) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit artikel 61bis, § 1, 2°, Wegverkeerswet, dat bepaalt dat de in artikel 59, § 1, Wegverkeerswet bedoelde overheidspersonen de in paragraaf 2 bepaalde test voor het detecteren van stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden als bedoeld in artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet kunnen opleggen onder meer aan ieder die op een openbare plaats een voertuig bestuurt, volgt dat personeelsleden van het operationeel kader van de federale
lokale politie autonoom kunnen beslissen de door artikel 61bis, § 2, Wegverkeerswet bedoelde test op te leggen aan iedereen die op een openbare plaats een voertuig bestuurt, zonder dat het van belang is of het opleggen van deze test gebeurde naar aanleiding van een al dan niet nader bepaalde verkeersovertreding
of voor die verkeersovertreding een strafvervolging werd ingesteld. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 61 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 37bis, § 1, 1°, 61bis, § 1, 2°,
,
59, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 37bis, § 1, 1°, 61bis, § 1, 2°,
,
59, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 37bis, § 1, 1°, 61bis, § 1, 2°,
,
59, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Artt. 37bis, § 1, 1°, 61bis, § 1, 2°,
,
59, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0481.N G H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 15 maart
artikel 154, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat het proces-verbaal
de vaststellingen van een verkeersinbreuk louter politionele inlichtingen betreffen, miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van het proces-verbaal van 29 juli 2017; hoewel uit politionele inlichtingen aanwijzingen van een gepleegd misdrijf kunnen voortvloeien, betreffen dergelijke inlichtingen geenszins effectief vastgestelde misdrijven; door te verwijzen naar politionele inlichtingen vindt het oordeel van het bestreden vonnis geen steun in een feit of akte
schendt het aldus ook artikel 149 Grondwet
artikel 154, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 8
28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering
artikel 15 Wet Politieambt, alsmede miskenning van het verbod op proactieve recherche zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de procureur des Koning
van de nietigheid van onregelmatig verkregen bewijselementen wanneer het gebruik ervan strijdig is met het recht op een eerlijk proces. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat de verbalisanten de informatie welke heeft geleid tot de vervolging van de eiser op regelmatige wijze hebben verkregen; zij baseren zich immers op een niet nader geïdentificeerde maar beweerdelijk vastgestelde verkeersinbreuk waarvoor de eiser niet werd vervolgd
waarvoor evenmin een afzonderlijk proces-verbaal werd opgesteld door diezelfde verbalisanten. Het tweede onderdeel van het tweede middel voert aan dat eisers recht op een eerlijk proces wordt miskend doordat hij twee jaar na de feiten voor het eerst wordt geconfronteerd met de vastgestelde verkeersinbreuk, die een vermeende sportieve rijstijl zou betreffen; de verbalisanten hebben de eiser staande gehouden naar aanleiding van de vaststelling van dit aanvankelijk misdrijf zonder de bedoeling te hebben gehad de eiser hiervoor te laten vervolgen; het louter verzamelen van inlichtingen zonder dat die zijn gericht op een latere vervolging is niet aanvaardbaar; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat gelet op het regelmatig verkregen bewijs er geen sprake is van een niet-ontvankelijke strafvordering, nietigheid van het onderzoek of het uit het debat weren van die inlichtingen. 2. Artikel 61bis, § 1, 2°, Wegverkeerswet bepaalt dat de in artikel 59, § 1, Wegverkeerswet bedoelde overheidspersonen de in paragraaf 2 bepaalde test voor het detecteren van stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden als bedoeld in artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet kunnen opleggen onder meer aan ieder die op een openbare plaats een voertuig bestuurt. 3. Daaruit volgt dat personeelsleden van het operationeel kader van de federale
lokale politie autonoom kunnen beslissen de door artikel 61bis, § 2, Wegverkeerswet bedoelde test op te leggen aan iedereen die op een openbare plaats een voertuig bestuurt, zonder dat het van belang is of het opleggen van deze test gebeurde naar aanleiding van een al dan niet nader bepaalde verkeersovertreding
of voor die verkeersovertreding een strafvervolging werd ingesteld. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 4. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat politie-inspecteurs naar aanleiding van een niet nader gespecificeerde verkeersovertreding de eiser, die bestuurder was van een voertuig Mercedes, hebben onderworpen aan een door artikel 61bis, § 2, Wegverkeerswet bedoelde test. De appelrechters kunnen dan ook wettig oordelen dat er geen sprake is van
ige onregelmatige bewijsverkrijging, nietigheid of onontvankelijkheid van de strafvordering. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. 5. Voor het overige zijn de middelen gericht tegen overtollige redenen, kunnen ze niet tot cassatie leiden
zijn ze bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen
de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis
Sidney Berneman,
in openbare rechtszitting van 13 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.