← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.22 Rolnummer: P.22.1167.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-09-15 Raadplegingen: 1066 - laatst gezien 2026-06-18 20:26 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De voorafgaande ondervraging zoals bepaald in artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de verdachte over de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging te waarborgen; de wetgever heeft niet nader bepaald hoe de voorafgaande ondervraging precies moet verlopen maar het is niet noodzakelijk dat de onderzoeksrechter aan de verdachte gerichte vragen stelt; wel moet blijken dat de onderzoeksrechter de verdachte de gelegenheid heeft gegeven zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten

(1).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0537.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.14, AC 2022, nr. 311; Cass. 26 maart 2019, AR P.19.0265.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 7 Noch de tekst van artikel 5.
  2. EVRM en de artikelen 16, § 2, en 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet, noch de wetsgeschiedenis van de Voorlopige Hechteniswet noch het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging noch enig andere bepaling verzetten zich ertegen dat de onderzoeksrechter bij de voorafgaande ondervraging van de verdachte verwijst naar de eerder aan de politie afgelegde verklaringen van de verdachte en vraagt of de verdachte die verklaringen al dan niet bevestigt, voor zover aan de verdachte duidelijk is gemaakt welke de feiten zijn die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en de ondervraging door de politie daarop betrekking heeft; een dergelijke vraagstelling stelt de verdachte wel degelijk in staat zijn zienswijze over de hem verweten feiten ter kennis te brengen van de onderzoeksrechter en plaatst hem niet in de positie die de uitoefening van zijn recht van verdediging belemmert en die regel geldt zowel voor verdachten die worden verhoord in een taal die zij begrijpen als voor verdachten die worden verhoord met behulp van een tolk. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1167.N V N, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Olivier Martins, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 augustus
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, § 2, en 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat uit het proces-verbaal van voorafgaand verhoor van de eiseres door de onderzoeksrechter blijkt dat de eiseres kennis kreeg van de haar ten laste gelegde feiten, over de verklaring van haar rechten de nodige opmerkingen kon geven waarna ze werd ondervraagd door de onderzoeksrechter en uiteindelijk zijzelf en haar raadsman ook over de ondervraging hun opmerkingen konden geven, alsook over de vordering tot aanhouding; de beslissingen dat het recht van verdediging van de eiseres niet is miskend en dat het aanhoudingsbevel regelmatig is verleend, zijn niet naar recht verantwoord; de onderzoeksrechter heeft de eiseres enkel ondervraagd over haar houding ten aanzien van de eerder aan de politie afgelegde verklaring; die verklaring is geen element dat aanleiding kan geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding noch een feit dat aan de beschuldiging ten grondslag ligt; uit de tekst van artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de onderzoeksrechter cumulatief de inverdenkinggestelde moet ondervragen én horen; een louter horen is niet voldoende; ondervragen houdt in dat er vragen moeten worden gesteld om iets aan de weet te komen; die vragen moeten betrekking hebben op de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en aanleiding kunnen geven tot het verlenen van een bevel tot aanhouding; het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging verplicht de onderzoeksrechter tot het aannemen van een actieve ondervragende houding; dat is zeker zo indien de onderzoeksrechter op het ogenblik van de ondervraging aan de inverdenkinggestelde nog geen mededeling heeft gedaan van de rechten; de eiseres werd immers pas na haar ondervraging in kennis gesteld van haar rechten; indien de onderzoeksrechter geen vragen stelt, plaatst dit de inverdenkinggestelde in een moeilijke positie aangezien zij zo wordt verplicht te zwijgen; het arrest stelt de vordering van de procureur des Konings gelijk met de feiten die ten grondslag liggen van een mogelijke aanhouding; het arrest laat na de door de onderzoeksrechter gestelde vragen te toetsen aan de inhoudelijke vereisten, die artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet bevat voor een ondervraging.
  5. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter vooraleer een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen moet horen.
  6. De voorafgaande ondervraging heeft tot doel de onderzoeksrechter in te lichten over het standpunt van de verdachte over de hem verweten feiten en aldus zijn recht van verdediging te waarborgen.
  7. De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de voorafgaande ondervraging precies moet verlopen. Het is niet noodzakelijk dat de onderzoeksrechter aan de verdachte gerichte vragen stelt. Wel moet blijken dat de onderzoeksrechter de verdachte de gelegenheid heeft gegeven zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten.
