id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.3 Rolnummer: F.20.0165.N-F.20.0171.N-F.20.0172.N Zaak: DW HOLDING contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2022-09-29 Raadplegingen: 1610 - laatst gezien 2026-06-19 03:30 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.3 Fiche 1 Het Hof stelt dat eiseres belang heeft om tegen eindbeslissingen op te komen waarbij de appelrechters hun rechtsmacht over de desbetreffende geschilpunten uitputten, gelet op de tegen haar ingestelde vrijwaringsvordering
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Verrichting gesteld met oog op belastingvoordeel Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.20.0165.N DW HOLDING nv, met zetel te 8790 Waregem, Deerlijkseweg 22, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0405.477.816, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum KMO Gent, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 604, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest, in aanwezigheid van: 1. AXA BANK BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.476.835, 2. CONTERE sa, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te L-479 Luxemburg (Groot-Hertogdom-Luxemburg), Place de l’Etoile 1, tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen. II. Nr. F.20.0171.N AXA BANK BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.476.835, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 3. DW HOLDING nv, met zetel te 8790 Waregem, Deerlijkseweg 22, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0405.477.816, eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eerste verweerster woonplaats kiest, 4. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal Centrum KMO Gent, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 604, tweede verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de tweede verweerder woonplaats kiest, in aanwezigheid van CONTERE sa, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te L-479 Luxemburg (Groot-Hertogdom-Luxemburg), Place de l’Etoile 1, tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij. III. Nr. F.20.0172.N CONTERE sa, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te L-479 Luxemburg (Groot-Hertogdom-Luxemburg), Place de l’Etoile 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 5. DW HOLDING nv, met zetel te 8790 Waregem, Deerlijkseweg 22, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0405.477.816, eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eerste verweerster woonplaats kiest, 6. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal Centrum KMO Gent, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 604, tweede verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de tweede verweerder woonplaats kiest, in aanwezigheid van AXA BANK BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.476.835, tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep in de zaak F.20.0165.N is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 september 2019. Het cassatieberoep in de zaken F.20.0171.N en F.20.0172.N is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 september 2019 en tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 juni 2020. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 4 februari 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Zaak F.20.0165.N De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Zaak F.20.0171.N De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 september 2019 en een middel tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 juni 2020. Zaak F.20.0172.N De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 september 2019 en een middel tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 juni 2020. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging 1. Met het oog op een goede rechtsbedeling moeten de cassatieberoepen worden gevoegd. A. Zaak F.20.0165.N 2. Alle inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die door een handelsvennootschap worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn beroepsinkomsten. De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten bijgevolg niet uit dat de inkomsten en opbrengsten die het resultaat zijn van deze verrichting als bedrijfsinkomsten worden aangemerkt. 3. Krachtens artikel 44, eerste lid, WIB64 zijn de lasten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden als aftrekbare bedrijfslasten aftrekbaar. Deze bepaling is, krachtens artikel 96 van hetzelfde wetboek, van toepassing op de handelsvennootschappen. Uit deze bepaling volgt niet dat de aftrek van bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de handelsvennootschap zoals die blijkt uit haar maatschappelijk doel. 4. De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als zodanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt. 5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eenmalige en weloverwogen aan- en verkooptransactie verricht door C. C. met geleend geld zonder twijfel tot doel had om zowel de belastbare basis te verminderen door het verlies en de kosten in aftrek te nemen als de belasting te verminderen door de verrekening van de FBB; - enige bedoeling om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden niet aan de transacties ten grondslag lag, vermits de verschillende transacties gelet op de bedoeling van de partijen als een geheel dienen te worden beschouwd en een enkele verrichting uitmaken en het eindresultaat van deze verrichting, dat op boekhoudkundig en economisch vlak negatief was, onbetwistbaar op voorhand vastlag; - de omstandigheid dat de verrichting eveneens belastbare roerende inkomsten heeft voortgebracht, hieraan geen afbreuk doet, aangezien op voorhand duidelijk was dat deze volledig geneutraliseerd zouden worden door de in aftrek genomen kosten en verlies; - in die omstandigheden enkel kan worden besloten dat C. C. nooit de intentie heeft gehad om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. 