Obsah (4)
Art. 193Art. 196Art. 214Art. 496id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Het wanbedrijf oplichting vereist bij de dader het oogmerk om zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen en de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe, gevolgd door een afgifte of een levering van de zaak; de dader kan het beoogde onrechtmatige voordeel zowel voor zichzelf als voor een ander nastreven zodat noch het feit dat de dader zich op een in artikel 496 Strafwetboek bepaalde wijze een verbintenis doet afgeven die een derde geheel of gedeeltelijk tot voordeel strekt, noch het feit dat niet de dader maar de derde formeel partij is bij die verbintenis, zijn bedrieglijk opzet niet belet
(1).
(1)F. DERUYCK en A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Wolters Kluwer 2020, p. 517. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Bedrieglijk opzet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 496
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 3 Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich een aan een ander toebehorende zaak toe te eigene; het is niet vereist dat de dader zowel gebruik maakt van valse namen of hoedanigheden als dat hij listige kunstgrepen aanwendt zodat één van de beide gedragingen volstaat. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Gebruik van valse namen of valse hoedanigheden - Aanwenden van listige kunstgrepen - Volstaan van één van die gedragingen Wettelijke bepalingen:
Art. 496
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen, dit zijn in de regel positieve daden, met het oog op de afgifte of de levering van de zaak zodat louter leugenachtige beweringen slechts listige kunstgrepen opleveren wanneer zij gepaard gaan met uitwendige handelingen die enige geloofwaardigheid eraan verlenen; dergelijke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van de zaak waarbij niet al die praktijken op zichzelf genomen moeten voldoen aan de vereisten van een listige kunstgreep en dus niet allemaal positieve handelingen moeten uitmaken, zodat ook onthoudingen of verzwijgingen, naast een of meer uitwendige handelingen, kunnen bijdragen tot de enscenering die in zijn geheel de listige kunstgreep uitmaakt
(1).
(1)V. VEREECKE, Oplichting door listige kunstgrepen ten aanzien van een derde, RABG 2016/1, 28-30. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Gebruik van listige kunstgrepen - Uitwendige handelingen - Positieve daden - Onthoudingen of verzwijgingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 496- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0411.N I A J G S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Filip Van Hende, advocaat bij de balie Gent, II P A V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest, de cassatieberoepen I en II tegen
- P B,
- P B,
- R V Z,
- L V Z,
- J V Z,
- M V Z,
- R V Z,
- K V Z,
- J V Z,
- A V Z,
- M D M, burgerlijke partijen, verweerders. III L R G V A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Opsommer, advocaat bij de balie Oudenaarde, tegen
- P B, reeds vermeld,
- P B, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 februari
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. De eiser III voert geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III zijn cassatieberoep heeft doen betekenen aan de verweerders III, zoals nochtans vereist door artikel 427, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders III, is het cassatieberoep III niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I en eerste middel van de eiser II
- De middelen voeren schending aan van artikel 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest herkwalificeert de telastlegging A in de zaak I van poging oplichting naar het voltrokken misdrijf oplichting zonder de eisers I en II daarvan vooraf in kennis te stellen en hen zodoende de gelegenheid te geven zich op de nieuwe kwalificatie te verdedigen; evenmin stelt het arrest vast dat het geherkwalificeerde feit hetzelfde is als dat waarop de strafvordering was gegrond.
- De rechter die de kwalificatie van een bij hem aanhangig gemaakt feit wijzigt, moet ervoor te zorgen dat de beklaagde de kans krijgt om zich tegen de nieuwe kwalificatie te verdedigen. Bovendien moet de rechter vaststellen dat het geherkwalificeerde feit hetzelfde is als dat waarop de vervolging was gebaseerd.
- Het recht van verdediging vereist evenwel niet noodzakelijk dat het de rechter is die de beklaagde uitdrukkelijk uitnodigt om zich te verweren over een herkwalificatie. Indien de herkwalificatie in het debat was als gevolg van de opmerkingen of de vordering van een partij zodat de beklaagde wist dat een herkwalificatie tot de mogelijkheden behoorde en hij zich daarover ook kon verdedigen, is een uitdrukkelijke verwittiging door de rechter niet vereist.
