id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.2 Rolnummer: P.22.0590.N Zaak: P. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-09-15 Raadplegingen: 717 - laatst gezien 2026-06-16 15:02 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Noch uit artikel 17, eerste lid, Probatiewet, noch uit enige andere bepaling van de Probatiewet volgt voor de rechter die kennis neemt van een nieuwe vervolging de verplichting om uitdrukkelijk vast te stellen dat een gelijkvormig verklaard afschrift van de beslissing die de opschorting heeft bevolen bij het dossier is gevoegd. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 17 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 17 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 3 - 6 Noch uit artikel 1, § 1, 1°, Probatiewet dat bepaalt dat aan de opschorting een proeftijd is verbonden, noch uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet dat bepaalt dat de rechter de duur van de proeftijd moet bepalen en dat hij de beslissing over de opschorting moet motiveren overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering, noch uit artikel 13 Probatiewet dat de herroeping van de opschorting regelt, noch uit het voormelde artikel 17 Probatiewet, noch uit de wetsgeschiedenis van die bepalingen, volgt dat (-) de rechter die kennis neemt van een nieuwe vervolging geen opschorting meer kan bevelen, indien de nieuwe feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd van een reeds toegestane opschorting maar het staat daarentegen aan de rechter te oordelen of in die omstandigheden het nogmaals verlenen van de opschorting opportuun is, (-) de rechter die kennis neemt van een nieuwe vervolging, indien de nieuwe feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd van een reeds toegestane opschorting, dit gegeven uitdrukkelijk moet vermelden bij de motivering van het nogmaals toestaan van de opschorting, tenzij hij daarbij bij conclusie zou worden verplicht, (-) de draagwijdte van de motiveringsplicht bij het toestaan van opschorting afhankelijk is van de hoedanigheid van de beklaagde en dat er dus een verhoogde motiveringsplicht zou bestaan voor beklaagden met een voorbeeldfunctie. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Fiches 7 - 8 Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die de opschorting toestaat daartoe nauwkeurig de redenen moet vermelden; de rechter kan er evenwel niet mee volstaan vast te stellen dat de beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de opschorting maar hij moet de redenen vermelden welke de maatregel rechtvaardigen, ook al mag die motivering beknopt zijn
(1).
(1)Cass. 6 april 1971, AC 1971, 749; Cass. 2 februari 1971, AC 1971, 533; S. VAN OVERBEKE, “De motivering omtrent de opschorting van de uitspraak van veroordeling en omtrent het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf”, RW 1996-97, 1057-
- Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0590.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen W A A M T, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 3, vierde lid, Probatiewet: het bestreden arrest stelt niet vast dat een eensluidend verklaard afschrift van het arrest van 25 juni 2019 waarbij aan de verweerder reeds opschorting van de uitspraak van veroordeling (hierna de opschorting) is toegekend en waarvan de daaraan verbonden proeftijd nog niet is beëindigd, bij het dossier is gevoegd.
- Artikel 17, eerste lid, Probatiewet bepaalt dat indien een beklaagde, die is onderworpen aan een door artikel 3 Probatiewet bedoelde maatregel van opschorting, opnieuw wordt vervolgd, er een gelijkvormig verklaard afschrift van die beslissing bij het dossier van de nieuwe vervolging wordt gevoegd.
- Noch uit die bepaling noch uit enige andere bepaling van de Probatiewet volgt voor de rechter die kennis neemt van een nieuwe vervolging de verplichting om uitdrukkelijk vast te stellen dat een gelijkvormig verklaard afschrift van de beslissing die de opschorting heeft bevolen bij het dossier is gevoegd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het wettelijk begrip proeftijd: het bestreden arrest houdt ten onrechte geen rekening met de lopende proeftijd van een eerder toegestane opschorting; het bestreden arrest verwijst niet naar het arrest van 25 juni 2019 dat aan de eiser reeds de gewone opschorting had toegekend voor een periode van drie jaar en waarvan de proeftijd nog niet was verstreken; artikel 1 Probatiewet bepaalt dat aan een opschorting een proeftijd wordt verbonden; artikel 3, vierde lid, Probatiewet bepaalt dat de rechter de termijn van de opschorting moet bepalen; artikel 13 Probatiewet voorziet in de mogelijkheid om de opschorting te herroepen; ook als de opschorting werd toegestaan zonder dat bijzondere voorwaarden werden opgelegd, moet de rechter die bij een nieuwe vervolging opnieuw de opschorting verleent, melding maken van de nog lopende proeftijd; dit blijkt uit de artikelen 1 en 3, vierde lid, Probatiewet en uit de wetsgeschiedenis ervan; anders heeft het opleggen van een proeftijd geen zin; het bestreden arrest miskent dan ook het wettelijk begrip proeftijd; aangezien het bestreden arrest de verweerder opnieuw opschorting toestaat, houdt het geen veroordeling voor de nieuwe feiten in, waardoor het openbaar ministerie niet in de mogelijkheid is om de herroeping van de reeds toegestane opschorting te vorderen; het bestreden arrest had moeten verduidelijken waarom het opnieuw de opschorting toestond, terwijl de nieuwe feiten werden gepleegd tijdens een nog lopende proeftijd; die motiveringsverplichting is nog belangrijker aangezien de verweerder als magistraat een voorbeeldfunctie vervult, iets wat het bestreden arrest vaststelt, maar dan wel met weglating van het essentieel gegeven dat de verweerder de nieuwe feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een reeds verleende opschorting.