6. De appelrechters die op die gronden oordelen dat de gemaakte kosten geen aftrekbare beroepskosten uitmaken, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. B. Zaak F.20.0171.N Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 7. De eerste verweerster voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: het cassatieberoep van de eiseres is voorbarig en mitsdien niet ontvankelijk, omdat de door de eiseres bestreden arresten voor haar geen eindbeslissingen zijn, maar beslissingen alvorens recht te doen betreffen. 8. Krachtens artikel 1077 Gerechtelijk Wetboek staat cassatieberoep tegen vonnissen alvorens recht te doen slechts open na het eindvonnis. 9. Met haar cassatieberoep komt de eiseres op (
- a)tegen de beslissingen vervat in het arrest van 3 september 2019 waarbij wordt geoordeeld dat de bestreden aanslag niet nietig is wegens schending van artikel 251 WIB64 en dat het door de eerste verweerster geleden verlies niet als beroepskost kan worden afgetrokken omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 44 WIB64 en (
- b)tegen de beslissing vervat in het arrest van 23 juni 2020 dat de in Gibraltar ingehouden bronbelasting geen aan de vennootschapsbelasting gelijkaardige belasting is zodat niet is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen genieten van de verrekening van de FBB op grond van artikel 187 WIB64. Al deze beslissingen zijn eindbeslissingen waarbij de appelrechters hun rechtsmacht over de desbetreffende geschilpunten uitputten. De eiseres heeft belang om tegen deze beslissingen op te komen gelet op de door de eerste verweerster tegen haar ingestelde vrijwaringsvordering. 10. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid van het cassatieberoep Middelen tegen het arrest van 3 september 2019 Eerste middel 11. Krachtens artikel 251, derde lid, WIB64, daarna artikel 346, derde lid, WIB92, in de versie vóór de wijziging ervan door artikel 7 van de wet van 19 mei 2010, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen binnen de termijn van een maand na de verzending van het bericht van wijziging, welke termijn wegens wettige reden kan worden verlengd. De aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn. Deze bepaling strekt ertoe het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren en te voorkomen dat hem een administratieve boete wordt opgelegd of dat met toepassing van artikel 256 WIB64, daarna artikel 351 WIB92 de aanslag van ambtswege wordt gevestigd met omkering van de bewijslast als gevolg vooraleer hij zijn opmerkingen heeft kunnen inbrengen. 12. Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 28 juni 2012 (nr. 85/2012) geoordeeld dat: - wanneer een belastingplichtige antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging, de specifieke gevolgen die artikel 256 WIB64, thans artikel 351 WIB92, vastlegt wanneer de belastingplichtige niet binnen die termijn heeft geantwoord, zich niet kunnen voordoen: de belastingadministratie kan niet de aanslag ambtshalve vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt; bijgevolg is ook artikel 257, eerste lid, WIB64, thans artikel 352 WIB92, dat bepaalt dat indien hij ambtshalve is aangeslagen, het aan de belastingplichtige behoort het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens, niet van toepassing; - hieruit voortvloeit dat de rechten van verdediging van de belastingplichtige niet worden aangetast; - daartegenover staat dat de rechten van de Schatkist in het gedrang kunnen komen wanneer, ten aanzien van de belastingplichtige die antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging, een aanslag pas zou kunnen worden gevestigd na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van wijziging: los van het feit dat een te vroeg gevestigde aanslag nietig kan worden verklaard, kunnen de aanslagtermijnen bepaald in de artikelen 258 tot 263 WIB64 verstreken zijn, waardoor het niet langer mogelijk zou zijn enige aanslag te vestigen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde op die gronden dat artikel 251 WIB64 de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt in de interpretatie dat, wanneer een belastingplichtige antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, een aanslag mag worden gevestigd na het verstrijken van die termijn, maar vóór het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht. Bij arrest van 30 november 2017 (nr. 138/2017) heeft het Grondwettelijk Hof deze rechtspraak bevestigd en heeft het, met uitdrukkelijke verwijzing naar de overwegingen van het arrest van 28 juni 2012, geoordeeld dat artikel 251 WIB64, thans artikel 346 WIB92, in de interpretatie volgens welke het de administratie zou toestaan om ten laste van de belastingplichtige die wel antwoordde binnen de termijn van een maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte en die niet met de wijziging van zijn aangifte heeft ingestemd, terwijl de rechten van de Schatkist niet in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn, een aanslag te vestigen na de termijn van een maand na de verzending, maar vóór het verstrijken van de termijn van een maand vanaf de derde werkdag volgend op datum van de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, artikel 170 Grondwet niet schendt. 13. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 25 juni 2020 (nr. 95/2020) geoordeeld dat: - uit artikel 346 WIB92, voorheen artikel 251 WIB64, volgt dat wanneer de belastingplichtige zijn opmerkingen aan de postdiensten overhandigt binnen de wettelijke termijn maar die opmerkingen bij de administratie toekomen na het verstrijken van die termijn, hij ambtshalve zal kunnen worden belast, waardoor, krachtens artikel 352 WIB92, voorheen artikel 257, eerste lid, WIB64, de bewijslast wordt omgekeerd, waarbij de belastingplichtige slechts aan die sanctie ontsnapt indien wettige redenen hem hebben belet binnen de termijn van één maand te antwoorden; - in de interpretatie van artikel 346 WIB92, voorheen artikel 251 WIB64, volgens welke de opmerkingen die door de belastingplichtige zijn geformuleerd ter staving van zijn niet-instemming met het bericht van wijziging, bij een aangetekende brief die aan de post werd overhandigd vóór het verstrijken van de termijn van één maand, maar die bij de belastingadministratie is toegekomen na het verstrijken van die termijn, als niet tijdig worden beschouwd, de belastingplichtige die zijn opmerkingen over het bericht van wijziging meedeelt bij aangetekende brief, een deel van de termijn van één maand bedoeld in die bepaling verliest, aangezien de belastingplichtige zijn opmerkingen verscheidene dagen vóór de laatste dag van de termijn moet verzenden om zeker te zijn dat die bij de administratie toekomen binnen de termijn; - die bepaling in die interpretatie bovendien de rechten van verdediging van de belastingplichtige kan raken in een eventueel later beroep, aangezien zij de belastingplichtige de kennisgeving ontzegt van een gemotiveerde beslissing tot taxatie, overeenkomstig artikel 346, vijfde lid, WIB92 en aangezien in geval van aanslag van ambtswege de bewijslast zal worden omgekeerd; - die bepaling in die interpretatie een onevenredig effect heeft vanwege de specifieke gevolgen die verbonden zijn aan het verstrijken van de erin bedoelde termijn. Het Grondwettelijk Hof heeft op die gronden geoordeeld dat artikel 346 WIB92, voorheen artikel 251 WIB92, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid en van de rechten van verdediging en met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM schendt in de interpretatie volgens welke de opmerkingen die door de belastingplichtige zijn geformuleerd ter staving van zijn niet-instemming met het bericht van wijziging, bij een aangetekende brief die aan de post werd overhandigd vóór het verstrijken van de termijn van één maand, maar die bij de belastingadministratie is toegekomen na het verstrijken van die termijn, als niet tijdig worden beschouwd. Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid en van de rechten van verdediging en met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM in de interpretatie volgens welke de door de belastingplichtige geformuleerde opmerkingen ter staving van zijn niet-instemming met het bericht van wijziging zijn ingediend binnen de termijn van één maand wanneer zij worden ingediend bij aangetekende brief die aan de post werd overhandigd vóór het verstrijken van die termijn, waarbij de poststempel van het verzendingbewijs geldt als bewijs. Met dit arrest doet het Grondwettelijk Hof geen afbreuk aan zijn arrest van 28 juni 2012 (nr. 85/2012). Wanneer een belastingplichtige antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, kan de belastingadministratie de aanslag niet ambtshalve vestigen, is er geen omkering van de bewijslast en worden de rechten van verdediging van de belastingplichtige niet aangetast. 14. Uit het voorgaande volgt dat indien de belastingplichtige antwoordt op het bericht van wijziging binnen een maand na de verzending ervan, de administratie, na ontvangst van dit antwoord, mag overgaan tot het vestigen van de aanslag na het verstrijken van die termijn en vooraleer een termijn van een maand is verstreken vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht. Dat de belastingplichtige die binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, nog een aanvullend antwoord aan de administratie kan overmaken door afgifte van een aangetekende brief aan de post tot uiterlijk één maand na de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, doet daaraan geen afbreuk. 15. De appelrechters stellen vast dat: - het bericht van wijziging van aangifte verzonden is op 29 november 1993 en volgens de eerste verweerster op 1 december 1993 door haar ontvangen werd; - de eerste verweerster op het bericht van wijziging van aangifte heeft geantwoord op 28 december 1993; - de bestreden aanslag werd gevestigd op 31 december 1993, zijnde na het verstrijken van de termijn van een maand vanaf de verzending van het bericht van wijziging van aangifte. 16. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de aanslag rechtsgeldig op 31 december 1993 was gevestigd. Het middel kan niet worden aangenomen. 