← België

T. contra HET VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandsheffing - Bijzondere belasting - Strafrechtelijke aard - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 De omstandigheid dat de fiscale sanctie licht is, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat deze aan de toepassing van artikel 6.1. EVRM is onttrokken; opdat een belasting een preventief en bestraffend doel zou hebben, is vereist dat de belasting in wezen een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd en dat de belasting aldus leed wenst toe te brengen aan de dader van dat handelen of nalaten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Leegstandsheffing Vlaams Gewest - Bijzondere belasting - Strafrechtelijke aard - Preventief en bestraffend doel - Begrip Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

F.20.0152.N 1. J. T., 2. M. B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Begroting, Financiën Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 februari 2020. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 28 juni 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Op basis van de artikelen 24 en volgende Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, in de versie zoals van toepassing op het geding, legt het Vlaams Gewest een heffing op met betrekking tot verwaarloosde gebouwen en verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris van ongeschikte en/of onbewoonbare woningen of de inventaris van verwaarloosde gebouwen en/of woningen. Deze leegstandsheffing past in het kader van een integraal beleid dat de verbetering van de leef- en omgevingskwaliteit beoogt. Volgens de decreetgever zijn verwaarlozing, leegstand en de bedenkelijke woonkwaliteit van sommige woningen “symptoom en oorzaak […] van de achteruitgang van het leefklimaat, van de sociale achterstelling van de bewoners en uiteindelijk van de desintegratie van het sociale en maatschappelijke weefsel”. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt nog dat de in het geding zijnde heffing “kadert […] in het beleid tegen leegstand boven winkels, hetgeen één van de voornaamste vormen van leegstand is”. De decreetgever wil aldus “de uittocht van de meer welvarende bevolkingsgroepen” tegengaan, “vooral dan in de grote steden”. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de decreetgever verwaarlozing, leegstand en bedenkelijke woonkwaliteit niet als onwettig of als een inbreuk, maar als onwenselijk beschouwt. De leegstandsheffing heeft in dat verband een drievoudige doelstelling: (

  1. i)zij heeft een ontradingseffect en past in een voorkomingsbeleid, dat de oorzaken van de verkommering en desintegratie van de leefomgeving preventief wil aanpakken; zij zet aan tot een tijdige renovatie van het patrimonium en het hergebruik ervan volgens de oorspronkelijke of volgens een nieuwe bestemming; (
  2. ii)de leegstandsheffing wil de rechtstreekse en onrechtstreekse maatschappelijke kosten van de verloedering van de leef- en omgevingskwaliteit, al is het slechts partieel, verhalen op de medeveroorzakers en werkt aldus sanctionerend t.a.v. degenen die deze kosten moedwillig willen afwentelen op de gemeenschap of de minder bemiddelde achterblijvers of degenen die blind zijn voor de maatschappelijke gevolgen; en (iii) de opbrengst van de heffing kan worden gebruikt voor de revivificatie van de stedelijke leefomgeving. 2. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. De omstandigheid dat een fiscale sanctie of het opleggen van een bijzondere belasting internrechtelijk niet als strafrechtelijk wordt gekwalificeerd, sluit niet uit dat die maatregel strafrechtelijk van aard kan zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM. Dit is het geval indien de overtreden bepaling gericht is tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige, de opgelegde sanctie of bijzondere belasting niet alleen een vergoedende functie heeft, maar in wezen een preventief en bestraffend doel heeft. De omstandigheid dat de fiscale sanctie licht is, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat deze aan de toepassing van artikel 6.1. EVRM is onttrokken. 3. Opdat een belasting een preventief en bestraffend doel zou hebben, is vereist dat de belasting in wezen een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd en dat de belasting aldus leed wenst toe te brengen aan de dader van dat handelen of nalaten. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - men nergens in de parlementaire voorbereidingen van het decreet leest dat het belastbaar feit, met name het laten voortduren van de belastbare toestand van de woningen, onwettig zou zijn, zodat de door de eisers beweerde sanctie zonder voorwerp is; - de heffing in werkelijkheid een aanmoedigingsfunctie heeft, benevens de herverdelende functie ervan, als belasting; - de aanslagvoet van de heffingen ook niet kan worden beschouwd als het be-rokkenen van leed aan de heffingsplichtige als doel van de heffing; - de leegstandsheffing dus geen straf is, vermits zij niet wordt opgelegd omwille van een inbreuk op een norm of wegens een overtreding, doch een aanmoediging is tot het niet verder laten voortduren van de ongeschiktheid en onbewoonbaarheid van panden en de belastbare toestand ervan, in een langer uitgestrekte periode, maar dat echter geenzins verbiedt. 5. De appelrechters die aldus oordelen dat de heffingen niet kunnen worden verminderd of kwijtgescholden op grond van hun vermeend strafrechtelijk karakter, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 325,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 september 2022, uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.7 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230602.1N.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241007.3F.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230602.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.