- Evenmin is vereist dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat het geherkwalificeerde feit hetzelfde is als dat waarop de vervolging was gebaseerd. Die vaststelling kan ook blijken uit andere bewoordingen van het vonnis of arrest.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- Het arrest (p. 33, nr. 21 en p. 54-55, nr. 42) oordeelt als volgt: - “Terecht houdt het Openbaar Ministerie voor dat de feiten van de tenlastelegging A van Referte I als een oplichting moeten gekwalificeerd worden in de plaats van een ‘poging’ oplichting zoals opgenomen in de inleidende akte 1 (zie verder onder randnummer 42 van huidig arrest), zodat de inleidende akte 1 wat dit betreft in die zin dient verbeterd te worden”; - “[De eisers I, II en III] worden onder feiten van de tenlastelegging A van Referte I als daders/mededaders vervolgd voor ‘poging’ oplichting (artikel 496 Strafwetboek) in de periode van 14.04.2016 tot en met 09.08.2017, waarbij [de verweerders 1 en 2] ertoe werden gebracht om het voorwerp van het misdrijf, namelijk de onderhandse verkoopovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen te 8540 Deerlijk (…) op 16.04.2016 te ondertekenen en af te geven (verbintenissen), terwijl “het oogmerk om de schadevergoeding van 23.250 euro te kunnen vorderen” het bijzonder opzet uitmaakt om zich een zaak die aan een ander toebehoort toe te eigenen, wat — in tegenstelling tot wat [de eisers I, II en III] voorhouden — niet te verwarren is met het voorwerp van het misdrijf (…). Waar het voorwerp van het misdrijf (de onderhandse verkoopovereenkomst) op 16.04.2016 werd ondertekend en afgegeven is de oplichting voltrokken en is in deze geen sprake meer van een poging, zodat de inleidende akte 1 wat dit betreft in die zin verbeterd dient te worden. Dat de schadevergoeding van 23.250 euro nooit bekomen werd, doet aan het voormelde geen afbreuk”. Verder verklaart het arrest (p. 60, nr. 52) dat de redenen op grond waarvan de eisers I, II en III in eerste aanleg schuldig zijn verklaard aan de telastlegging A van zaak I en die het onderschrijft, eveneens van toepassing zijn op het voltrokken misdrijf oplichting.
- Uit die redenen blijkt, eensdeels, dat de herkwalificatie van de bedoelde telastlegging reeds in het debat was op aangeven van het openbaar ministerie zodat de eisers I, II en III zich daarop konden verdedigen en, anderdeels, dat de appelrechters wel degelijk vaststellen dat het geherkwalificeerde feit ten grondslag lag aan de vervolging van de eisers I, II en III. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I en tweede middel van de eiser II Eerste onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 196 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eisers I en II wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (telastleggingen A.1, A.2, A.3, B.1, B.2 en B.3 van zaak II) wegens het opstellen van ontwerp-verkoopovereenkomsten met kandidaat-verkopers, waarbij op bedrieglijke wijze een aantal formuleringen of voorwaarden zijn opgenomen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen; het opstellen van een ontwerp van verkoopovereenkomst kan geen valsheid in geschriften uitmaken aangezien dat geschrift zich niet aan het openbaar vertrouwen opdringt en het derhalve geen door de wet beschermd geschrift uitmaakt; evenmin kan er sprake zijn van valsheid wanneer het geschrift slechts bewijswaarde heeft na de aanvaarding ervan door de geadresseerde of wanneer het geschrift moet worden nagezien door de bestemmeling vooraleer hij de inhoud ervan aanvaardt; de vermelde verkoopovereenkomsten verkregen slechts bewijswaarde na de ondertekening ervan door de partijen; de verkoopovereenkomsten zijn opgesteld in overeenstemming met de verklaringen van de verkopers, die de verkoopovereenkomsten op elke pagina hebben geparafeerd en ze hebben ondertekend voor gelezen en goedgekeurd, zodat zij worden geacht de inhoud ervan na controle te aanvaarden; het arrest stelt niet vast dat de partijen niet de mogelijkheid tot controle van de inhoud van de overeenkomsten zouden hebben gehad.
- Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.
- Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.
- Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding ervan door de bestemmeling, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. Dit is evenwel anders wanneer het voor de bestemmeling onmogelijk is om de in het geschrift voorkomende vermeldingen te controleren of wanneer deze controle door toedoen van de uitreiker onmogelijk is gemaakt.
- Die onmogelijkheid tot controle kan bestaan bij de kandidaat-verkoper van een onroerend goed, die op slinkse wijze en met misbruik van zijn gebreken of zwakheden door een beweerde kandidaat-koper ervan wordt overtuigd om een door deze laatste voorgelegde verkoopcompromis te ondertekenen die de kandidaat-verkoper, mocht de mogelijkheid tot werkelijke kennisneming van de volledige inhoud van die compromis of tot het nemen van een beredeneerde beslissing daarover hem niet doelbewust zijn ontnomen door de kandidaat-koper, nooit zou ondertekenen omdat de compromis bedingen bevat die kennelijk niet met de werkelijkheid overeenstemmen en die voor de kandidaat-verkoper zeer nadelig zijn.
