← België

O.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.24 Rolnummer: P.22.1170.N Zaak: O. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-27 Raadplegingen: 1185 - laatst gezien 2026-06-16 15:02 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Krachtens de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet dient de rechter die de voorlopige hechtenis handhaaft het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde en hij moet ook de feitelijke omstandigheden van de zaak vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid; daar de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dan ook enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak en de rechter mag bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis

(1).
(1)Zie o.a.: Cass. 2 december 2020, AR P.20.1153.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6, AC 202, nr. 742, met concl. in hoofdzaak van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 14 oktober 2020, AR P.20.0974.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201014.2F.14, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 2 Het arrest dat na een vrijheidsberoving van meer dan tien maanden de hechtenis van de eiser handhaaft met als enige motivering de overname van redenen die werden aangenomen door de onderzoeksrechter bij de aanvang van de voorlopige hechtenis en van de redenen vermeld in voorafgaande beslissingen, zonder enig concreet verband met de feitelijke gegevens van de zaak en de elementen betreffende eisers persoonlijkheid zoals die uit het onderzoek blijken op het tijdstip van het arrest, is niet naar recht verantwoord. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Tekst van de beslissing Nr. P.22.1170.N I en II I O, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 augustus
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  3. Volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan behoudens in de wet bepaalde gevallen niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing. Het cassatieberoep II dat door de raadsman is ingesteld op 1 september 2022, na een eerste door de eiser zelf ingesteld cassatieberoep op 31 augustus 2022, is niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 1 en § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest motiveert de noodzaak tot verlenging van de voorlopige hechtenis op een identieke wijze als in de eerdere arresten van 9 mei 2022 en van 26 juli 2022, waarbij gebruik wordt gemaakt van stereotiepe overwegingen; aldus getuigt het arrest van een automatisme.
  5. Krachtens de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet dient de rechter die de voorlopige hechtenis handhaaft het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde. Hij moet ook de feitelijke omstandigheden van de zaak vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. Daar de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dan ook enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak. De rechter mag bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
  6. Het bestreden arrest grondt de handhaving van de voorlopige hechtenis op de overwegingen dat de in het bevel tot aanhouding van 21 oktober 2021 vermelde ernstige aanwijzingen van schuld nog steeds bestaan en dat de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de eiser, die in het bevel tot aanhouding van 21 oktober 2021 en in de beroepen beschikking van 19 augustus 2022 zijn vermeld, omstandigheden uitmaken die nog steeds bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser volstrekt noodzakelijk is. De arresten van 9 mei 2022 en van 26 juli 2022 die hebben beslist tot de handhaving van de voorlopige hechtenis zijn op identieke wijze gemotiveerd in die zin dat ze telkens enkel verwijzen naar de redenen van het bevel tot aanhouding en de redenen van de beroepen beschikkingen.
  7. Daaruit volgt dat na een vrijheidsberoving van meer dan tien maanden de hechtenis van de eiser wordt gehandhaafd met als enige motivering de overname van redenen die werden aangenomen door de onderzoeksrechter bij de aanvang van de voorlopige hechtenis en van de redenen vermeld in voorafgaande beslissingen, zonder enig concreet verband met de feitelijke gegevens van de zaak en de elementen betreffende eisers persoonlijkheid zoals die uit het onderzoek blijken op het tijdstip van het arrest. Een dergelijke handhavingsbeslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre het eisers hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier zesden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 151,75 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 13 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201014.2F.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.