id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Artikel 71 - Beroep bij de rechterlijke macht - Voorwaarden - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Maatregel van vrijheidsberoving - Vreemdelingenwet - Artikel 74/6, § 1 - Wettigheidscontrole - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Vreemdelingen - Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Artikel 74/6, § 1 - Wettigheidscontrole - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden Vrije woorden: Vreemdelingen - Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Artikel 74/6, § 1 - Wettigheidscontrole - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: Vreemdelingen - Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Strijdigheid met artikel 5.4. EVRM - Recht op vergoeding - Artikel 27 Wet 13 maart 1973 - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1122.N I M B, vreemdeling, eiser, met als raadsman mr. Luc Denys, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1030 Brussel, Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, tussenkomende partij, verweerder. Nr. P.22.1181.N II M B, reeds vermeld, vreemdeling, eiser, met als raadsman mr. Luc Denys, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1030 Brussel, Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, reeds vermeld, tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep in de zaak P.22.1122.N (hierna de zaak I) is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 augustus 2022 (hierna arrest I). De eiser voert in de zaak I in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft in de zaak I op 31 augustus 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 september 2022 heeft raadsheer Filip Van Volsem in de zaak I verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. Het cassatieberoep in de zaak P.22.1181.N (hierna de zaak II) is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 augustus 2022 (hierna arrest II), gewezen op verwijzing bij arrest P.22.1042.N van 9 augustus
- De eiser voert in de zaak II in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op de rechtszitting van 27 september 2022 heeft raadsheer Filip Van Volsem in de zaak II verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Alain Winants geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - tegen de eiser werd op 15 februari 2022 een bestuurlijke beslissing van vrijheidsberoving genomen (beslissing tot vasthouding op een welbepaalde plaats op grond van artikel 74/6, § 1, Vreemdelingenwet); - bij beslissing van 14 april 2022 werd de vrijheidsberoving een eerste keer verlengd en dit voor een termijn van twee maanden, dit wil zeggen tot en met 14 juni 2022 (beslissing tot verlenging van vasthouding op een welbepaalde plaats op grond van artikel 74/6, § 1, 4°, Vreemdelingenwet); - bij beschikking van de raadkamer van 27 april 2022 werd eisers verzoek tot invrijheidstelling ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen die beschikking werd bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling ongegrond verklaard. Het cassatieberoep van de eiser tegen dit arrest werd bij arrest P.22.0696.N van het Hof van 26 juni 2022 verworpen; - bij beslissing van 14 juni 2022 werd de vrijheidsberoving een tweede keer verlengd en dit voor een termijn van een maand, dit wil zeggen tot en met 14 juli 2022 (beslissing tot verlenging van vasthouding in een welbepaalde plaats op grond van artikel 74/6, § 1, 4°, Vreemdelingenwet); - bij beschikking van de raadkamer van 27 juni 2022 werd de verlengingsbeslissing van 14 juni 2022 wettig verklaard. Het hoger beroep van de eiser tegen die beschikking werd bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 12 juli 2022 ongegrond verklaard. Het Hof heeft bij arrest P.22.1047.N van 9 augustus 2022 het arrest van 12 juli 2022 vernietigd wegens een motiveringsgebrek en de zaak verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld; - bij de beslissing van 14 juli 2022 werd de vrijheidsberoving een derde keer verlengd en dit voor een termijn van een maand, dit wil zeggen tot en met 14 augustus 2022 (beslissing tot verlenging van vasthouding in een welbepaalde plaats op grond van artikel 74/6, § 1, 4°, Vreemdelingenwet); - bij beschikking van de raadkamer van 25 juli 2022 werd de derde verlengingsbeslissing van 14 juli 2022 wettig verklaard. Met het arrest I heeft de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen het hoger beroep van de eiser tegen deze beschikking ongegrond verklaard. Het is tegen dit arrest I dat de eiser in de zaak I het cassatieberoep I heeft ingesteld; - de eiser werd op 12 augustus 2022 in vrijheid gesteld; - met het arrest II heeft de kamer van inbeschuldigingstelling, na het verwijzingsarrest P.22.1047.N van het Hof van 9 augustus 2022, geoordeeld dat eisers hoger beroep tegen de raadkamerbeschikking van 27 juni 2022 zonder voorwerp was gelet op de invrijheidstelling van de eiser op 12 augustus
- Het is tegen dit arrest II dat de eiser in de zaak II het cassatieberoep II heeft ingesteld. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging van de zaken I en II
- In het belang van een goede rechtsbedeling worden deze zaken gevoegd. Voorwerp van het cassatieberoep I
- De eiser voert in de zaak I aan dat zijn vrijlating op 12 augustus 2022 niet tot gevolg heeft dat het cassatieberoep I zonder voorwerp is. Volgens de eiser volgt uit artikel 5.4 EVRM en het daarin vervatte recht op een effectief beroep een recht op een definitieve uitspraak over de wettigheid van zijn vrijheidsberoving die heeft geduurd van 15 februari 2022 tot 12 augustus
- Uit de voormelde feitelijke gegevens blijkt dat over de wettigheid van de bestuurlijke vrijheidsberoving van de eiser reeds op definitieve wijze is geoordeeld voor de periode van 15 februari 2022 tot en met 14 juni
- In zoverre de eiser het tegendeel aanvoert, mist zijn verweer feitelijke grondslag.
- Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door arrestatie van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft om voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.