- Voor wat betreft de telastleggingen A.1, A.2, A.3, B.1, B.2 en B.3 van zaak II oordeelt het arrest (ro 58c, ii, e-h, p. 69-70; ro 58, iii, c-g, p. 73-76), gestaafd door de feiten die het (nr. 28-29, p. 42-48) eerder vermeldt, in essentie dat: - de modus operandi van de eisers I en II erin bestond kandidaat-verkopers te benaderen met eigen verkoopcompromissen, waarin naast hoge schadebedingen ook verbintenissen waren opgenomen die de verkopers onmogelijk konden honoreren, om daarna – behoudens wanneer zich de kans tot aankoop tegen abnormaal lage prijs voordeed – de verkoopcompromissen te kunnen verbreken en schadevergoeding wegens wanuitvoering van de verkopers te kunnen eisen; - de eisers I en II daarbij slinks tewerk gingen door zich ten overstaan van de kandidaat-verkopers voor te doen als professionelen die alle nodige opzoekingen reeds hadden gedaan, de kandidaat-verkopers te verrassen met meegebrachte en niet op voorhand meegedeelde verkoopcompromissen, gebruik te maken van hun goede trouw of onkunde, haast voor te wenden, hen ertoe aan te zetten om snel te ondertekenen, hun aandacht af te leiden of de compromissen niet of onvoldoende aan hen voor te lezen of ze toe te laten ze zelf te lezen opdat de kandidaat-kopers correct zouden ingelicht zijn over de inhoud ervan. Met die redenen stelt het arrest wel degelijk vast dat de overeenkomsten niet zijn opgesteld overeenkomstig de verklaringen van de verkopers en dat deze laatsten niet de werkelijke mogelijkheid hebben gehad om de volledige inhoud van die overeenkomsten te controleren of ze te ondertekenen op grond van een beredeneerde beslissing, zodat hun parafen en handtekeningen niet hun akkoord met die overeenkomsten of met alle erin opgenomen bedingen weergeven. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 196 en 197 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest stelt niet wettig vast dat de kwestieuze verkoopovereenkomsten een valsheid in geschriften uitmaken, minstens beantwoordt het arrest niet het verweer van de eisers I en II waarin werd aangevoerd dat de overeenkomsten wel degelijk overeenstemden met de wil van de partijen op het moment van de overeenkomsten en dat de verweerder 3, de rechtsvoorgangster van de verweerders 4 tot 10 (hierna A.L.) en de verweerster 11 de plicht hadden om de overeenkomst te controleren alvorens over te gaan tot de ondertekening ervan.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
- Met de redenen die het arrest (p. 42-48 en 65-76) bevat, waaronder deze vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, stelt het wel degelijk vast dat de in het onderdeel bedoelde verkoopovereenkomsten een valsheid in geschriften uitmaken omdat als gevolg van het slinkse optreden van de eisers I en II, eensdeels, die overeenkomsten voor wat betreft de staat en ligging van de onroerende goederen in werkelijkheid niet de verklaringen van de kandidaat-verkopers maar wel deze van de kandidaat-kopers bevatten en, anderdeels, die overeenkomsten niet overeenstemden met de wil van de verkopers op het moment van de ondertekening ervan, noch voor wat betreft de voormelde verklaringen, noch voor wat betreft de gesplitste verkoop van de hoeve en de landbouwgrond door de verweerder 3 en A.L. Met die redenen, waaruit blijkt dat de eisers I en II aan de verkopers de reële mogelijkheid hebben ontnomen om te controleren en te beredeneren wat zij ondertekenden, beantwoordt het arrest het verweer van de eisers I en II, zonder dat het moet antwoorden op elk enkel tot staving daarvan aangevoerd argument, en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I en derde middel van de eiser II
- De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 196 en 197 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest veroordeelt de eisers I en II wegens de telastleggingen A van zaak 1 en A.1, A.2, A.3, B.1, B.2, B.3, C.1, C.2 en C.3 (oplichting) van zaak 2 zonder naar genoegen van recht hun bedrieglijk opzet vast te stellen en zonder te antwoorden op hun verweer dat zij geen bedrieglijk opzet hadden om de koopovereenkomsten te verbreken teneinde schadevergoeding te kunnen eisen of om een aankoop tegen abnormale prijs te doen; het arrest preciseert niet de feiten waaruit het afleidt dat de vennootschappen waarvoor de eisers I en II optraden niet de bedoeling hadden de onroerende goederen aan te kopen; het arrest beantwoordt niet eisers’ verweer dat enkel die vennootschappen hebben beslist en konden beslissen om een vordering tot verbreking in te stellen; het arrest preciseert niet uit welke feitelijke gegevens het afleidt dat er sprake zou zijn van een abnormale prijs voor de landbouwgrond of dat de verweerder 3 en A.L. niet met die prijs instemden door een afzonderlijke overeenkomst te ondertekenen.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt. Evenmin moet de rechter de redenen van zijn redenen vermelden.
