← België

F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.2 Rolnummer: P.22.0508.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-22 Raadplegingen: 1034 - laatst gezien 2026-06-19 02:53 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220920.2N.2 Fiches 1 - 2 Uit de artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen volgt dat het appelgerecht, behoudens overmacht, in beginsel verplicht is om het hoger beroep van een gedetineerde beklaagde die heeft nagelaten tijdig hoger beroep in te stellen, vervallen te verklaren; uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, volgt evenwel dat het appelgerecht die vervallenverklaring enkel mag uitspreken indien het redelijkerwijze kan aannemen dat een gedetineerde beklaagde, die zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om dit hoger beroep binnen de termijn van dertig dagen na de op tegenspraak gewezen beslissing, in te stellen; indien de gedetineerde beklaagde op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep of tijdens de in artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn wordt bijgestaan door een raadsman, kan er redelijkerwijze worden aangenomen dat die raadsman hem ter zake correct heeft voorgelicht; het gegeven dat deze raadsman het instellen van hoger beroep afraadt of nadien beslist geen bijstand meer te verlenen, doet niet anders besluiten; het appelgerecht oordeelt onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak of de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig hoger beroep in te stellen; het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Strafzaken - Principaal beroep - Termijn - Aangehouden beklaagde - Laattijdig hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Informatie over de termijn van hoger beroep door de vorige raadsman van de appellant - Overmacht - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Aangehouden beklaagde - Laattijdig hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Informatie over de termijn van hoger beroep door de vorige raadsman van de appellant - Overmacht - Recht op toegang tot de rechter - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0508.N L R M F, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 maart
  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 24 augustus 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 20 september 2022 heeft raadsheer Ilse Couwenberg verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 203 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijke rechtsbedeling en het recht op toegang tot de rechter.
  3. Het middel verduidelijkt in geen van zijn onderdelen hoe en waarom het arrest de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel in zijn beide onderdelen onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte het hoger beroep van de eiseres onontvankelijk verklaart wegens laattijdigheid en oordeelt dat zij zich hierbij niet kan beroepen op overmacht; de eiseres had op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep geen bijstand van een raadsman en was niet in staat om dit zelf op een correcte wijze te doen; zij werd in de steek gelaten door haar raadsman, die haar in de waan had gelaten het nodige te doen; ten onrechte werd haar dan ook het recht op een juridische bijstand ontzegd.
  5. Op grond van artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de uitspraak van een op tegenspraak gewezen vonnis. Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen kunnen in de gevangenis opgesloten personen de verklaringen van hoger beroep in strafzaken doen aan de directeur van de instelling of zijn gemachtigde.
  6. Uit die bepalingen volgt dat het appelgerecht, behoudens overmacht, in beginsel verplicht is om het hoger beroep van een gedetineerde beklaagde die heeft nagelaten tijdig hoger beroep in te stellen, vervallen te verklaren.
  7. Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, volgt evenwel dat het appelgerecht die vervallenverklaring enkel mag uitspreken indien het redelijkerwijze kan aannemen dat een gedetineerde beklaagde, die zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om dit hoger beroep binnen de termijn van dertig dagen na de op tegenspraak gewezen beslissing, in te stellen.
  8. Indien de gedetineerde beklaagde op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep of tijdens de in artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn wordt bijgestaan door een raadsman, kan er redelijkerwijze worden aangenomen dat die raadsman hem ter zake correct heeft voorgelicht. Het gegeven dat deze raadsman het instellen van hoger beroep afraadt of nadien beslist geen bijstand meer te verlenen, doet niet anders besluiten.
  9. Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak of de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig hoger beroep in te stellen. Het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  10. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. De appelrechters oordelen dat: - de eiseres op 22 augustus 2021 tegen het beroepen vonnis van 15 juli 2021 een verklaring van hoger beroep heeft gedaan op de griffie van de gevangenis te Brugge; - de eiseres aldus wist op welke wijze zij hoger beroep diende aan te tekenen vanuit de gevangenis; - de eiseres ook door haar toenmalige raadsman bij brief van 15 juli 2021 werd ingelicht over de wijze waarop zij een ontvankelijk hoger beroep diende aan te tekenen; tevens werd er in dit schrijven uitdrukkelijk op gewezen dat “de termijn waarbinnen u hoger beroep moet aantekenen verstrijkt op 16 augustus 2021”; - de eiseres, die aldus in duidelijke bewoordingen werd geïnformeerd dat zijzelf uiterlijk op 16 augustus 2021 hoger beroep diende aan te tekenen, zich niet op overmacht kan beroepen om haar laattijdig aangetekend hoger beroep toch ontvankelijk te horen verklaren.
  12. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiseres op de hoogte was van de verplichting om tijdig, met name binnen de dertig dagen na het beroepen vonnis, hoger beroep in te stellen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert aan dat het openbaar ministerie niet bewijst dat zij, via de gevangenisdirectie, de eiseres voldoende heeft gewezen op de mogelijkheid om en de wijze waarop hoger beroep in te stellen tegen het beroepen vonnis; de betekeningakte van een vonnis dient nochtans informatie over de beschikbare rechtsmiddelen te bevatten.
  14. In zoverre het onderdeel is gericht tegen het optreden van het openbaar ministerie en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220920.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.