id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.14 Rolnummer: P.22.0603.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-15 Raadplegingen: 716 - laatst gezien 2026-06-16 15:03 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Indien het beroepen vonnis het verzet tegen een verstekvonnis onontvankelijk heeft verklaard en de appellant in zijn grievenformulier enkel grieven vermeldt betreffende de in het verstekvonnis vervatte beslissingen, dan behoort de beslissing over de ontvankelijkheid van het verzet tegen het verstekvonnis noodzakelijk tot het debat voor het appelgerecht; het appelgerecht dat oordeelt dat het beroepen vonnis het verzet terecht onontvankelijk heeft verklaard, voert geen ambtshalve grief aan in de zin van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en dient dan ook de appellant niet uit te nodigen zich daarover uit te spreken. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0603.N E M B H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ibrahim El Ouahi, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, van 8 april 2022 (nr. 22/522). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging: het bestreden vonnis stelt vast dat er geen ambtshalve op te werpen grieven zijn, maar het werpt als grief op dat de eerste rechter eisers verzet terecht onontvankelijk heeft verklaard zonder de eiser de kans te geven zich daarover uit te spreken. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis dat oordeelt zoals is vermeld in het eerste onderdeel, is tegenstrijdig gemotiveerd.
- Uit artikel 210, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat: - het appelgerecht, behoudens de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde grieven, slechts ambtshalve grieven van openbare orde kan opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen dan wel op zijn bevoegdheid, de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt en het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten; - de partijen worden verzocht zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen.
- Indien het beroepen vonnis het verzet tegen een verstekvonnis onontvankelijk heeft verklaard en de appellant in zijn grievenformulier enkel grieven vermeldt betreffende de in het verstekvonnis vervatte beslissingen, dan behoort de beslissing over de ontvankelijkheid van het verzet tegen het verstekvonnis noodzakelijk tot het debat voor het appelgerecht. Het appelgerecht dat oordeelt dat het beroepen vonnis het verzet terecht onontvankelijk heeft verklaart, voert geen ambtshalve grief aan in de zin van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en dient dan ook de appellant niet uit te nodigen zich daarover uit te spreken.
- Het eerste onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Het met het tweede onderdeel aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de voormelde onjuiste rechtsopvatting en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis dat bij toepassing van artikel 195bis Wetboek van Strafvordering vaststelt dat een van de rechters die over de zaak heeft beraadslaagd, in de onmogelijkheid was het te ondertekenen, laat na deze bepaling te vermelden.
- De verplichting de toegepaste wetsbepalingen te vermelden, vloeit niet voor uit artikel 6 EVRM of artikel 149 Grondwet.
- De door artikelen 163, eerste lid, 172, tweede lid, 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering opgelegde verplichting om in een veroordelende beslissing melding te maken van de toegepaste wetsbepalingen houdt in dat de rechter in die beslissing de wetsbepalingen moet vermelden welke de bestanddelen bepalen van het misdrijf waaraan hij de beklaagde schuldig verklaart, alsook de wetsbepalingen betreffende de straffen die hij uitspreekt. De rechter dient niet de wetsbepalingen betreffende de rechtspleging te vermelden, zoals artikel 195bis Wetboek van Strafvordering.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 13 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div