id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.2 Rolnummer: P.22.0515.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-29 Raadplegingen: 937 - laatst gezien 2026-06-18 21:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche De vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als bedoeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek vereist een veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar die kracht van gewijsde heeft op het ogenblik dat de nieuwe feiten worden gepleegd
(1).
(1)Cass. 5 oktober 1999, AR P.99.0695.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.12, AC 1999, nr.
- Thesaurus CAS: HERHALING Vrije woorden: Wettelijke herhaling als bedoeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 56, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0515.N G P S D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen M D, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de vaststelling van de verjaring van de strafvordering voor de enige telastlegging van de zaak IV, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 411 Strafwetboek en miskenning van het feitelijk vermoeden in strafzaken: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vastgestelde aanval van de verweerder reeds voorbij was op het ogenblik dat de eiser in zijn neus beet, omdat de verweerder was geïmmobiliseerd; uit de vastgestelde feiten blijkt dat op het moment van het bijten de eiser en de verweerder nog steeds op elkaar lagen en dus nog niet waren gescheiden; daaruit kunnen de appelrechters niet afleiden dat er geen sprake kon zijn van uitlokking omdat de vrije wil van een normaal redelijk persoon nog is aangetast zo kort na die aanval en immobilisering; de eiser kon nog reactief verwondingen aan de verweerder toebrengen, die onder de toepassing van artikel 411 Strafwetboek vallen; de vaststelling dat de aanval door het slachtoffer reeds voorbij was, laat niet toe om het gedrag van de eiser niet als een vorm van uitlokking te beschouwen (eerste onderdeel); het arrest miskent het begrip feitelijk vermoeden door uit het feit dat de aanval door de verweerder reeds voorbij was, af te leiden dat van uitlokking geen sprake meer kon zijn (tweede onderdeel).
- Het middel dat in zijn beide onderdelen formeel een wetsschending aanvoert, verplicht in werkelijkheid tot een onderzoek van feiten of komt op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 65 Strafwetboek: het arrest onderzoekt wel de eenheid van opzet tussen eensdeels de feiten waarvoor de eiser bij in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 juni 2019 werd veroordeeld en anderdeels de feiten van de telastleggingen van de zaken I en II, maar het laat na de eenheid van opzet te onderzoeken tussen eensdeels het feit van de telastlegging F van de zaak III dat zich situeert op 10 juni 2019, dit is ook vóór het in kracht van gewijsde getreden vonnis van 21 juni 2019 en anderdeels de met dit vonnis bestrafte feiten.
- Uit de loutere omstandigheid dat het arrest niet de eenheid van opzet aanneemt met de feiten waarvoor de eiser bij definitief vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 juni 2019 reeds werd veroordeeld, kan niet worden afgeleid dat de appelrechters dit niet hebben onderzocht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek eenheid van opzet bestaat tussen reeds beoordeelde feiten en nog te beoordelen feiten. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die beoordeling, is het niet ontvankelijk.
- Bij afwezigheid van een daartoe strekkend specifiek verweer, kan de rechter de beslissing over het bestaan van eenheid van opzet tussen reeds beoordeelde en nog te beoordelen feiten regelmatig met redenen omkleden met de enkele vaststelling dat er geen of wel eenheid van opzet bestaat. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zijn appelconclusie heeft de eiser op algemene wijze verzocht alle hem ten laste gelegde feiten te beoordelen als de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet, onderling en met de reeds door het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 juni 2019 beoordeelde feiten. Bij gebreke van nadere motivering daartoe moeten de appelrechters hun oordeel dat het feit omschreven onder de telastlegging F van de zaak III niet te beschouwen is als de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet met de reeds door de beslissing van 21 juni 2019 beoordeelde feiten, niet nader met redenen omkleden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het stelt enerzijds vast dat er eenheid van opzet is tussen de feiten van de telastleggingen van de zaken I en II en de reeds door het definitieve vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 juni 2019 beoordeelde feiten, terwijl het anderzijds deze eenheid van opzet niet aanneemt voor wat betreft het feit van de telastlegging F van de zaak III; nochtans stoelt het arrest de aangenomen eenheid van opzet ten aanzien van de telastleggingen van de zaken I en II op het oordeel dat de agressieproblematiek en het gebrek aan impulscontrole, in combinatie met de drugproblematiek, aan de basis liggen van de thans te beoordelen feiten en onverminderd zijn blijven voortbestaan tot maart 2019 en zelfs daarna.
