id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.5 Rolnummer: C.21.0544.N Zaak: D. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 1760 - laatst gezien 2026-06-15 14:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Bij het bepalen van de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen, moet de rechter rekening houden met de middelen waarover zij werkelijk kunnen beschikken na verrekening van de redelijkerwijze onvermijdelijke lasten
(1).
(1)Zie Cass 11 maart 2010, AR C.09.0109.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.5, AC 2010, nr.
- Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD Vrije woorden: Bijdrage van de ouders in de kosten van de kinderen - Omvang - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 203, §§ 1 en 2, en 203bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Waar in de regel enkel betwiste feiten moeten worden bewezen, mag de rechter, behoudens in geval van een procedureakkoord, niet-betwiste feiten ambtshalve in twijfel trekken; Indien de uitspraak zou indruisen tegen een wetsbepaling van openbare orde, laat een procedureakkoord de vrijheid van de rechter onverlet. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Niet-betwiste feiten - Procedureakkoord - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.3, eerste lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2023, nr. 485, p. 556-
- - VANDENBUSSCHE, Wannes; Noot'Het in twijfel trekken van niet-betwiste feiten door de rechter' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0544.N J. D. C. D. C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen K. B., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 april
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 203, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. Artikel 203, § 2, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat met middelen onder andere wordt bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen. Artikel 203bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke ouder bijdraagt in de kosten die voortvloeien uit de bij artikel 203, § 1, bepaalde verplichting, in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen.
- Bij het bepalen van de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen, moet de rechter rekening houden met de middelen waarover zij werkelijk kunnen beschikken na verrekening van de redelijkerwijze onvermijdelijke lasten.
- De appelrechter die van de bruto-vergoeding van de verweerster als parlementslid de partijbijdrage aftrekt omdat blijkt dat die bijdrage effectief van de bruto-vergoeding wordt afgehouden en zodoende geen actueel inkomen van de verweerster vormt, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 203, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. Deze onderhoudsverplichting raakt de openbare orde.
- Artikel 203, § 2, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat met middelen onder andere wordt bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen. Artikel 203bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke ouder bijdraagt in de kosten die voortvloeien uit de bij artikel 203, § 1, bepaalde verplichting, in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen.
- Artikel 1321, § 1, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat elke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van artikel 203, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, de aard en het bedrag van de middelen van elk van de ouders door de familierechtbank in acht genomen op grond van artikel 203, § 2, Oud Burgerlijk Wetboek vermeldt. Artikel 1321, § 2, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de familierechtbank of, in voorkomend geval, de overeenkomst, voor de bestanddelen die in aanmerking worden genomen met toepassing van § 1, tweede lid, verduidelijkt op welke manier de in paragraaf 1 bedoelde elementen in acht werden genomen.
- Artikel 8.3, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat feiten of rechtshandelingen moeten worden bewezen wanneer ze aangevoerd en betwist zijn, behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt. Artikel 870 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, onverminderd artikel 8.7, vijfde lid, Burgerlijk Wetboek, iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert.
- In de regel moeten enkel betwiste feiten worden bewezen. Behoudens in geval van een procedureakkoord mag de rechter niet-betwiste feiten ambtshalve in twijfel trekken. Indien de uitspraak zou indruisen tegen een wetsbepaling van openbare orde, laat een procedureakkoord de vrijheid van de rechter onverlet.
- In zijn appelconclusie voerde de eiser aan dat de verweerster op jaarbasis een bedrag van 12.420 euro aan interest uit kapitalen haalde. In haar appelconclusie heeft de verweerster deze aanvoering niet betwist.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser de inkomsten van de verweerster, met inbegrip van inkomsten als makelaar en inkomsten uit kapitaal, raamt op ongeveer 11.345 euro per maand; - de verweerster netto per maand afgerond 5.200 euro ontvangt, bestaande uit een netto-vergoeding als parlementslid, verhoogd met verplaatsingskosten, een forfaitaire onkostenvergoeding, het netto vakantiegeld en de netto eindejaarspremie; - de verweerster daarnaast maandelijks 500 euro voordelen uit een vennootschap kan genereren; - er geen bewijs is dat de verweerster nog andere inkomsten heeft; - het gemiddelde netto-inkomen van de verweerster kan worden geraamd op 6.000 euro per maand, rekening houdend met een belastingteruggave ingevolge het fiscale voordeel voor de kinderen ten laste.
- Met de reden dat er geen bewijs is dat de verweerster nog andere inkomsten heeft, verwerpt en beantwoordt de appelrechter voormeld middel van de eiser. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet en artikel 1321, § 1, 1°, en § 2, Gerechtelijk Wetboek, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Met de reden dat er geen bewijs is dat de verweerster nog andere inkomsten heeft, trekt de appelrechter ambtshalve, in een zaak die de openbare orde raakt, een door de partijen niet-betwist feit in twijfel om te verhinderen dat de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen, niet naar evenredigheid van hun middelen wordt bepaald. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 203, § 1 en § 2, en 203bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 8.3, eerste lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek kan het niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het oordeelt over de bijdrage van de ouders in de gewone kosten voor hun kinderen in de periode vanaf mei tot en met augustus 2020, de verdeling van het groeipakket in diezelfde periode en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 476,26 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 16 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div