- Die bepaling is ook van toepassing op vreemdelingen die krachtens de Vreemdelingenwet van hun vrijheid worden beroofd door een administratieve overheid. De van zijn vrijheid beroofde vreemdeling moet de wettigheid van zijn vrijheidsberoving op korte termijn kunnen laten toetsen door een rechter. Dit houdt in dat een rechter op korte termijn definitief beslist of de vrijheidsberoving al dan niet wettig is. Rechterlijke beslissingen die de wettigheid zelf niet beoordelen, zoals een vernietiging wegens een motiveringsgebrek of een onbevoegdheid, zijn geen dergelijke definitieve beslissingen, ook al kunnen ze in aanmerking worden genomen voor de invulling van het begrip korte termijn.
- Uit deze verdragsbepaling zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (M.D t. België, nr. 56028/10, 14 november 2013, ro 44; Firoz Muneer t. België, 11 april 2013, nr. 56005/10, ro 86; Muhammad Saqawat t. België, nr; 54962/18, 30 juni 2020, ro 75), volgt bovendien dat het feit van de invrijheidstelling van een vreemdeling, die op het ogenblik dat hij van zijn vrijheid was beroofd aan een rechter heeft gevraagd om de wettigheid van die vrijheidsberoving te toetsen of tegen een dergelijke toetsingsbeslissing een rechtsmiddel heeft aangewend, niet tot gevolg heeft dat dit verzoek of het ter zake ingediende rechtsmiddel zonder voorwerp is.
- De rechter bij wie een verzoek aanhangig is tot beoordeling van de wettigheid van de vrijheidsberoving van een vreemdeling of van een rechtsmiddel tegen een beslissing die uitspraak doet over die wettigheid, moet indien hij daartoe door de inmiddels in vrijheid gestelde vreemdeling uitdrukkelijk is uitgenodigd, zich uitspreken over de wettigheid van de vrijheidsberoving. Hij kan de beoordeling van het verzoek of van het ingestelde rechtsmiddel niet zonder voorwerp verklaren op de enkele grond dat de vreemdeling niet langer van zijn vrijheid is beroofd.
- De voormelde verdragsrechtelijke verplichting primeert op artikel 71 Vreemdelingenwet dat het beroep bij de rechterlijke macht enkel verleent aan de vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel van vrijheidsberoving.
- Ook de mogelijkheid die een in vrijheid gestelde vreemdeling heeft om de wettigheid van de niet langer bestaande vrijheidsberoving te laten toetsen door de burgerlijke rechter met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding, ontslaat het onderzoeksgerecht en dit Hof niet van de uit artikel 5.4 EVRM voortvloeiende verplichting om op korte termijn te oordelen over de wettigheid van een bestuurlijke vrijheidsberoving van een vreemdeling of over een ter zake ingesteld rechtsmiddel, voor zover de vreemdeling dat verzoek tot wettigheidsbeoordeling heeft geformuleerd of dat rechtsmiddel heeft ingesteld op een ogenblik dat hij nog van zijn vrijheid was beroofd en hij de aangezochte rechter uitdrukkelijk verzoekt om niettegenstaande de invrijheidstelling de wettigheid van de ondergane vrijheidsberoving te toetsen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser op het ogenblik van het instellen van zijn cassatieberoep van zijn vrijheid was beroofd; - de eiser, niettegenstaande zijn invrijheidstelling, het Hof uitdrukkelijk heeft verzocht uitspraak te doen over het cassatieberoep I gericht tegen het arrest I, dat de wettigheid van eisers vrijheidsberoving heeft beoordeeld.
- Het Hof kan bijgevolg het cassatieberoep I van de eiser niet zonder voorwerp verklaren op grond van zijn invrijheidstelling, maar moet dit cassatieberoep beoordelen. Middel in het cassatieberoep I
- Het middel voert schending aan van artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer over het niet-bestaan van een internationaal aanhoudingsbevel van Interpol Turkije, over de kritiek op de rapporten van de Staatsveiligheid, over de niet-betrokkenheid van de eiser bij de vennootschap die een Antwerpse moskee financiert en over het niet-actueel karakter van het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
- De eiser heeft in zijn appelconclusie (p. 5-7, randnummer 1.1-1.4) een gedetailleerd verweer gevoerd betreffende de verwijzing naar een door Turkije uitgevaardigd internationaal aanhoudingsbevel, de uit verslagen van de Staatsveiligheid blijkende betrokkenheid van de eiser bij de militaire vleugel van de Turkse Hezbollah en over zijn betrokkenheid bij de financiering van een Antwerpse moskee en dit als grondslag voor het gevaar voor de nationale veiligheid en de openbare orde als bedoeld in artikel 74/6, § 1, eerste lid, 4°, Vreemdelingenwet.
- Het arrest beantwoordt noch door overname van de redenen van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal van 29 juli 2022, van de verlengingsbeslissing van 14 juli 2022 en van het verzoekschrift van 19 juli 2022 tot wettigverklaring van die verlengingsbeslissing, noch met eigen redenen, dit verweer. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van het arrest I leidt tot de vernietiging van het arrest II, gelet op het nauw verband tussen beide beslissingen.
- Aangezien reeds op definitieve wijze is geoordeeld over de wettigheid van eisers vrijheidsberoving voor de periode van 15 februari 2022 tot en met 14 juni 2022, dient de rechter op verwijzing enkel de wettigheid te beoordelen van eisers vrijheidsberoving voor de periode vanaf 15 juni 2022 tot 12 augustus
- Dictum Het Hof, Voegt de zaken I en II samen. Vernietigt de bestreden arresten I en II. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van de vernietigde arresten I en II. Houdt de beslissing over de kosten aan. Verwijst de zaken I en II naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.21 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221215.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div