← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Rechtshulpverzoek waarin wordt aangegeven dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf waarvoor hij wordt vervolgd - Effect van deze bewoordingen op de toelaatbaarheid van het bewijs bekomen bij uitvoering van het rechtshulpverzoek en het daaropvolgend bewijs - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Strafzaken - Opsporingsonderzoek - Vermoeden van onschuld - Rechtshulpverzoek waarin wordt aangegeven dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf waarvoor hij wordt vervolgd - Effect van deze bewoordingen op de toelaatbaarheid van het bewijs bekomen bij uitvoering van het rechtshulpverzoek en het daaropvolgend bewijs - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.0879.N I J V M, minderjarige, eiser, met als raadsman mr. Christophe Saveyn, advocaat bij de balie Oudenaarde, II W G, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent, beide cassatieberoepen tegen

  1. D V D B, burgerlijke partij,
  2. N V D, burgerlijke partij,
  3. G V, burgerlijke partij,
  4. M V M, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, van 30 mei
  5. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres II voert geen middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  6. Overeenkomstig artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering moet de partij die het cassatieberoep instelt, dit laten betekenen aan de partij tegen wie het is gericht. Een burgerrechtelijk aansprakelijke partij is geen vervolgde partij in de zin van die bepaling. Het arrest verklaart de eiseres II burgerrechtelijk aansprakelijk voor de kosten van de strafvordering die ten laste van de eiser I zijn gelegd en voor de veroordelingen van de eiser I op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders. Het cassatieberoep II is gericht tegen alle beslissingen de eiseres II betreffende. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres II haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht noch aan de verweerders. Het cassatieberoep II is bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces: het arrest stelt vast dat de bewoordingen die de procureur des Konings heeft gebruikt in een verzoek aan Nederland om de eiser I te verhoren, een miskenning van het vermoeden van onschuld inhouden; met het oordeel evenwel dat deze miskenning niet eisers recht op een eerlijk proces in zijn geheel op onherstelbare wijze in het gedrang heeft gebracht, is het arrest niet naar recht verantwoord; de vastgestelde miskenning als gevolg van een gegeven opdracht tot bewijsverkrijging geldt voor de gehele duur van het strafproces, ongeacht de uitkomst ervan; dat het verhoor zelf zonder enige vooringenomenheid werd uitgevoerd en dat de eiser I daarbij als minderjarige de bijstand had van een advocaat, is, net zo min als het inlichten van zijn ouders, relevant; bij gebrek aan kennisneming van het lopende onderzoek op dat ogenblik was ook de kans om aan de verhoorder bijkomend onderzoek te vragen, niet betekenisvol.
  8. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie in een rechtshulpverzoek bewoordingen gebruikt waarmee de te onderzoeken feiten reeds als zeker en vaststaand worden voorgesteld en zodoende het vermoeden van onschuld van een verdachte wordt miskend, heeft niet tot gevolg dat de vonnisrechter noodzakelijk moet vaststellen dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces daardoor op onherstelbare wijze in het gedrang is gebracht.
  9. Het staat aan de vonnisrechter onaantastbaar te oordelen of een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd nog mogelijk is, waarbij hij rekening kan houden met onder meer de doorslaggevende impact van de gedraging van het openbaar ministerie op de kwaliteit van de bewijsgaring in de loop van het gehele onderzoek, de betrouwbaarheid van de uit het rechtshulpverzoek verkregen resultaten en de mogelijkheden die de verdachte nog heeft om tegenover een onpartijdige rechter effectieve tegenspraak te voeren tegen de lastens hem ingebrachte betichtingen, met inbegrip van de resultaten van het rechtshulpverzoek.
