id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 152
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 172
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 209bis
, zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verzoek om conclusietermijnen op de inleidingszitting door een partij die nog geen conclusie heeft neergelegd - Doel van de regeling van conclusietermijnen - Verplichting van de rechter in hoger beroep - Recht van elke partij op conclusietermijnen - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 152
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 172
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 209bis
, zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Verzoek om conclusietermijnen op de inleidingszitting door een partij die nog geen conclusie heeft neergelegd - Doel van de regeling van conclusietermijnen - Verplichting van de rechter in hoger beroep - Recht van elke partij op conclusietermijnen - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 152
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 172
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 209bis
, zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 6 Het staat aan de rechter te oordelen of er omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat conclusietermijnen worden bepaald; hij kan daarbij de volgende criteria in aanmerking nemen: het tijdsverloop tussen de betekening van de dagvaarding en de inleidende rechtszitting, of in hoger beroep het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep door een partij en de inleidende rechtszitting, waardoor de partijen in de gelegenheid waren hun verdediging afdoende voor te bereiden; het gegeven dat de partij in eerste aanleg reeds door eenzelfde raadsman werd bijgestaan; het weinig complex karakter van de te beoordelen zaak; de verjaring van de strafvordering; de verplichting een overschrijding of een verdere overschrijding van de redelijke termijn te vermijden; de hechtenistoestand van één of meerdere beklaagden; de lijst van deze criteria is niet beperkend
(1); de rechter is niet verplicht om bij het nemen van zijn beslissing alle voormelde criteria in aanmerking te nemen; de rechter dient steeds met verwijzing naar de omstandigheden eigen aan de zaak aan te geven waarom het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat de gevraagde conclusietermijnen worden toegekend; de afwijzing van de vraag om conclusietermijnen vereist niet dat de rechter vaststelt dat het verzoek misbruik van rechtspleging inhoudt of dat die vraag het recht van de andere partijen op onrechtmatige wijze benadeelt; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Het Hof heeft reeds criteria aangereikt voor de strafrechter om een vraag tot uitstel van de zaak wegens het indienen van conclusies in te willigen of af te wijzen (Cass. 7 november 2017, AR P.17.0127.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.4, AC 2017, nr. 617; NC 2018, 121 noot P. THIRIAR, RABG 2018, 486 noot C. VAN DE HEYNING). Het huidig arrest voegt aan deze lijst als criterium toe “het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep door een partij en de inleidende rechtszitting” (BDS). Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Verzoek om conclusietermijnen op de inleidingszitting door een partij die nog geen conclusie heeft neergelegd - Verplichting van de rechter in hoger beroep - Afwijzing van het uitstel van de zaak voor het indienen van conclusies - Criteria - Beoordeling - Controle op de motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 152
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 172
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 209bis
, zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verzoek om conclusietermijnen op de inleidingszitting door een partij die nog geen conclusie heeft neergelegd - Verplichting van de rechter in hoger beroep - Afwijzing van het uitstel van de zaak voor het indienen van conclusies - Criteria - Beoordeling - Controle op de motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 152
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 172
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 209bis
, zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Verzoek om conclusietermijnen op de inleidingszitting door een partij die nog geen conclusie heeft neergelegd - Verplichting van de rechter in hoger beroep - Afwijzing van het uitstel van de zaak voor het indienen van conclusies - Criteria - Beoordeling - Controle op de motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 152
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 172
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 209bis, zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.1015.N S H S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Fouad Marchouh, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3600 Genk, Hoogstraat 60/0.1, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctioneel rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 22 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de strafvordering voor het feit van de telastlegging C is vervallen door verjaring. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben ten onrechte geweigerd aan de eiser een conclusietermijn toe te kennen; er werd geen rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de betekening van de dagvaarding in hoger beroep en de rechtszitting in hoger beroep, maar wel met de datum van het instellen van het hoger beroep; anders dan de appelrechters aannemen is het debat over de strafmaat wel complex; de toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering zou de redelijke termijn niet in het gedrang hebben gebracht of hield geen misbruik van rechtspleging in noch zou dit het recht van het openbaar ministerie als procespartij op een onrechtmatige wijze hebben benadeeld; de weigering een conclusietermijn te verlenen miskent eisers recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces, want de stukken die de eiser wenste bij te brengen hadden betrekking op de feiten van de telastleggingen A en B.
