← België

H. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.2 Rolnummer: C.21.0390.N Zaak: H. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 1242 - laatst gezien 2026-06-16 17:12 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De appelrechter die vaststelt dat de strijdigheid van een wet met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM wordt aangevoerd en hierover geen prejudiciële vraag stelt aan het Grondwettelijk Hof, zonder na te gaan of titel II Grondwet een met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM analoge of gedeeltelijk analoge bepaling bevat en zonder na te gaan of een in voormeld artikel 26, § 4, tweede lid, bepaalde uitzondering op de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag voorhanden is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Aangevoerde strijdigheid van een wet met artikel 1 EAP EVRM - Taak van de rechter - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Aangevoerde strijdigheid van een wet met artikel 1 EAP EVRM - Taak van de rechter - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2022, nr. 471, p. 834-

  1. - SOUVERIJNS, Tim; Noot'Verplichting rechter in geval van samenloop van grondrechten' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0390.N M. H., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen P. B., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 mei
  2. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel
  3. Krachtens artikel 26, § 4, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof dient, wanneer voor een rechtscollege de schending wordt opgeworpen door een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel van een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, dit rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II Grondwet. Indien voor het rechtscollege slechts de schending van de bepaling van Europees of internationaal recht wordt opgeworpen, dient het rechtscollege, zelfs ambtshalve, na te gaan of titel II Grondwet een geheel of gedeeltelijk analoge bepaling bevat. Krachtens artikel 26, § 4, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof geldt, in afwijking van het eerste lid, de verplichting een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet: 1° in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3; 2° wanneer het rechtscollege oordeelt dat de bepaling uit titel II Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden is; 3° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van een internationaal rechtscollege blijkt dat de bepaling uit het Europees of internationaal recht klaarblijkelijk geschonden is; 4° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de bepaling uit titel II Grondwet klaarblijkelijk geschonden is.
  4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres meent dat de interpretatie dat een testament niet met de computer zou mogen worden geschreven een schending uitmaakt van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM; - de eiseres op geen enkel ogenblik stelt dat artikel 970 Oud Burgerlijk Wetboek op zich een dergelijke schending zou inhouden; - zij het enkel heeft over een bepaalde interpretatie van dit artikel; - er zodoende geen grond voorhanden is om over te gaan tot het stellen van een prejudiciële vraag, en dit evenmin door de eiseres wordt verzocht; - vereisen dat een testament het eigenhandig geschrift betreft van de testator betreft, zonder gebruik van mechanische hulpmiddelen, de testeervrijheid niet uitsluit en evenmin een bijzondere last doet wegen op de testator waardoor het billijke evenwicht zou worden verbroken tussen het algemeen belang en de testeervrijheid.
  5. De appelrechter die aldus vaststelt dat de eiseres de strijdigheid van artikel 970 Oud Burgerlijk Wetboek met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM aanvoert en hierover geen prejudiciële vraag stelt aan het Grondwettelijk Hof, zonder na te gaan of titel II Grondwet een met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM analoge of gedeeltelijk analoge bepaling bevat en zonder na te gaan of een in voormeld artikel 26, § 4, tweede lid, bepaalde uitzondering op de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag voorhanden is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 16 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.