- Het wanbedrijf oplichting vereist bij de dader het oogmerk om zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen en de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe, gevolgd door een afgifte of een levering van de zaak. De dader kan het beoogde onrechtmatige voordeel zowel voor zichzelf als voor een ander nastreven. Aldus belet het feit dat de dader zich op een in artikel 496 Strafwetboek bepaalde wijze een verbintenis doet afgeven die een derde geheel of gedeeltelijk tot voordeel strekt, zijn bedrieglijk opzet niet. Ook het feit dat niet de dader maar de derde formeel partij is bij die verbintenis, belet zijn bedrieglijk opzet niet.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- Het arrest (p. 47-48) beschrijft op grond van de verklaringen van de eisers I en II de strategie achter de valse of tijdens de besprekingen vervalste compromissen aangeleverd door de eiser II, namelijk dat die eisers erop rekenden dat zij zo nodig steeds onder hun verbintenissen konden uitkomen omdat de verkopers niet op de hoogte waren van hun informatieverplichtingen. Het arrest (p. 67) stelt ook vast dat de eiser II de opdrachten tot het opstarten van procedures met het oog op het verkrijgen van schadevergoeding gaf aan de raadsman van Sattlerhof Investment Group bv (hierna S.I.G. bv), dit is de vennootschap waarvoor de eisers I en II optraden voor wat betreft de telastleggingen van zaak II, alsook dat een en ander gebeurde buiten het medeweten van de zaakvoerster van die vennootschap, die met een dergelijke handelwijze niet akkoord zou zijn gegaan en die de eisers nadien heeft ontslagen wegens de ontbinding van alle overeenkomsten en de juridische betwistingen daarover.
- Voor wat betreft de telastlegging A van zaak I beschrijft het arrest (p. 35-42 en 58-65) verder omstandig de slinkse wijze waarop de eisers I en II de verweerders 1 en 2 ertoe hebben aangezet de verkoopcompromis te ondertekenen zonder dat deze laatsten in werkelijkheid beseften welke bedingen die compromis bevatte, waaronder bedingen waarin de eisers I en II bedrieglijk een kennelijk onjuiste EPC-waarde en AREI-conformiteit hadden vermeld. In het bijzonder bestond het slinkse optreden van de eisers I en II volgens de appelrechters erin de verkopers te verrassen met een niet op voorhand meegedeeld compromis, hun vertrouwen te winnen en hen af te leiden tijdens het lezen van de compromis opdat zij bepaalde sluiks ingelaste bedingen in hun nadeel niet zouden opmerken. Het arrest oordeelt eveneens op grond van de feiten die het opsomt dat de eisers I en II de feitelijke zaakvoerders waren van Shark Cleaning bv (hierna S.C. bv), dit is formeel de koper waarvoor zij optraden, terwijl de eiser III slechts een stroman was. Het stelt verder vast dat S.C. bv zonder reden het overeengekomen voorschot niet binnen de overeengekomen termijn na de ondertekening heeft betaald, dat S.C. bv ook geen middelen had om de aankoop te financieren noch ervaring had in renovatieprojecten terwijl renovatie het zogenaamde doel van de aankoop was en dat, als eerste correspondentie na het ondertekenen van de compromis, de verweerders 1 en 2 door S.C. bv in gebreke zijn gesteld ingevolge onregelmatigheden betreffende de EPC-waarde en de elektrische installatie, met verbreking van de compromis en een forfaitaire schadevergoeding van 15 procent van de koopsom, zijnde 23.250,00 euro.
