rekening mocht worden gehouden met de beweerde winsten van het project, met name de handelshuurgelden, aangezien die niet toekomen aan de eiseres III.
  54. Het arrest oordeelt niet dat de winsten van het project toekomen aan de eiseres III. Het diende bijgevolg het in het onderdeel aangehaalde doelloze verweer van de eiseres III niet te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Middel van de eisers IV Eerste onderdeel
  55. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de conclusies van de beklaagde of zijn raadsman: het oordeel dat de eiser IV.2 in zijn hoedanigheid van architect en de eiseres IV.1 als rechtspersoon waarvan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid wordt afgeleid uit het optreden van de eiser IV.2, schuldig zijn als deelnemers aan het in de telastlegging A van de refertes I en II bedoelde oprichtingsmisdrijf, is niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; strafbare deelneming is maar mogelijk in zoverre een voorafgaande of een met de strafbare handeling gelijktijdig gestelde positieve daad bewezen is; in zoverre het arrest oordeelt dat de eiser IV.2 zijn medewerking als architect pas heeft verleend nadat de uitbreiding zonder uitvoerbare vergunning reeds was uitgegraven, is de veroordeling van de eisers IV als strafbare deelnemers niet naar recht verantwoord; in zoverre de appelrechters oordelen dat de eiser IV.2 op het ogenblik dat ter plaatse op de werf zou zijn beslist om de uitbreiding al uit te graven zonder uitvoerbare vergunning, aldaar aanwezig was, zonder te antwoorden op het verweer van de eiser IV.2 dat hij niet op de hoogte was dat er zou worden gestart met de uitvoering van bepaalde werken op basis van de vergunning die nog niet definitief was, dat hij ervan niet op de hoogte was dat die werken waren opgestart en dat hij niet bij de start van die werken aanwezig was noch bij enig overleg betrokken was, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
  56. Het arrest oordeelt niet dat de eiser IV.2 zijn medewerking als architect pas heeft verleend nadat de uitbreiding zonder uitvoerbare vergunning reeds was uitgegraven. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  57. Het arrest (p. 26-27) stelt vast en oordeelt dat: - uit de feitelijke omstandigheden en uit de eigen verklaring van de eiser IV.2 volgt dat hij wel degelijk op de hoogte was van de afwezigheid van een uitvoerbare vergunning toen de bewuste funderingswerken werden uitgevoerd; - de eiser IV.2 op 15 januari 2015 onder meer verklaarde: “Ik moet u zeggen dat ik voortgegaan ben op informatie van de bouwheer (…) [de eiser II]. [De eiser II] wou zo snel mogelijk met de eerste fase van het project beginnen. In samenspraak hebben we dan beslist om de in de grond gevormde palen (schroefinjectiepalen) te plaatsen vóór het bouwverlof als voorbereiding van de fundering. (…) Het is alleszins uitgevoerd vóór het bouwverlof van West-Vlaanderen omdat de firma Valcke van West-Vlaanderen is. Daar begon het bouwverlof op 14 juli 2014”; - anders dan de eiser IV.2 aanvoert, zijn deelneming wel is aangetoond op grond van de dossiergegevens, aangezien hij wel degelijk ervan op de hoogte was dat de bewuste funderingswerken werden uitgevoerd en hij ermee instemde, gelet op de samenspraak met de bouwheer waar hij naar verwees; - de eiser IV.2 dit trouwens ten aanzien van de stedenbouwkundig inspecteur heeft erkend, naar aanleiding van zijn verzoek tot opheffing of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete; - de beslissing van 28 juli 2015 vermeldde dat niet werd ontkend dat er werken werden uitgevoerd vóór het verstrijken van de wachttermijn; - de eiser II in zijn verklaring ook aangaf dat hij de opdrachtgever was en de andere beklaagden bijgevolg niet moesten worden verontrust; - het gegeven dat de opdracht van de bouwheer kwam, geen afbreuk doet aan de schuld van de architect of de aannemer, aangezien het wetens en willens uitvoeren van zo’n opdracht als architect of aannemer ook een daad van deelneming is; - de eiser IV.2 met de eiseres IV.1, waarvan de eiser IV.2 zaakvoerder is, de architect waren van het project. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  58. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek, artikel 4.7.19, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals hier van toepassing, alsook miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de conclusies van de beklaagde of zijn raadsman: de schuldigverklaring van de eisers IV aan de telastlegging A van de refertes I en II, namelijk deelneming aan het uitvoeren van funderingswerken zonder definitieve, uitvoerbare vergunning in de periode van 3 juli 2014 tot 3 oktober 2014, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; de appelrechters antwoorden niet op het in de syntheseconclusie van de eiser IV.2 aangevoerde verweer dat hij als architect in de periode van 3 juli 2014 tot 3 oktober 2014 weliswaar op de hoogte was van de toegelaten werken, waaronder het plaatsen van een aantal paalfunderingen (schroefinjectiepalen) volgens plan 1, die werden uitgevoerd op grond van de basisvergunning, maar dat hij niet op de hoogte was van de in de telastlegging A bedoelde werken, meer bepaald de uitvoering van de funderingssleuven en paalfunderingen volgens plan 2, die in die periode werden uitgevoerd op basis van de gewijzigde vergunning van 22 juli 2014, waartegen hoger beroep werd aangetekend en die bijgevolg niet uitvoerbaar was; het arrest maakt geen onderscheid tussen de conform de basisvergunning toegelaten werken, waarvan de eiser IV.2 op de hoogte was, en de verboden werken op grond van de wijzigende vergunning, waarvan de eiser IV.2 niet op de hoogte was.
  59. Het arrest (p. 19-20 en 25-26) oordeelt dat: - de eerste rechter heeft vastgesteld dat: (i) het college van burgemeester en schepenen van Deinze op 5 februari 2013 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; (ii) hiertegen door de eiseres I beroep werd ingesteld bij de deputatie van Oost-Vlaanderen; (iii) de deputatie op 4 juli 2013, ondanks ongunstig advies van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar, de vergunning heeft verleend; (iv) op verzoek van de eiseres I op 8 december 2015 de vergunning werd vernietigd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen; (v) de eiseres III intussen een tweede vergunningsaanvraag had ingediend met aangepaste plannen; (vi) op 22 juli 2014 het college van burgemeester en schepenen van Deinze de stedenbouwkundige vergunning voor deze wijzigingsaanvraag heeft verleend; (vii) de eiseres I hiertegen beroep heeft aangetekend bij de deputatie van Oost-Vlaanderen, waardoor de uitvoerbaarheid van de vergunning werd geschorst; (viii) tijdens de beroepstermijnen de bouwwerken echter werden aangevat; (ix) op 3 oktober 2014 hiervoor een stakingsbevel werd opgelegd dat op 13 oktober werd bekrachtigd door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur; - de telastlegging A van referte I en II het uitvoeren van funderingswerken betreft, zonder definitieve uitvoerbare vergunning, in de periode van 3 juli 2014 tot 3 oktober 2014, terwijl de stedenbouwkundige vergunning nog niet definitief was en deze overeenkomstig artikel 4.7.19, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening § 3, nog niet mocht worden uitgevoerd; - de eiser II opdrachten gaf aan de architect en de aannemer om de werken aan te vatten en verder uit te voeren ondanks de afwezigheid van een vergunning; - de architect en de aannemer als professionelen zich steeds ervan moeten vergewissen dat de vergunning definitief en uitvoerbaar is alvorens de werken aan te vatten of voort te zetten; - ook al zou ter plaatse op de werf zijn beslist om de uitbreiding al uit te graven zonder uitvoerbare vergunning, uit niets volgt dat de eiser IV.2 als architect hiertegen inging en geweigerd zou hebben nog langer zijn medewerking te verlenen; - uit de