← België

BELGISCHE STAAT fod Financiën contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.12 Rolnummer: F.20.0112.N Zaak: BELGISCHE STAAT fod Financiën contra C. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-09-29 Raadplegingen: 2406 - laatst gezien 2026-06-19 04:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar hierbij desgevallend als beoordelingsfactor in rekening nemen de mate waarin het bestuur zelf gebonden was; dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Administratieve sanctie - Repressief karakter - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Administratieve sanctie - Repressief karakter - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Uit artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, dat aan de minister van Financiën een genaderecht verleent, volgt niet dat, bij ontstentenis van een bij de minister ingediend verzoek tot kwijtschelding, de rechter de bevoegdheden van de minister kan uitoefenen door louter naar opportuniteit te oordelen over de omvang of de kwijtschelding van de boete; dit staat evenwel niet eraan in de weg dat, wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de minister of zijn gemachtigde op grond van voormeld artikel 9 Regentbesluit, de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Fiscale geldboetes - Genaderecht van de Minister van Financiën - Rechterlijke milderingsbevoegdheid - Omvang Wettelijke bepalingen: RB nr. 78 van 18 maart 1831 - 18-03-1831 - Art. 9 - 01 ELI link Pub nr 1831031801 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2022, nr. 1763, p. 6-

  1. - DEBELVA, Filip; MUYSHONDT, Nancy; Noot'Cassatie: rechter beslist autonoom over vermindering BTW-boete' Fiscologue-Fiscologue - 2022, n° 1763, p. 6-
  2. - DEBELVA, Filip; MUYSHONDT, Nancy; Note'Cassation: le juge peut décider d'une diminution de l'amende TVA' BJS-Bulletin juridique social - 2022, n° 703, p.
  3. - ZEYEN, Gaëtan; Note'Le juge peut réduire les amendes TVA sur la base du principe de proportionnalité' Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2023, nr. 2, p. 4-
  4. - BRAY, Allison; VAN MALDER, Elien; Noot'Geen verzoek tot kwijtschelding btw-boetes vereist opdat rechter kan matigen' Tekst van de beslissing Nr. F.20.0112.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 106, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleesschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M. C., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 december
  5. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  6. Krachtens artikel 70, § 1, Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
  7. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Ook wanneer de rechter vaststelt dat het bestuur niet over enige beoordelingsvrijheid beschikt, doordat het verplicht was de wettelijk voorziene administratieve geldboete op te leggen, mag de rechter de evenredigheid van de wettelijk voorziene administratieve geldboete toetsen. De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar hierbij desgevallend als beoordelingsfactor in rekening nemen de mate waarin het bestuur zelf gebonden was. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
  8. Krachtens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van ’s lands middelen beschikt de minister op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter.
  9. Uit die bepaling, die aan de minister van Financiën een genaderecht verleent, volgt niet dat, bij ontstentenis van een bij de minister ingediend verzoek tot kwijtschelding, de rechter de bevoegdheden van de minister kan uitoefenen door louter naar opportuniteit te oordelen over de omvang of de kwijtschelding van de boete. Dit staat evenwel niet eraan in de weg dat, wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de minister of zijn gemachtigde op grond van voormeld artikel 9 Regentbesluit, de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen overeenkomstig de beginselen uiteengezet in randnummer
  10. Het onderdeel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  11. Krachtens artikel 70, § 1, Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
  12. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
  13. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - door de verweerster niet wordt betwist dat de btw op de in België binnengebrachte sigaretten niet werd betaald, de inbreuk aldus vaststaat en deze overtreding overeenkomstig artikel 70, § 1, Btw-wetboek in principe bestraft wordt met een administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de niet tijdig betaalde belasting; - de feiten gelinkt zijn aan de inbreuken, waarvoor onder meer de verweerster samen met een aantal andere verdachten strafrechtelijk werd veroordeeld en de verweerster toen veroordeeld werd tot een gevangenisstraf en een geldboete wegens het voorhanden hebben van sigaretten, niet bekleed met Belgische fiscale bandjes, en solidair met de andere beklaagden veroordeeld werd tot de accijns en de bijzondere accijns die hierop verschuldigd was; - toen reeds rekening werd gehouden met het blanco strafregister van de verweerster en bovendien uitstel van de tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf en van het grootste deel van de geldboete voor een termijn van drie jaar werd geacht van aard te zijn om haar verbetering te doen verhopen; - de verweerster reeds in december 2007 een voorstel deed aan de dienst invordering van de btw, teneinde de btw-schuld af te betalen en er aldus tot en met januari 2014 werd afbetaald aan 50,00 euro per maand, hetzij in totaal 2.400,00 euro; - het in de gegeven omstandigheden kennelijk onredelijk zou zijn om aan de verweerster de volledige boete van 200 pct. op te leggen, een boete van 50 pct. daarentegen niet onevenredig is met de ernst van de feiten en de gegeven omstandigheden en de boete dan ook tot 50 pct. wordt verminderd.
  14. Door aldus te oordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 487,37 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2024:ARR.20240513.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230302.1F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.