- Uit de omstandigheden die het arrest aldus vermeldt, leidt het af dat de verklaringen van de verweerders 1 en 2 over de concrete omstandigheden van de onderhandelingen en de ondertekening van de verkoopovereenkomst geloofwaardig zijn en de daarvan afwijkende verklaringen van de eisers I en II ongeloofwaardig zijn. Het arrest leidt daaruit eveneens af dat de eisers I en II nooit de bedoeling hebben gehad S.C. bv het onroerend goed te laten kopen, maar enkele om via de slinks ingelaste bedrieglijke clausules een verbrekingsvergoeding af te troggelen van de verweerders 1 en
- Voor wat betreft de telastleggingen A.1, A.2, A.3, B.1, B.2 en B.3 van zaak 2 oordeelt het arrest (p. 65-79), mede op grond van de feiten die het (p. 42-48) vaststelt, in essentie als volgt: - de eisers I en II waren bedienden in S.I.G. bv en hebben die vennootschap zonder medeweten van haar juridische zaakvoerster misbruikt in de door hen opgezette strategie om op naam van S.I.G. bv onroerende goederen aan te kopen in de wetenschap dat het steeds mogelijk was om zonder enig voorschot te betalen, een schadevergoeding van 15 procent op de koopprijs te kunnen vorderen wegens de niet-naleving van de clausules in de verkoopovereenkomsten door de verkopers. Zij hebben in die omstandigheden S.I.G. bv als vehikel aangewend om de verweerder 3, A.L. en de verweerster 11 te overtuigen, minstens te doen geloven dat zij met professionelen te doen hadden, als zou S.I.G. bv woningen opkopen om verbouwingen of afbraakwerken uit te voeren met eigen personeel, terwijl S.I.G. bv niet over personeel beschikte; - het kan niet anders dan dat de eisers I en II duidelijk wisten dat de woning van de verweerster 11 grondig moest worden gerenoveerd, dat de elektrische installatie niet AREI-conform was gekeurd en dat de EPC-score van de woning niet beneden de 600 kon liggen; - desondanks heeft de eiser II de compromis opgemaakt, waarin werd vermeld dat de verkoper verklaart dat de installatie is gekeurd en AREI-conform werd bevonden, alsook dat het EPC-attest voorhanden is en een score aangeeft beneden de 600, terwijl de eiser I heeft meegewerkt aan de valsheid door de overeenkomst verder in te vullen en te ondertekenen met de valse hoedanigheid van zaakvoerder van S.I.G. bv; - aan de verweerster 11 is geen voorstel van compromis overgemaakt, zodat zij voorafgaand aan de ondertekening niet de mogelijkheid had om de te ondertekenen compromis volledig in detail te lezen, dan wel om over de clausules die strijdig waren met de werkelijkheid opmerkingen te formuleren, wat een bewuste werkwijze was van de eisers I en II; - de appelrechters hechten geloof aan de verklaringen van de verweerster 11 en de getuige P.V. dat zij geen voorlezing hebben gekregen van alleszins de bedrieglijk ingelaste bedingen en dat de verweerster 11 de ontwerpcompromis onvoldoende zelf kon lezen omdat zij haar leesbril niet bij had, zodat haar parafen en ondertekening niet wijzen op haar werkelijk akkoord; - in de voormelde omstandigheden hebben de eisers I en II op slinkse wijze de verweerster 11 verleid om de compromis te ondertekenen en af te geven, goed wetende dat die verweerster de specifieke clausules niet zou kunnen honoreren, zodat deze naderhand konden worden aangewend om een verbrekingsvergoeding te vorderen; - voor wat betreft de eigendom van de verweerders 3 tot 10 heeft de eiser II twee compromissen opgemaakt, een voor de grond voor de prijs van 45.000,00 euro en een voor de hoeve voor de prijs van 435.000,00 euro; - het kan niet anders dan dat zowel de eiser II als de eiser I hierbij wisten dat de gezamenlijk aangeboden grond en hoeve werden opgesplitst in twee verschillende verkoopovereenkomsten, waardoor de grond markant onder de marktprijs en met miskenning van het pachtrecht werd verkocht; - aan de verweerder 3 en A.L. werden clausules opgedrongen over de elektriciteitskeuring, de bouwfysische geschiktheid en de watertoets, waarvan de eisers I en II wisten dat deze onjuist waren en door de verkopers onmogelijk konden worden gehonoreerd; - aan die verkopers is nooit uitgelegd waarom er twee compromissen werden opgesteld. De eiser I heeft de compromissen bovendien ondertekend met de valse hoedanigheid van zaakvoerder van S.I.G. bv en heeft onjuiste clausules op de voorgedrukte en door de eiser II opgemaakte compromissen verder eigenhandig ingevuld, waardoor hij mededader is van de valsheid; - aan die verkopers werden vooraf geen voorstellen van compromissen overgemaakt, zodat zij vóór de ondertekening niet de mogelijkheid hadden om de compromissen volledig in detail te lezen, dan wel om over de clausules die strijdig waren met de werkelijkheid opmerkingen te formuleren. Dit maakte deel uit van de afgesproken werkwijze van de eisers I en II; - de appelrechters hechten geloof aan de verklaringen van die verkopers dat zij geen voorlezing hebben gekregen van alleszins de bedrieglijk ingelaste bedingen en dat de transacties op een tiental minuten zijn afgehandeld. Zij oordelen ook dat deze omstandigheden, alsook onervarenheid en de leeftijd van de verkopers, de geringe geletterdheid van A.L. en de kwetsbare positie van de verkopers waarvan de eisers I en II misbruik hebben gemaakt, hen niet in de mogelijkheid stelden voldoende op te letten, zodat hun parafen en ondertekening niet wijzen op hun werkelijk akkoord; - in die omstandigheden hebben de eisers I en II op slinkse wijze de verweerder 3 en A.L. verleid om de compromissen te ondertekenen en af te geven, goed wetende dat de verkopers de voormelde specifieke clausules niet zouden kunnen honoreren, zodat deze naderhand konden worden aangewend om een verbrekingsvergoeding te vorderen; - in die respectieve constellaties hadden de eisers I en II hun eigen afgesproken taak die zij uitvoerden met het oog op het vooraf afgesproken doel, zodat zij elk dienen geacht te worden deel te hebben genomen aan het ganse opzet.
