id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9 Rolnummer: C.21.0405.N Zaak: D. contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 1601 - laatst gezien 2026-06-19 03:43 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220916.1N.9 Fiches 1 - 2 De rechter die een voorafgaande maatregel beveelt, hetzij om de vordering te onderzoeken hetzij om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, neemt een beslissing alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij erover debat gevoerd, en dit ongeacht of de betwisting die over de gevorderde voorafgaande maatregel werd gevoerd betrekking heeft op de noodzakelijkheid of de opportuniteit dan wel op de wettigheid of de toelaatbaarheid van deze maatregel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting - Aard van de betwisting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, en 1050, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting - Aard van de betwisting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, en 1050, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 16, p. 1199-
- - SONCK, Stefaan; Noot'Het Hof van Cassatie verfijnt zijn rechtspraak over het hoger beroep tegen beslissingen op grond van artikel 19, derde lid Ger. W.' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0405.N J. D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen A. G., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 november
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 18 augustus 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis een eindvonnis is voor zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de bij wet bepaalde rechtsmiddelen. Artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, alvorens recht te spreken, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.
- Artikel 1050, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te spreken slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.
- Met ‘eindvonnis’ in de zin van artikel 19, eerste lid, en artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek doelt de wetgever op een eindbeslissing waarmee de rechter een geschilpunt definitief beslecht, zodat hij zijn rechtsmacht over dat punt uitput.
- Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat de rechter die een voorafgaande maatregel beveelt, hetzij om de vordering te onderzoeken hetzij om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, een beslissing neemt alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij erover debat gevoerd. Dit geldt ongeacht of de betwisting die over de gevorderde voorafgaande maatregel werd gevoerd betrekking heeft op de noodzakelijkheid of de opportuniteit dan wel op de wettigheid of de toelaatbaarheid van deze maatregel.
- Wanneer de rechter de voorgelegde bewijselementen onvoldoende acht om de vordering in te willigen of af te wijzen en een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken, beoordeelt hij de noodzaak of de opportuniteit van deze maatregel en is zijn beslissing een beslissing alvorens recht te spreken.
- Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de rechter die een voorafgaande onderzoeksmaatregel beveelt waarover tussen de partijen betwisting bestond, een geschilpunt in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek beslecht en zodoende een eindbeslissing neemt waartegen onmiddellijk hoger beroep openstaat, indien de betwisting de toelaatbaarheid van de maatregel als bewijsmiddel of de bewijswaarde ervan betreft, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 495,39 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 16 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220916.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260416.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div