17. Aangezien het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan over vragen met een identiek onderwerp, dient geen nieuwe prejudiciële vraag te worden gesteld. (…) Middelen tegen het arrest van 23 juni 2020 Eerste onderdeel 19. Krachtens artikel 187, eerste lid, WIB64, in de versie zoals van toepassing op het geding, wordt, wat betreft de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen en de in artikel 67, 4° tot 6°, bedoelde diverse inkomsten die in het buitenland werden onderworpen aan een belasting gelijkaardig aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders, van de belasting vooraf een forfaitair gedeelte van die buitenlandse belasting afgetrokken. Opdat een buitenlandse belasting kan worden beschouwd als gelijkaardig aan de in België geheven personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders, dient deze buitenlandse belasting te beantwoorden aan de wezenlijke kenmerken van de in België geheven belasting. Tot de wezenlijke elementen van de in België geheven belasting behoort dat het toepasselijke tarief bij wet is vastgesteld en derhalve niet vatbaar is voor onderhandelingen tussen de belastingplichtige en de belastingautoriteiten op een wijze die het mogelijk maakt het tarief zodanig te herleiden dat een quasi-vrijstelling wordt verleend. 20. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de partijen niet betwisten dat op de toegekende interesten een Gibraltarese bronbelasting werd ingehouden en dat deze bronbelasting aldus 0,5 pct. van de inkomsten bedroeg; - evenmin wordt betwist dat dit tarief werd bepaald in overleg met de belastingadministratie in Gibraltar; - een buitenlandse bronbelasting van 0,5 pct. die in overleg met de buitenlandse administratie werd bepaald, bezwaarlijk als een belasting gelijkaardig aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van de niet-verblijfhouders kan worden beschouwd, vermits de term gelijkaardig, ‘gelijksoortig’ of ‘in hoofdtrekken overeenkomend’ betekent; over het tarief van de in artikel 187 WIB64 genoemde belastingen niet te onderhandelen valt en dat tarief vele malen het Gibraltarese tarief toegepast op de interesten aan de be-lastingplichtige toegekend, overstijgt; - waar de eerste verweerster aanvoert dat er ook in België mechanismen bestaan waarbij een ambtenaar vaststelt welke belastingen een belastingplichtige dient te betalen, zonder dat daarvoor in de wetgeving objectieve voorwaarden zijn voorzien, zij eraan voorbij gaat dat deze mogelijkheden de bepaling van de belastbare grondslag betreffen en niet van het belastingtarief dat van toepassing is op een inkomen waarvan de bron zich in België bevindt en dat om dezelfde reden de argumentatie van de eerste verweerster waar zij aanvoert dat de hoogte van de belasting in Gibraltar vergelijkbaar is met de belasting die resulteert uit sommige excess profit rulings niet overtuigt; - excess profit rulings bovendien hun wettelijke grondslag vinden in artikel 185, § 2, b), WIB92, terwijl geen enkel element voorligt dat toelaat te oordelen over het wettelijk kader dat van toepassing is op het tarief van de Gibraltarese voorheffing en de loutere verwijzing naar een wet van 8 november 1990 terzake niet volstaat; - de belastingplichtige niet aantoont dat de belasting geheven in Gibraltar in hoofdtrekken overeenkomt met de Belgische personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van de niet-verblijfhouders. 21. De appelrechters die met die redenen beslissen dat niet is voldaan aan de voorwaarden om te genieten van de verrekening van de forfaitaire buitenlandse belasting op grond van artikel 187 WIB64, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 22. Het oordeel dat, waar de eerste verweerster aanvoert dat er ook in België mechanismen bestaan waarbij een ambtenaar vaststelt welke belastingen een belastingplichtige dient te betalen, zonder dat daarvoor in de wetgeving objectieve voorwaarden zijn voorzien, zij eraan voorbij gaat dat deze mogelijkheden de bepaling van de belastbare grondslag betreffen en niet van het belastingtarief dat van toepassing is op een inkomen waarvan de bron zich in België bevindt en dat om dezelfde reden de argumentatie van de eerste verweerster waar zij aanvoert dat de hoogte van de belasting in Gibraltar vergelijkbaar is met de belasting die resulteert uit sommige excess profit rulings niet overtuigt, draagt de beslissing van de appelrechters dat een buitenlandse bronbelasting van 0,5 pct. die in overleg met de buitenlandse administratie werd bepaald, bezwaarlijk als een belasting gelijkaardig aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van de niet-verblijfhouders kan worden beschouwd. Het onderdeel dat aanvoert dat, door te oordelen dat geen enkel element voorligt dat toelaat te oordelen over het wettelijk kader dat van toepassing is op de onderhandelingen betreffende het tarief van de Gibraltarese voorheffing en dat de loutere verwijzing naar een wet van 8 november 1990 ter zake niet volstaat, de appelrechters tekort komen aan hun verplichting de inhoud van het door de verwijzingsregel aangewezen buitenlands recht ambtshalve vast te stellen en toe te passen overeenkomstig de in het land van herkomst gevolgde interpretatie, komt op tegen een overtollige reden en is mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. (…) Dictum Het Hof, Voegt de cassatieberoepen F.20.0165.N, F.20.0171.N en F.20.0172.N. Vernietigt het bestreden arrest van 3 september 2019 in zoverre het de aftrek van het verlies uit de transactie ten bedrage van 11.489.088 BEF als beroepskost verwerpt. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.3 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div