← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.23 Rolnummer: P.22.1195.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-29 Raadplegingen: 876 - laatst gezien 2026-06-18 20:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 4 Artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd in geval de strafvordering of de straf is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten en de beide in dat artikel vermelde voorwaarden zijn cumulatief, zodat ingeval van territoriale of extraterritoriale onbevoegdheid van de Belgische gerechten, de verjaring van de strafvordering of de straf niet meer moet worden gecontroleerd, waarbij de beoordeling van de voormelde bevoegdheid betrekking heeft op de vervolgbaarheid in België van de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen; overeenkomstig artikel 7, § 2, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zijn de Belgische gerechten niet bevoegd zijn voor feiten gepleegd door een buitenlander in het buitenland en ten opzichte van buitenlandse benadeelden en dit zonder aangifte door de slachtoffers of de vreemde overheid

(1).
(1)Cass. 17 november 2020, AR P.20.1127.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.15, AC 2020, nr. 708; Cass. 22 januari 2014, AR P.14.0065.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140122.1, AC 2014, nr. 55 en concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging in België - Verplichte weigeringsgrond - Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Verjaring van de strafvordering of van de straf - Bevoegdheid van de Belgische gerechten tot kennisname van de feiten - Cumulatieve voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 7, § 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Allerlei Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging in België - Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Verplichte weigeringsgrond inzake de verjaring van de strafvordering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 7, § 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Straf - Allerlei Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging in België - Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Verplichte weigeringsgrond inzake de verjaring van de straf - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 7, § 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging in België - Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Verplichte weigeringsgrond inzake de bevoegdheid van de Belgische gerechten tot kennisname van de feiten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 7, § 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 5 Artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel maakt geen onderscheid tussen een Belgische onderdaan en een niet-Belgische ingezetene in België en zij kunnen zich beiden beroepen op de in deze bepaling opgenomen weigeringsgrond voor zover is voldaan aan de erin vermelde voorwaarden. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging in België - Verplichte weigeringsgrond - Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Onderscheid tussen een Belgische onderdaan en een niet-Belgische ingezetene in België - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1195.N I en II K K B, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 september
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  2. In strafzaken kan volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering een partij zich in de regel geen tweede maal tegen dezelfde beslissing in cassatie voorzien. De raadsman van eiser tekent op 12 september 2022 ter griffie en de eiser zelf op 13 september 2022 in de gevangenis cassatieberoep aan tegen het arrest. Het op 13 september 2022 aangetekende cassatieberoep is niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel: het beroepen vonnis en het arrest oordelen ten onrechte dat de Belgische rechtbanken niet bevoegd zijn; de eiser heeft de Poolse nationaliteit, maar verblijft sinds 15 jaar in België en heeft recht op verblijf; de tenuitvoerlegging van de Poolse straf is bijgevolg in België wel mogelijk en de strafuitvoeringsrechter zou, gezien de eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, bevoegd kunnen zijn; artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel maakt geen onderscheid tussen Belgische inwoners en EU- ingezetenen in België. De eiser verzoekt het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel de artikelen 10, 11 en 12 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, in zoverre een in België ingezetene, anders dan een Belgische onderdaan, de verjaring van een in het buitenland uitgesproken en naar Belgisch recht verjaarde straf niet kan inroepen als verplichte weigeringsgrond omdat het inroepen van de verjaring afhankelijk wordt gesteld van het al dan niet bevoegd zijn van de Belgische gerechten om kennis te nemen van de feiten die ten grondslag liggen aan de feiten die tot de in het buitenland uitgesproken straf hebben geleid ?”
  4. In zoverre het middel ook gericht is tegen het beroepen vonnis, is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.
  5. Artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd in geval de strafvordering of de straf is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten.
  6. De beide in artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel vermelde voorwaarden zijn cumulatief, zodat ingeval van territoriale of extraterritoriale onbevoegdheid van de Belgische gerechten, de verjaring van de strafvordering of de straf niet meer moet worden gecontroleerd. De beoordeling van de voormelde bevoegdheid heeft betrekking op de vervolgbaarheid in België van de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen.
  7. De artikelen 6 tot en met 14 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepalen in welke gevallen vervolging in België mogelijk is voor in het buitenland gepleegde misdaden of wanbedrijven.
  8. Volgens artikel 7, § 2, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is vervolging van een Belg of een persoon die zijn hoofdverblijfplaats heeft in België en die zich in het buitenland schuldig heeft gemaakt aan een feit dat volgens de Belgische wet misdaad of wanbedrijf wordt genoemd en dat eveneens strafbaar is volgens de wet van het land waar het is gepleegd, mogelijk indien het misdrijf is gepleegd tegen een vreemdeling, voor zover er een vordering is van het openbaar ministerie en de vervolging wordt voorafgegaan door een klacht van de benadeelde vreemdeling of van zijn familie ofwel door een officieel bericht aan de Belgische overheid door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd.
  9. Het Europees aanhoudingsbevel, waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, werd door een Poolse bevoegde overheid uitgevaardigd ter uitvoering van een gevangenisstraf van twee jaar die werd opgelegd voor diefstallen die werden gepleegd te Polen en volgens het arrest ten nadele van niet-Belgen.
  10. Het arrest oordeelt dat de Belgische gerechten niet bevoegd zijn voor deze feiten aangezien ze werden gepleegd door een buitenlander in het buitenland en ten opzichte van buitenlandse benadeelden en dit zonder aangifte door de slachtoffers of de vreemde overheid. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  11. Artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel maakt geen onderscheid tussen een Belgische onderdaan en een niet-Belgische ingezetene in België. Zij kunnen zich beiden beroepen op de in deze bepaling opgenomen weigeringsgrond voor zover is voldaan aan de erin vermelde voorwaarden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. De prejudiciële vraag die eveneens uitgaat van deze onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140122.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.