id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.18 Rolnummer: P.22.1176.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-29 Raadplegingen: 726 - laatst gezien 2026-06-15 08:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR Fiches 1 - 2 Artikel 29, § 2, eerste lid, Interneringswet bepaalt dat de zaak wordt behandeld op de eerst nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, welke plaats moet vinden uiterlijk drie maanden nadat het vonnis of het arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan; de Interneringswet voorziet niet in een sanctie bij de niet-naleving van deze termijn en uit het enkele feit dat die termijn werd overschreden, volgt niet dat op een niet-toelaatbare manier afbreuk is gedaan aan het recht op toegang tot de rechter. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Interneringswet - Artikel 29, § 2, eerste lid - Behandeling op de eerst nuttige zitting - Termijn van drie maanden - Niet-naleving van de termijn - Sanctie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, § 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Interneringswet - Artikel 29, § 2, eerste lid - Behandeling op de eerst nuttige zitting van de kamer voor bescherming van de maatschappij - Termijn van drie maanden - Niet-naleving van de termijn - Sanctie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, § 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1176.N M A G L, geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank, kamer voor de bescherming van de maatschappij, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 26 augustus 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Artikel 53, § 3, derde lid, Interneringswet bepaalt dat tegen een op grond van artikel 53 Interneringswet genomen beschikking geen rechtsmiddel open staat. 2. Artikel 78 Interneringswet bepaalt tegen welke beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij cassatieberoep open staat. Beslissingen over uitgaansvergunningen zijn daarbij niet vermeld. 3. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen een op grond van artikel 53 Interneringswet genomen beslissing en tegen de weigeringsbeslissing uitgaansvergunningen toe te kennen, is het niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, artikel 5 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 29, § 2, en 53 Interneringswet: zowel de behandeling van het op grond van artikel 53 Interneringswet ingediende verzoek als de behandeling van de zaak ten gronde zijn laattijdig, zonder dat dit aan de eiser is te wijten; de eerste zitting vond slechts plaats na het verstrijken van de termijn van drie maanden na het in kracht van gewijsde treden van de interneringsbeslissing; het vonnis vermeldt niets over die laattijdige behandeling; de eiser heeft op dit punt geen verhaalmogelijkheden; er is op een niet-toelaatbare manier afbreuk gedaan aan eisers recht van toegang tot de rechter. 5. In zoverre het onderdeel is gericht tegen een op grond van artikel 53 Interneringswet genomen beslissing, waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord. 6. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het vonnis de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 5 Gerechtelijk Wetboek schendt. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 7. In zoverre het onderdeel de wettelijke regeling van de uitvoering van de internering bekritiseert en dus niet is gericht tegen het vonnis, is het niet ontvankelijk. 8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser in een regelmatig voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij ingediende conclusie heeft aangevoerd dat de laattijdige vaststelling van de eerste zitting rechtsgevolgen had voor de door de kamer te nemen beslissing. Bij afwezigheid van een dergelijk verweer was de kamer dan ook niet ertoe gehouden in haar beslissing over die laattijdigheid standpunt in te nemen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 9. Artikel 29, § 2, eerste lid, Interneringswet bepaalt dat de zaak wordt behandeld op de eerst nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, welke plaats moet vinden uiterlijk drie maanden nadat het vonnis of het arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan. De Interneringswet voorziet niet in een sanctie bij de niet-naleving van deze termijn. Uit het enkele feit dat die termijn werd overschreden, volgt niet dat op een niet-toelaatbare manier afbreuk is gedaan aan het recht op toegang tot de rechter. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 8 EVRM en artikel 149 Grondwet: het vonnis motiveert niet waarom de zaak laattijdig werd vastgesteld noch waarom geen beslissing is genomen over de in mei 2022 gevraagde uitgaansvergunning; de motivering van de weigering van de medische uitgaansvergunning overtuigt niet en doet afbreuk aan eisers recht op een arts naar zijn keuze; de motivering is ook tegenstrijdig. 11. In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het eerste onderdeel is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen. 12. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de weigeringsbeslissing om uitgaansvergunningen toe te kennen, waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.18 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.