  8. Noch de tekst van de in het middel vermelde bepalingen, noch de wetsgeschiedenis van de Voorlopige Hechteniswet noch het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging noch enig andere bepaling verzetten zich ertegen dat de onderzoeksrechter bij de voorafgaande ondervraging van de verdachte verwijst naar de eerder aan de politie afgelegde verklaringen van de verdachte en vraagt of de verdachte die verklaringen al dan niet bevestigt, voor zover aan de verdachte duidelijk is gemaakt welke de feiten zijn die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en de ondervraging door de politie daarop betrekking heeft.
  9. Een dergelijke vraagstelling stelt de verdachte wel degelijk in staat zijn zienswijze over de hem verweten feiten ter kennis te brengen van de onderzoeksrechter en plaatst hem niet in de positie die de uitoefening van zijn recht van verdediging belemmert.
  10. Die regel geldt zowel voor verdachten die worden verhoord in een taal die zij begrijpen als voor verdachten die worden verhoord met behulp van een tolk.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de onderzoeksrechter heeft, na opname van de identiteit van de eiseres en de vaststelling in verband met de bijstand door een raadsman, de eiseres voorlezing gegeven van de feiten vervat in de vordering van het openbaar ministerie, zoals omschreven in de bewoordingen van de strafwet, met aanduiding van de wetsbepalingen, de plaats en de datum van de feiten, het nadeel en de benadeelde; - de onderzoeksrechter heeft daarop de eiseres meegedeeld dat de procureur des Konings haar aanhouding vorderde en heeft haar lezing gegeven van de motivering; - de onderzoeksrechter heeft vervolgens de eiseres ingelicht dat alle opmerkingen daarover konden worden geformuleerd die noodzakelijk werden geacht en dat pas na een verhoor een beslissing zou worden genomen over een eventuele verdere vrijheidsberoving; - de onderzoeksrechter heeft de eiseres verder kennis gegeven van haar rechten, waarbij de eiseres heeft aangegeven die te hebben begrepen en geen opmerkingen te hebben; - de onderzoeksrechter heeft het voorafgaand verhoor van de eiseres niet louter beperkt tot de vraag of de eiseres haar aan de politiediensten afgelegde verklaring bevestigde; - nadat de onderzoeksrechter de vraag naar de bevestiging van de door de eiseres aan de politie afgelegde verklaring heeft gesteld en de eiseres daarop bevestigend heeft geantwoord, heeft de onderzoeksrechter de eiseres uitvoerig uitgelegd waaruit haar mogelijke betrokkenheid bleek bij de opeenvolgende feiten waarvan zij werd verdacht, waaronder camerabeelden van de feiten te Aalst, het feit dat zij op de camerabeelden werd herkend door de slachtoffers van de feiten op 2 augustus te Ninove, de herkenning van de nummerplaat waarmee zij zich verplaatste en het aantreffen van minstens een deel van de buit in het voertuig waarin zij zich bevond, alsook het aantreffen van inbrekersmateriaal in het voertuig; - de eiseres heeft daarop geantwoord dat zij bij haar verklaring bleef; - nadat het verhoor werd onderbroken voor een vertrouwelijk overleg tussen de eiseres en haar raadsman, heeft de eiseres verklaard dat zij er verder niets meer aan toe te voegen had; - de raadsman van de eiseres heeft op het einde van het verhoor aangegeven geen opmerkingen te hebben over het verhoor.
  13. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal en aldus ook door overname van de redenen van de beroepen beschikking en met eigen redenen als volgt: - de vraag of een verdachte bij haar aan de politie afgelegde verklaring blijft, is niet het louter voorschotelen van een politieverhoor; - door de onderzoeksrechter werden alle aan de eiseres ten laste gelegde feiten herhaald, die door haar opnieuw werden ontkend; - op de rechtszitting voor de raadkamer heeft de eiseres de feiten toegegeven en heeft zij bevestigd dat zij bij de onderzoeksrechter de kans heeft gekregen om een verklaring af te leggen, waaruit duidelijk blijkt dat zij de mogelijkheid had om haar opmerkingen betreffende de haar ten laste gelegde feiten naar voor te brengen en alle elementen te laten gelden die zij wenste; - uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat de eiseres kennis kreeg van de haar ten laste gelegde feiten, omtrent haar verklaring van rechten de nodige opmerkingen kon geven, waarna ze door de onderzoeksrechter werd ondervraagd – ze antwoordde tweemaal – en uiteindelijk zijzelf en haar raadsman ook over de ondervraging opmerkingen konden geven, alsook over de vordering tot aanhouding, wat zij ook hebben gedaan. De beslissingen dat het recht van verdediging van de eiseres niet is miskend, dat zij werd ondervraagd over het geheel van de haar ten laste gelegde omstandigheden en feiten en dat het bevel tot aanhouding regelmatig is, zijn dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 13 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.