- Ten slotte spreekt het arrest (p. 76-79) S.I.G. bv en haar zaakvoerster vrij omdat zij niet op de hoogte waren van noch hebben deelgenomen aan de bedrieglijke praktijken van de eisers I en II, die op eigen houtje hebben gehandeld.
- Met die redenen stelt het arrest het bedrieglijk opzet van de eisers I en II voor de vervalsingen vast, namelijk om naderhand verbrekingsvergoedingen te kunnen eisen, dan wel landbouwgrond merkelijk onder de normale prijs te kunnen kopen. Dat de bedongen verkoopprijs van de landbouwgrond van de verweerders 3 tot 10 onder de normale marktprijs lag, blijkt uit de verklaringen van de betrokken verweerders, in het bijzonder de verweerster 10, die de appelrechters geloofwaardig achten. Het arrest oordeelt verder dat de eisers I en II de feitelijke bestuurders van S.C. bv waren, dat de eiser II namens S.I.G. bv opdrachten gaf om verbrekingsvergoedingen te vorderen, dat S.C. bv in werkelijkheid het onroerend goed van de verweerders 1 en 2 niet wilde of kon aankopen en dat S.I.G. bv en haar zaakvoerster, die geen verstand had van de handel in vastgoed en wiens vertrouwen de eisers I en II hebben misbruikt, nooit akkoord zijn gegaan om onroerende goederen aan te kopen met gebruik van de werkwijze van de eisers I en II, zodat de aanvankelijke koopintentie van S.I.G. bv geen belang heeft voor wat betreft het bedrieglijke karakter van eisers’ handelen. Het arrest oordeelt ten slotte dat de eisers I en II deelachtig waren aan hetzelfde bedrieglijk opzet en elk hun deel van het vooropgestelde plan uitvoerden, zodat zij elk schuldig zijn aan alle aspecten van de lastens hen bewezen verklaarde misdrijven. Aldus stelt het arrest de in het middel betwiste feiten vast, beantwoordt het eisers’ verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I en vierde middel van de eiser II
- De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest veroordeelt de eisers I en II voor de telastlegging A van zaak 1 en C.1, C.2 en C.3 van zaak 2 zonder de aanwezigheid en het gebruik van listige kunstgrepen vast te stellen en te antwoorden op het verweer van die eisers dat listige kunstgrepen niet kunnen bestaan uit hun beschreven handelwijze, waaronder beweerdelijk het op verschillende wijzen misleiden van de verkopers met gebruik van een welbepaalde en herhaalde strategie, het gebruik van S.C. bv of S.I.G. bv als vehikel en het opnemen van clausules in de compromis die niet overeenstemmen met de werkelijkheid om vervolgens een verbrekingsvergoeding te kunnen eisen.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt. Evenmin moet de rechter de redenen van zijn redenen opgeven.
- De appelrechter mag zijn beslissing geheel of gedeeltelijk motiveren door de overname van de redenen van het beroepen vonnis die hij nog steeds passend acht om het voor hem gevoerde verweer te beantwoorden, ook al worden die redenen betwist of wordt voor hem een nieuw verweer gevoerd.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich een aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen. Het is niet vereist dat de dader zowel gebruik maakt van valse namen of hoedanigheden als dat hij listige kunstgrepen aanwendt. Een van de beide gedragingen volstaat.