- Uit de omstandigheid dat de rechter die kennis neemt van een nieuwe vervolging niet uitdrukkelijk verwijst naar het gegeven dat de nieuwe feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan een eerdere maatregel van opschorting, volgt niet dat de rechter dit gegeven niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Noch uit artikel 1, § 1, 1°, Probatiewet dat bepaalt dat aan de opschorting een proeftijd is verbonden, noch uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet dat bepaalt dat de rechter de duur van de proeftijd moet bepalen en dat hij de beslissing over de opschorting moet motiveren overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering, noch uit artikel 13 Probatiewet dat de herroeping van de opschorting regelt, noch uit het voormelde artikel 17 Probatiewet, noch uit de wetsgeschiedenis van die bepalingen, volgt dat: - de rechter die kennis neemt van een nieuwe vervolging geen opschorting meer kan bevelen, indien de nieuwe feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd van een reeds toegestane opschorting. Het staat daarentegen aan de rechter te oordelen of in die omstandigheden het nogmaals verlenen van de opschorting opportuun is; - de rechter die kennis neemt van een nieuwe vervolging, indien de nieuwe feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd van een reeds toegestane opschorting, dit gegeven uitdrukkelijk moet vermelden bij de motivering van het nogmaals toestaan van de opschorting, tenzij hij daarbij bij conclusie zou worden verplicht; - de draagwijdte van de motiveringsplicht bij het toestaan van opschorting afhankelijk is van de hoedanigheid van de beklaagde en dat er dus een verhoogde motiveringsplicht zou bestaan voor beklaagden met een voorbeeldfunctie. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden arrest vermeldt weliswaar dat de verweerder verkeert in de wettelijke voorwaarden om de opschorting te bevelen, maar het laat na de voorwaarden ervan te onderzoeken en het vermeldt zodoende niet nauwkeurig de redenen die de opschorting rechtvaardigen; de voor het toekennen van de opschorting vereiste bijzondere motivering ontbreekt.
- In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het tweede onderdeel, is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen.
- Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die de opschorting toestaat daartoe nauwkeurig de redenen moet vermelden. De rechter kan er evenwel niet mee volstaan vast te stellen dat de beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de opschorting. Hij moet de redenen vermelden welke de maatregel rechtvaardigen, ook al mag die motivering beknopt zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de verweerder heeft over de omstandigheden waarin de inbreuk werd gepleegd toelichting verschaft per brief van 9 juni 2021 gericht aan de eerste advocaat-generaal en tevens op de rechtszitting van 16 februari 2022; - het voertuig werd inmiddels gekeurd; - de verweerder is zich bewust van het ontoelaatbare karakter van zijn handelen; - ook al heeft de verweerder als magistraat een voorbeeldfunctie, hij voert op een aannemelijke wijze aan, gestaafd met overtuigingsstukken, dat de vermelding van een strafrechtelijke veroordeling op zijn strafregister mogelijk gevolgen zou kunnen hebben voor zijn toekomstperspectieven; - er kan dan ook worden verhoopt dat de verweerder zulke feiten niet meer zal plegen; - de verweerder verkeert in de wettelijke voorwaarden opdat de opschorting kan worden gelast; - de maatregel van de opschorting staat in verhouding tot de ernst van de feiten de omstandigheden waarin ze werden gepleegd en zal de doelstellingen van de straftoemeting passend verwezenlijken. Aldus vermeldt het arrest op nauwkeurige wijze de redenen die het toestaan van de opschorting rechtvaardigen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 13 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div