- Tegenstrijdig zijn redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar opheffen of teniet doen.
- Het arrest (p. 20-21) motiveert het aannemen van de eenheid van opzet tussen de feiten voorwerp van de zaken I en II en de feiten welke werden bestraft met het vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 juni 2019 als volgt: - de huidige feiten betreffen net als de feiten die het voorwerp uitmaken van het definitief vonnis van 21 juni 2019 geweldsdelicten met verzwarende omstandigheden; - de feiten voorwerp van het vonnis van 21 juni 2019 situeren zich in de periode van 28 februari 2016 tot en met 10 juli 2017, terwijl de feiten van de zaken I en II zich respectievelijk situeren op 26 november 2017 en 27 maart 2019; - ook al is er een tijdshiaat van ongeveer 16 maanden tussen de beide laatst vermelde feiten, is het hof van beroep ervan overtuigd dat de agressieproblematiek en het gebrek aan impulscontrole in combinatie met een drugproblematiek bij de eiser, die aan de basis liggen van de feiten, onverminderd aanwezig bleven tot maart 2019 en zelfs daarna.
- Het arrest (p. 22) oordeelt na een beschrijving van de feiten van de telastleggingen A (opzettelijke slagen met verzwarende omstandigheid), B (vernieling van afsluitingen), C (beschadiging van andermans onroerend goed), D (vernieling van een voertuig), E (inbreuk op de wapenwet) en F (inbreuk op de Drugwet, bezit van cocaïne) van de zaak III dat het bezit en het gebruik van de harddrug cocaïne een belangrijke overlast betekenen voor de samenleving vermits deze de volksgezondheid manifest ernstig in gevaar brengen, met een aanzienlijke maatschappelijke kost en overlast tot gevolg, alsook dat drugverslavingen op hun beurt andere misdrijven uitlokken zoals diefstallen en geweldplegingen, zodat de openbare veiligheid in het gedrang komt. Het neemt geen eenheid van opzet aan tussen de feiten van de zaak III en de feiten voorwerp van het vonnis van 21 juni
- Die redenen heffen elkaar niet op en doen elkaar niet teniet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt wettelijke herhaling aan voor de telastleggingen A tot en met F van de zaak III, terwijl het vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 juni 2019 geen kracht van gewijsde had op het ogenblik van de feiten van de telastleggingen A tot en met E van de zaak III en nog niet was geveld op het ogenblik dat het feit van de telastlegging F van de zaak III werd gepleegd.
- Artikel 56, eerste en tweede lid, Strafwetboek bepaalt: “Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld. Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is.”
- De vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als bedoeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek vereist een veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar die kracht van gewijsde heeft op het ogenblik dat de nieuwe feiten worden gepleegd.
- Het arrest (p. 23) oordeelt dat het definitieve vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 juni 2019 de basis is voor het aannemen van de wettelijke herhaling. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenwel dat dit vonnis op het ogenblik van de feiten van de telastleggingen A tot en met E van de zaak III geen kracht van gewijsde had en dat het nog niet was geveld op het ogenblik dat het feit van de telastlegging F van de zaak III werd gepleegd. Aldus is deze beslissing niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing wettelijke herhaling aan te nemen voor de feiten van de zaak III, leidt tot de vernietiging van de voor die feiten aan de eiser opgelegde bestraffing, met inbegrip van de veroordeling tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Het laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de toestand van wettelijke herhaling aanneemt voor de feiten van de telastleggingen A tot en met F van de zaak III en de eiser voor die feiten veroordeelt tot straf en een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 563,41 euro, waarvan 281,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div