  10. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest (p. 7-8) oordeelt: “Het hof (van beroep) stelt (…) vast dat de bewuste bewoordingen die gebruikt werden in het Europees onderzoeksbevel wel degelijk een bepaalde schending van het vermoeden van onschuld inhouden, zoals opgenomen in artikel 6.2 EVRM, dit gezien [de eiser I] in het verzoek om wederzijdse hulp aan de Nederlandse autoriteiten reeds wordt omschreven als effectieve dader. Het hof (van beroep) sluit zich echter aan bij de eerste rechter, die volkomen terecht heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat het vermoeden van onschuld wordt miskend in het Europees onderzoeksbevel in casu niet het recht op een eerlijk proces in zijn geheel in gedrang heeft gebracht. Na grondige nalezing van de processen-verbaal in dit dossier, stelt het hof (van beroep) vast dat [de eiser I] op 15 november 2017 wel degelijk op een correcte wijze verhoord is geweest door de Nederlandse politie waarbij er meermaals melding werd gemaakt aan [de eiser I] dat hij ‘verdacht werd’ van de hem ten laste gelegde feiten. Het hof (van beroep) merkt ook op dat er aan [de eiser I] de kans werd gegeven om bijkomend onderzoek te vragen, meer bepaald het horen van andere minderjarigen, dit met de volgende stelling van de verhoorder ‘als je denkt dat die of die ook gehoord moet worden dan mag je dat aangeven’. Daarnaast werd [de eiser I] door de autoriteiten in Nederland voorafgaandelijk aan het verhoor op zijn rechten gewezen, had de minderjarige tijdens het verhoor bijstand van zijn advocaat en zijn de ouders ook op de hoogte gebracht van de aanhouding van hun zoon.” Met die redenen verantwoorden de appelrechters, zonder uit hun vaststellingen gevolgen af te leiden die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen, de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op eisers syntheseconclusie waarin hij aan de appelrechters de problematiek van artikel 136 Wetboek van Strafvordering en daaraan verwante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof over het gebrek aan een preventief rechtsmiddel voorlegt.
  14. De verplichting van artikel 149 Grondwet om elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op de argumenten die een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar die zelf geen zelfstandig verweer uitmaken.
  15. Met de in het middel vermelde appelconclusie heeft de eiser I geargumenteerd ter ondersteuning van zijn verweer dat het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging werden miskend door het vooringenomen optreden van de procureur des Konings in een opsporingsonderzoek dat hem niet de mogelijkheid heeft geboden om tussen te komen tijdens dat onderzoek. Het arrest (p. 7-8) beantwoordt dat verweer door onder meer het onderscheid aan te geven tussen een opsporingsonderzoek en een gerechtelijk onderzoek ten aanzien van minderjarige verdachten. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die louter werden aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, maar zelf geen zelfstandig verweer vormden. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers in appelconclusie aangevoerde verweer dat de redelijke termijn is overschreden en laat na nauwkeurig te vermelden of die overschrijding in overweging is genomen bij het bepalen van de opgelegde maatregel.
  17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I het in het middel bedoelde verweer voor de appelrechters heeft gevoerd. Het gevoerde verweer betrof enkel de lange duur van het opsporingsonderzoek en het gebrek aan inzage ervan zolang dat onderzoek lopende was. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  18. Het arrest oordeelt dat “de feiten inmiddels dateren van meer dan vijf jaar geleden”, maar zonder dat daarbij van een overschrijding van de redelijke termijn gewag wordt gemaakt. Aldus geeft het arrest aan bij de bepaling van de opgelegde maatregel weliswaar de anciënniteit van de feiten maar geen overschrijding van de redelijke termijn in acht te hebben genomen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 49 Jeugdbeschermingswet, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de aan de eiser I verweten feiten hebben een rechtstreeks verband met de dood van het slachtoffer; dit zijn zeer ernstige feiten die hadden moeten leiden tot de aanstelling van een onderzoeksrechter; daardoor werd geen onderzoek à décharge gevoerd en heeft de vooringenomenheid van het openbaar ministerie verhinderd dat de eiser I de proceswaarborgen van een onderzoeksrechter kon verkrijgen.
  20. Het middel is geheel gericht tegen de handelwijze van het openbaar ministerie tijdens het vooronderzoek en dus niet tegen het arrest. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser I en de eiseres II tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 152,41 euro, waarvan de eiser I 76,20 euro is verschuldigd en de eiseres II 76,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170919.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.