- Het arrest veroordeelt de eiser I voor de telastleggingen C.1, C.2 en C.3 omdat hij zich de ondertekende compromissen door de slachtoffers heeft doen afgeven, niet enkel doordat hij de listige kunstgrepen heeft aangewend die het vermeldt, maar ook doordat hij zich bij de ondertekening van de compromissen de valse hoedanigheid van zaakvoerder van S.I.G. bv heeft aangemeten. Deze redenen, die het arrest onderbouwen, volstaan om de eiser I schuldig te verklaren aan de telastleggingen C.1, C.2 en C.3, ook al heeft de eiser I het gebruik van die valse hoedanigheid voor de appelrechters betwist. Aldus is het arrest voor wat betreft de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen C.1, C.2 en C.3 regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
- Listige kunstgrepen zoals hier bedoeld zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen, dit zijn in de regel positieve daden, met het oog op de afgifte of de levering van de zaak. Bijgevolg leveren louter leugenachtige beweringen slechts listige kunstgrepen op wanneer zij gepaard gaan met uitwendige handelingen die enige geloofwaardigheid eraan verlenen. Dergelijke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van de zaak. Niet al die praktijken moeten op zichzelf genomen voldoen aan de vereisten van een listige kunstgreep en zij moeten dus niet allemaal positieve handelingen uitmaken. Ook onthoudingen of verzwijgingen kunnen, naast een of meer uitwendige handelingen, bijdragen tot de enscenering die in zijn geheel de listige kunstgreep uitmaakt. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
- Het voorleggen van een ontwerp-verkoopovereenkomst betreffende een onroerend goed, die vals is omdat daarin bedrieglijk bedingen zijn opgenomen die in strijd zijn met de werkelijkheid, dan wel het vervalsen van die overeenkomst door dergelijke valse bedingen erop te noteren of bij te schrijven, betreft een uitwendige handeling die deel kan uitmaken van een gehele enscenering die erop is gericht om zich van kandidaat-verkopers verbintenissen toe te eigenen, wanneer ten aanzien van die kandidaat-verkopers verder wordt gehandeld zoals dat in het arrest is verhaald met de in het antwoord op het tweede en het derde middel bedoelde redenen. Op grond van die redenen, waaruit eveneens blijkt dat de globale handelwijze van de eisers I en II determinerend was voor de afgifte van de verbintenissen door de verkopers, kan het arrest dan ook wettig oordelen dat de eisers I en II de in artikel 496 Strafwetboek bepaalde bedrieglijke middelen hebben aangewend.
- Met die redenen beantwoordt het arrest eveneens het verweer van de eisers I en II en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de appelrechters tot in de bijzonderheden op elk verweer van de eisers I en II dienden in te gaan en zonder dat zij zich dienden uit te spreken over de draagwijdte van verbintenisrechtelijke bepalingen.
- In zoverre kunnen de middelen evenmin worden aangenomen.
- In zoverre de middelen voor het overige aanvoeren dat de verweerder 3, A.L. en de verweerster 11 niet zijn misleid of alleszins moesten weten wat zij parafeerden en ondertekenden zodat er rechtsgeldige verkoopovereenkomsten tot stand zijn gekomen, zijn zij afgeleid uit de in het tweede middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en zijn zij bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde middel van de eiser I en vijfde middel van de eiser II
- De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest vermeldt geen feiten waaruit blijkt dat de verweerster 11, de verweerder 3 of A.L. zich ingevolge hun leeftijd noodzakelijkerwijs in een kwetsbare toestand bevonden of waaruit noodzakelijkerwijs kan worden afgeleid dat de eisers I en II kennis zouden hebben gehad van deze kwetsbare toestand en hiervan misbruik hebben gemaakt; aldus motiveren de appelrechters het bestaan van de aangenomen verzwarende omstandigheid niet naar recht en laten zij het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
- Artikel 496, tweede lid, Strafwetboek voorziet in een strafverzwarende omstandigheid indien de feiten van oplichting “zijn gepleegd ten nadele van een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was”.
- Met de in de middelen bekritiseerde reden oordeelt het arrest: “Bij dit alles kan er geen betwisting bestaan over het feit dat het voor zowel [de verweerster 11] als [de verweerder 3 en A.L.] als particulier en niet professionele verkoper de eerste maal was dat zij een onroerend goed te koop hebben aangeboden. Binnen de voormelde constellatie van de feiten komt naar voor dat zij zich alsdan minstens ten gevolge van hun leeftijd in een kwetsbare positie bevonden en dat [de eisers I en II] daarvan duidelijk op de hoogte waren en daarvan misbruik hebben gemaakt, zodat voldaan is aan de verzwarende omstandigheid zoals bedoeld in artikel 496, lid 2 Strafwetboek.”