feitelijke omstandigheden en uit de eigen verklaring van de eiser IV.2 volgt dat hij wel degelijk op de hoogte was van de afwezigheid van een uitvoerbare vergunning toen de bewuste funderingswerken werden uitgevoerd; - de eiser IV.2 op 15 januari 2015 onder meer verklaarde: “Ik moet u zeggen dat ik voortgegaan ben op informatie van de bouwheer (…) [de eiser II]. [De eiser II] wou zo snel mogelijk met de eerste fase van het project beginnen. In samenspraak hebben we dan beslist om de in de grond gevormde palen (schroefinjectiepalen) te plaatsen vóór het bouwverlof als voorbereiding van de fundering. (…) Het is alleszins uitgevoerd vóór het bouwverlof van West-Vlaanderen omdat de firma Valcke van West-Vlaanderen is. Daar begon het bouwverlof op 14 juli 2014”; - anders dan de eiser IV.2 aanvoert, zijn deelneming wel is aangetoond op grond van de dossiergegevens, aangezien hij wel degelijk ervan op de hoogte was dat de bewuste funderingswerken werden uitgevoerd en hij ermee instemde, gelet op de samenspraak met de bouwheer waar hij naar verwees; - de eiser IV.2 dit trouwens ten aanzien van de stedenbouwkundig inspecteur heeft erkend, naar aanleiding van zijn verzoek tot opheffing of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete; - de beslissing van 28 juli 2015 vermeldde dat niet werd ontkend dat er werken werden uitgevoerd vóór het verstrijken van de wachttermijn; - de eiser II in zijn verklaring ook aangaf dat hij de opdrachtgever was en de andere beklaagden bijgevolg niet moesten worden verontrust; - het gegeven dat de opdracht van de bouwheer kwam, geen afbreuk doet aan de schuld van de architect of de aannemer, aangezien het wetens en willens uitvoeren van zo’n opdracht als architect of aannemer ook een daad van deelneming is; - de eiser IV.2 met de eiseres IV.1, waarvan de eiser IV.2 zaakvoerder is, de architect waren van het project. Met die redenen beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  60. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  61. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit de op 15 januari 2015 afgelegde verklaring van de eiser IV.2 dat hij en de eiser II“in samenspraak hebben (…) beslist om de in de grond gevormde palen (schroefinjectiepalen) te plaatsen vóór het bouwverlof als voorbereiding van de fundering” blijkt dat dit slaat op de verboden bouwwerken op grond van de wijzigende vergunning en niet op de toegelaten bouwwerken ter uitvoering van de basisvergunning, miskent het arrest de bewijskracht van die verklaring; uit de verklaring van de eiser IV.2 kan geenszins worden afgeleid dat er samenspraak is geweest om verboden bouwwerken op grond van de wijzigende vergunning uit te voeren, te meer aangezien de eiser IV.2 in zijn conclusie had aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de uitvoering van de in de wijzigende vergunning bedoelde funderingswerken maar louter van de uitvoering van paalfunderingen op grond van de basisvergunning (plan 1).
  62. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een inhoud toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel indien hij ontkent dat dit geschrift een inhoud bevat, die wél erin voorkomt.
  63. Door te oordelen dat onder meer uit de verklaring van de eiser IV.2 van 15 januari 2015 blijkt dat hij wel degelijk op de hoogte was van de afwezigheid van een uitvoerbare vergunning toen de bewuste funderingswerken werden uitgevoerd, schrijven de appelrechters aan die verklaring geen inhoud toe die deze niet bevat noch ontkennen zij dat dit geschrift iets bevat wat er wél in voorkomt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  64. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 288,61 euro, waarvan de eiseres I 34,52 euro is verschuldigd en de eisers II, III en IV elk 73,03 zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010418.20 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100120.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.