id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.17 Rolnummer: P.22.1120.N-P.22.1164.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-15 Raadplegingen: 953 - laatst gezien 2026-06-19 01:49 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 71, eerste lid en 74/6, § 1, vijfde en zesde lid, Vreemdelingenwet volgt dat wanneer het onderzoeksgerecht kennisneemt van het beroep dat de vreemdeling krachtens artikel 71, eerste lid, Vreemdelingenwet heeft ingesteld tegen een vrijheidsberovende maatregel, op een ogenblik dat de geldigheidsduur van die maatregel zoals die desgevallend werd verlengd is verstreken, maar er een nieuwe beslissing tot verlenging is genomen, het bij de beoordeling van de wettigheid van de opsluiting de regelmatigheid dient na te gaan van de eerste beslissing tot verlenging; dergelijke nieuwe beslissing tot verlenging van een vrijheidsberovende maatregel maakt evenwel geen nieuwe zelfstandige maatregel van vrijheidsberoving uit, zodat het onderzoeksgerecht in dat geval gehouden blijft ook de wettigheid van de verlengde maatregel na te gaan
(1).
(1)Zie Cass. 7 juli 2021, AR P.21.0760.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210707.VAK.1, AC 2021, nr. 495, T.Strafr. 2021, afl. 6,
- Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1120.N – P.22.1164.N I-II B H, vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Bruno Soenen, advocaat bij de balie Gent, tegen BELGISCHE STAAT, voor wie optreedt de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 juli 2022 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 augustus 2022 (hierna arrest II). De eiser voert tegen het arrest I in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. De eiser voert tegen het arrest II in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- Tegen de eiser werd op 16 maart 2022 op grond van artikel 74/6, § 1, 4°, Vreemdelingenwet een beslissing tot vasthouding op een welbepaalde plaats genomen.
- Op 13 mei 2022 werd beslist om de beslissing tot vasthouding een eerste keer te verlengen met ingang van 15 mei 2022 tot en met 15 juli
- Op 5 juli 2022 werd beslist om de beslissing tot vasthouding een tweede keer te verlengen met ingang van 15 juli 2022 tot en met 15 augustus
- Die beslissing werd aan de eiser betekend op 14 juli
- Op 30 juni 2022 werd door de eiser een verzoekschrift tot invrijheidstelling ingediend. Bij beschikking van 5 juli 2022 oordeelde de raadkamer te Ieper dat dit verzoek ontvankelijk was, maar ze wees het af als ongegrond. Op het hoger beroep van de eiser oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent met het arrest I dat het hoger beroep ontvankelijk was, maar geen voorwerp meer had aangezien de eiser sinds 14 juli 2022 werd vastgehouden op grond van een nieuwe beslissing tot verlenging. Tegen dit arrest I stelde de eiser op 3 augustus 2022 het cassatieberoep I in.
- Op 25 juli 2022 werd namens de verweerder een verzoekschrift ingediend tot wettigverklaring van de verlengingsbeslissing van 5 juli
- De raadkamer te Ieper verklaarde dit verzoek onontvankelijk wegens laattijdigheid. Op het hoger beroep van het openbaar ministerie besliste de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent met het arrest II dat het verzoek wel ontvankelijk was en verklaarde het de verlengingsbeslissing van 5 juli 2002, ingaand op 16 juli 2022, wettig. Tegen dit arrest II stelde de eiser op 26 augustus 2022 het cassatieberoep II in. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Samenvoeging van de cassatieberoepen I en II
- De arresten I en II doen uitspraak over eisers opsluiting met toepassing van artikel 74/6, § 1, 4°, Vreemdelingenwet. Het is in het belang van een goede rechtsbedeling de cassatieberoepen I en II samen te beoordelen en ze met een arrest te beslechten. Cassatieberoep I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 71, eerste lid, Vreemdelingenwet: het arrest I verklaart ten onrechte eisers hoger beroep zonder voorwerp wegens de betekening van een nieuwe beslissing tot verlenging van het vasthouden in een welbepaalde plaats; het laat hierbij na de wettigheid te beoordelen zowel van de vrijheidsberoving als van de verlenging.
- Krachtens artikel 74/6, § 1, vijfde lid, Vreemdelingenwet kan de minister of zijn gemachtigde de in artikel 74/6, § 1, eerste lid, 4°, Vreemdelingenwet bedoelde vasthouding verlengen met een periode van twee maanden wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereist. Volgens artikel 74/6, § 1, zesde lid, Vreemdelingenwet zijn nieuwe verlengingen voor een termijn van één maand mogelijk, maar dient die beslissing te worden genomen door de minister en mag de totale duur van de vasthouding niet meer dan zes maanden bedragen.
- Artikel 71, eerste lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel van vrijheidsberoving genomen met toepassing van onder meer het voormelde artikel 74/6, tegen die maatregel beroep kan instellen door een verzoekschrift neer te leggen bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van zijn verblijfplaats in het Rijk of van de plaats waar hij werd aangetroffen.
- Uit die bepalingen volgt dat wanneer het onderzoeksgerecht kennisneemt van het beroep dat de vreemdeling krachtens artikel 71, eerste lid, Vreemdelingenwet heeft ingesteld tegen een vrijheidsberovende maatregel, op een ogenblik dat de geldigheidsduur van die maatregel zoals die desgevallend werd verlengd is verstreken, maar er een nieuwe beslissing tot verlenging is genomen, het bij de beoordeling van de wettigheid van de opsluiting de regelmatigheid dient na te gaan van de eerste beslissing tot verlenging. Dergelijke nieuwe beslissing tot verlenging van een vrijheidsberovende maatregel maakt evenwel geen nieuwe zelfstandige maatregel van vrijheidsberoving uit, zodat het onderzoeksgerecht in dat geval gehouden blijft ook de wettigheid van de verlengde maatregel na te gaan.
- Het arrest I oordeelt: “Aan [de eiser] werd inmiddels op 14 juli 2022 een nieuwe beslissing tot verlenging van het vasthouden in een welbepaalde plaats betekend. De hechtenistoestand van [de eiser] berust bijgevolg niet langer op de beslissing d.d. 13 mei 2022 tot (de) verlenging van het vasthouden in een welbepaalde plaats, zodat het hoger beroep thans zonder voorwerp is.” Die beslissing, die nalaat de wettigheid van de eerste verlengingsbeslissing van 13 mei 2022 te onderzoeken, is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Overige middelen
- De middelen die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Cassatieberoep II
- Het arrest II heeft de wettigheid beoordeeld van de tweede verlengingsbeslissing van 5 juli 2022, maar niet de wettigheid van de eerste verlengingsbeslissing van 13 mei
- De cassatie van het arrest I dient dan ook gelet op het nauw verband tussen de arresten I en II, te worden uitgebreid tot het arrest II.
- De middelen gericht tegen het arrest II behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Voegt de zaken ingeschreven onder de rolnummers P.22.1120.N en P.22.1164.N samen. Vernietigt de bestreden arresten I en II. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van de vernietigde arresten I en II. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaken naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 13 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210707.VAK.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div