- Met die reden baseert het arrest de kwetsbare positie van de verweerder 3, A.L. en de verweerster 11 voornamelijk, maar niet louter op hun leeftijd. In zoverre berusten de middelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen zij feitelijke grondslag.
- Het arrest oordeelt bovendien: - “Het feit dat [de verweerder 3 en A.L.] de laatste bladzijde van de compromissen hebben ondertekend met de vermelding `gelezen en goedgekeurd', doet aan het voormelde geen afbreuk, minstens kan in deze niet worden uitgesloten dat zij de compromissen — gelet op hun leeftijd en het gegeven dat [A.L.] slechts tot haar 13 jaar naar school is geweest en niet goed kan lezen en schrijven — in de voormelde constellatie van feiten nauwelijks hebben kunnen lezen”; - “De stelling van [de eisers I en II] dat deze laatste op 21.11.2015 de compromis zou hebben voorgelezen, sluit niet uit dat de specifieke clausules nopens de EPC-waarde van de woning en het al of niet AREI-conform zijn van de elektrische installaties van de woning niet zouden zijn voorgelezen. Dit laatste vindt immers steun in de verklaring van [de verweerster 11] enerzijds en de verklaring van [P.V.] anderzijds die congruent zijn […], waarbij [de verweerster 11] bij afwezigheid van haar leesbril niet kon volgen en alles op een 20-tal minuten werd afgehandeld”.
- Het arrest oordeelt verder, voor wat betreft de verweerder 3 en A.L., dat de eisers I en II bewust de tussenkomst van hun dochter, dit is de verweerster 11, hebben vermeden. Wat P.V.S. betreft, oordeelt het arrest (p. 45 en 69) dat hij aanwezig was bij de ondertekening van de compromis en als getuige heeft meegetekend, dat hij zich niet meer kan herinneren dat de compromis in zijn geheel is voorgelezen, maar misschien wel enkele gedeelten ervan, dat het gedeelte over de attesten, de EPC-score en de schadevergoeding zeker niet ter sprake is gekomen, dat hij samen met zijn vriendin de overeenkomst te goeder trouw heeft ondertekend en dat, indien de verweerster 11 voorafgaandelijk aan de ondertekening een voorstel tot compromis had gekregen met vermelding van de clausules in strijd met de werkelijkheid, redelijkerwijze ervan kan worden uitgegaan dat zij en de getuige het nooit zouden hebben ondertekend.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de bedoelde verkopers zich in een kwetsbare positie bevonden toen zij de hen door de eisers I en II voorgelegde verkoopcompromissen ondertekenden.
- Met die redenen beantwoordt het arrest ook het verweer van de eisers I en II en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed.
- Uit de feiten van het arrest zoals vermeld in het antwoord op het tweede tot het vierde middel, blijkt bovendien dat de eisers I en II wel degelijk op de hoogte waren van de kwetsbare toestand van de toenmalige verkopers en daarvan misbruik hebben gemaakt om hen met opzettelijke onthouding van de nodige kennis van zaken overeenkomsten te doen ondertekenen waarmee zij zonder dat misbruik nooit zouden hebben ingestemd. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
- In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Zesde middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser II tot betaling aan de verweerders van een rechtsplegingsvergoeding begroot op basis van het toegekende bedrag ten belope van het basisbedrag en gaat niet in op de vraag tot herleiding van de rechtsplegingsvergoeding wegens eisers financieel onvermogen omdat “De stelling van [de eiser II] dat de toegekende rechtsplegingsvergoeding wegens zijn detentie dient herleid te worden naar het minimumbedrag niet [wordt] gehonoreerd, vermits diens detentie aan zichzelf te wijten is en niet in zijn voordeel speelt”; overeenkomstig artikel 508/13/1 Gerechtelijk Wetboek geldt dat behoudens tegenbewijs de gedetineerde wordt geacht onvermogend te zijn; of die staat van onvermogen en onvoldoende financiële draagkracht al dan niet aan zichzelf te wijten is, vormt geen wettig criterium om de vraag tot herleiding van de rechtsplegingsvergoeding op grond van de financiële draagkracht af te wijzen.
- Het arrest, dat wegens de kennelijk onredelijke situatie de rechtsplegingsvergoeding reeds berekent op het toegekende bedrag in plaats van op het gevorderde bedrag, geeft met de bekritiseerde reden te kennen dat het kennelijk onredelijk zou zijn die rechtsplegingsvergoeding nogmaals te verminderen tot het minimumbedrag wegens eisers detentietoestand die hij aan zichzelf te wijten heeft. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 461,52 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 153,84 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div