← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.21 Rolnummer: P.22.0502.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-27 Raadplegingen: 614 - laatst gezien 2026-06-16 02:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De vermelding in het arrest dat met eenparigheid van stemmen een van de opgelegde straffen wordt verhoogd, houdt in dat de appelrechters met eenparige stemmen hebben beslist tot de gehele uitgesproken straf

(1).
(1)Cass. 5 oktober 1993, AR 6334, AC 1993, nr. 394; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hoger beroep door het openbaar ministerie - Vermelding van de eenparigheid van stemmen - Draagwijdte ten aanzien van bijkomende straffen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Hoger beroep door het openbaar ministerie - Vermelding van de eenparigheid van stemmen - Draagwijdte ten aanzien van bijkomende straffen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0502.N T L M V, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie voerde de eiser aan dat de redelijke termijn was overschreden; hij wees hierbij op het gegeven dat slechts twee maanden na zijn eerste verhoor op 21 juni 2021 een gerechtsdeskundige werd aangesteld, zodat het vooronderzoek maanden langer heeft geduurd dan nodig; het arrest, dat de redelijke termijn enkel beoordeelt in de periode tussen de beschikking tot mededeling van 22 oktober 2021 en de arrestdatum, laat dit verweer onbeantwoord.
  4. Na te hebben vastgesteld dat de redelijke termijn een aanvang nam op 21 juni 2021, met name de datum waarop de eiser voor het eerst werd verhoord en verontrust over een mogelijk strafrechtelijk gevolg, oordelen de appelrechters dat het strafonderzoek en het procesverloop een normale voortgang hebben gekend. Aldus houden de appelrechters bij dit oordeel wel degelijk rekening met de periode voorafgaand aan de beschikking tot mededeling. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden; de gerechtsdeskundige is laattijdig aangesteld waardoor eisers voorhechtenis twee maanden langer heeft geduurd dan nodig.
  6. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  7. Of de redelijke termijn is overschreden, moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene. Bij de beoordeling van de aanvoering dat de redelijke termijn is overschreden, moet de rechter rekening houden met de procedure in haar geheel. Een eventuele vertraging in een bepaalde fase van de procedure verplicht hem dan ook niet noodzakelijk tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Met verwijzing naar het tijdsverloop tussen 21 juni 2021 en 23 maart 2022 oordelen de appelrechters dat er geen periodes zijn waarbij het strafonderzoek en de behandeling van de zaak voor de correctionele rechtbank en hof van beroep, onredelijk lang geen voortgang heeft gekend. Deze beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: de appelrechters ontzetten de eiser uit de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek bepaalde rechten voor een termijn van 10 jaar; aldus verzwaren zij eisers toestand ten opzichte van het beroepen vonnis dat de eiser voor een termijn van vijf jaar uit deze rechten heeft ontzet, zonder vast te stellen dat deze beslissing met eenparigheid van stemmen werd genomen.
  10. De vermelding in het arrest dat met eenparigheid van stemmen een van de opgelegde straffen wordt verhoogd, houdt in dat de appelrechters met eenparige stemmen hebben beslist tot de gehele uitgesproken straf. In zoverre faalt het middel naar recht.
  11. Het arrest bevestigt de door de eerste rechter uitgesproken gevangenisstraf, ontzet de eiser uit de rechten bepaald in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek voor een termijn van 10 jaar en stelt, met eenparigheid van stemmen, de eiser ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank voor een termijn van 10 jaar. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  13. Gelet op de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over de onmiddellijke aanhouding van de eiser het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.