- Artikel 152, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd, op de inleidingszitting kunnen vragen om conclusietermijnen te bepalen. In dat geval legt de rechter de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en bepaalt hij de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de rechtszitting. Uit de artikelen 172, tweede lid, en artikel 209bis, zevende lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat die regeling ook van toepassing is op de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep.
- Met deze regeling wil de wetgever een efficiënter beheer van de zittingen realiseren. Het is evenwel niet de bedoeling om voor de partijen een recht op uitstel te creëren. Indien de vraag om uitstel geen verband houdt met de wijze waarop de partijen hun argumenten schriftelijk aan de rechter en aan de tegenpartijen willen ter kennis brengen, biedt artikel 152 Wetboek van Strafvordering geen grondslag voor een dergelijk verzoek. In zoverre het middel uit artikel 152 Wetboek van Strafvordering een recht op uitstel afleidt teneinde alsnog stukken bij het dossier van de rechtspleging te kunnen laten voegen, faalt het naar recht.
- Uit de tekst van de vermelde bepaling, de doelstelling van de wetgever en de algemene economie van de regeling volgt dat de rechter in de regel dient in te gaan op het op de inleidingszitting geformuleerde verzoek van een partij, die nog geen conclusies heeft neergelegd, om conclusietermijnen te bepalen.
- Die partij heeft evenwel geen absoluut recht op conclusietermijnen.
- Het staat aan de rechter te oordelen of er omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat conclusietermijnen worden bepaald. Hij kan daarbij de volgende criteria in aanmerking nemen: het tijdsverloop tussen de betekening van de dagvaarding en de inleidende rechtszitting, of in hoger beroep het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep door een partij en de inleidende rechtszitting, waardoor de partijen in de gelegenheid waren hun verdediging afdoende voor te bereiden; het gegeven dat de partij in eerste aanleg reeds door eenzelfde raadsman werd bijgestaan; het weinig complex karakter van de te beoordelen zaak; de verjaring van de strafvordering; de verplichting een overschrijding of een verdere overschrijding van de redelijke termijn te vermijden; de hechtenistoestand van één of meerdere beklaagden. De lijst van deze criteria is niet beperkend.
- De rechter is niet verplicht om bij het nemen van zijn beslissing alle voormelde criteria in aanmerking te nemen
- De rechter dient steeds met verwijzing naar de omstandigheden eigen aan de zaak aan te geven waarom het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat de gevraagde conclusietermijnen worden toegekend.
- De afwijzing van de vraag om conclusietermijnen vereist niet dat de rechter vaststelt dat het verzoek misbruik van rechtspleging inhoudt of dat die vraag het recht van de andere partijen op onrechtmatige wijze benadeelt.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de raadsman van de eiser hield op de rechtszitting van 25 mei 2022 voor dat de zaak niet in staat van wijzen was omdat hij nog niet beschikte over de nodige bewijsstukken om de verbetering-begeleiding van de eiser aan te tonen; - hij verzocht de rechtbank om bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen te verlenen en een rechtsdag te bepalen; - de raadsman van de eiser vertegenwoordigde de eiser reeds in eerste aanleg; - het hoger beroep werd door de raadsman van de eiser ingesteld op 21 december 2021 en de inleidingszitting vond plaats op 25 mei 2022, zodat de eiser in de gelegenheid was zijn verdediging voor te bereiden; - het hoger beroep van de eiser had enkel betrekking op de strafmaat, zodat de te beoordelen zaak weinig complex was. De appelrechters konden op grond van die redenen wettig beslissen aan de eiser geen conclusietermijnen toe te kennen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel schending van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet afleidt uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschending, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div