← België

PROCUREUR DES KONINGS TE LEUVEN contra N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.5 Rolnummer: P.22.0544.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS TE LEUVEN contra N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-09-29 Raadplegingen: 1205 - laatst gezien 2026-06-18 20:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.5 Fiches 1 - 2 De door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde toestand van bijzondere herhaling vereist het bestaan van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor een van de in die bepaling vermelde overtredingen, welke aan de nieuwe overtreding voorafgaat vermits het definitief karakter van de als grondslag voor de toestand van bijzondere herhaling aangevoerde veroordeling tot de essentie van het begrip herhaling behoort; de termijn van drie jaar waarbinnen de nieuwe overtreding moet zijn gepleegd, gaat in op het tijdstip waarop de veroordeling, welke de grondslag vormt voor de toepassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, kracht van gewijsde verkrijgt aangezien de bedoeling van de wetgever om de verkeersveiligheid te verhogen door het invoeren van een regime waardoor een veroordeelde voor één van de in die bepaling vermelde overtredingen ingeval van het plegen van een nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar, verplicht moet worden veroordeeld tot het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van minstens drie maanden, waarbij het herstel van dit recht afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in de vier onderzoeken en examens, enkel kan worden bereikt door zo het beginpunt van de driejarige termijn te bepalen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERHALING Vrije woorden: Bijzondere herhaling - Wegverkeerswet - Artikel 38, § 6 - Voorwaarden - Vroegere veroordeling in kracht van gewijsde voor één van de overtredingen vermeld in de bepaling - Nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar - Tijdstip waarop de termijn van drie jaar ingaat - Doelstelling van de wetgever - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Artikel 38, § 6 - Bijzondere herhaling - Voorwaarden - Vroegere veroordeling in kracht van gewijsde voor één van de overtredingen vermeld in de bepaling - Nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar - Tijdstip waarop de termijn van drie jaar ingaat - Doelstelling van de wetgever - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Annotaties Publicaties: For.ass.-Forum de l'assurance - 2023, n° 235, p. 118-
  1. - ALEXANDRE, Ariane; Note'La récidive visée par l'article 38, § 6, de la loi du 16 mars 1968, tonneau des danaïdes de la controverse?' Tekst van de beslissing Nr. P.22.0544.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, eiser, tegen R N, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Barbara Wydooghe, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 24 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Alain Winants heeft op 24 augustus 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 27 september 2022 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis heeft nagelaten de in deze bepaling vermelde bijzondere toestand van herhaling aan te nemen omdat er meer dan drie jaar was verstreken tussen het vonnis dat als grondslag diende voor die toestand en de thans vervolgde feiten, terwijl de termijn van drie jaar pas aanvangt op de datum van het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis; aangezien de thans vervolgde feiten dateren van 18 november 2020 en het verstekvonnis van 8 november 2017 dat als grondslag diende voor de toestand van verzwaring aan de eiser pas werd betekend op 18 januari 2018 en dus kracht van gewijsde heeft verkregen op 19 februari 2018, werden de thans vervolgde feiten gepleegd binnen de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde termijn van drie jaar.
  4. Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de rechter ingeval van een nieuwe overtreding wegens één van de in die bepaling vermelde artikelen, binnen de drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan wegens één van de in die bepaling vermelde artikelen, het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van minstens drie maanden moet uitspreken en het herstel van het recht tot besturen afhankelijk moet maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, Wegverkeerswet.
  5. Ook de door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde toestand van bijzondere herhaling vereist het bestaan van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor een van de in die bepaling vermelde overtredingen, welke aan de nieuwe overtreding voorafgaat. Het definitief karakter van de als grondslag voor de toestand van bijzondere herhaling aangevoerde veroordeling behoort immers tot de essentie van het begrip herhaling.
  6. De termijn van drie jaar waarbinnen de nieuwe overtreding moet zijn gepleegd, gaat in op het tijdstip waarop de veroordeling, welke de grondslag vormt voor de toepassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, kracht van gewijsde verkrijgt. De bedoeling van de wetgever om de verkeersveiligheid te verhogen door het invoeren van een regime waardoor een veroordeelde voor één van de in die bepaling vermelde overtredingen ingeval van het plegen van een nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar, verplicht moet worden veroordeeld tot het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van minstens drie maanden, waarbij het herstel van dit recht afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in de vier onderzoeken en examens, kan enkel worden bereikt door zo het beginpunt van de driejarige termijn te bepalen.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de eiser werd bij verstekvonnis van de politierechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 8 november 2017 wegens een overtreding van artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet veroordeeld; - dit vonnis werd aan de eiser betekend op 18 januari 2018; - tegen dit vonnis werd geen rechtsmiddel aangewend, zodat die beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen op 18 februari 2018; - de eiser wordt thans vervolgd voor en schuldig verklaard aan onder meer een op 18 november 2020 gesitueerde inbreuk op artikel 22, § 1, eerste lid, WAM.
  8. Het bestreden vonnis dat als aanvangsdatum van de driejarige herhalingstermijn van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet de datum van het verstekvonnis van 8 november 2017 in aanmerking neemt en oordeelt dat de thans vervolgde overtreding van artikel 22, § 1, eerste lid, WAM werd gepleegd buiten de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde herhalingstermijn van drie jaar welke een einde nam op 8 november 2020 en aldus deze toestand van bijzondere herhaling verwerpt, is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde toestand van bijzondere herhaling en de eiser veroordeelt tot een vervallenverklaring van het recht motorvoertuigen te besturen gedurende een termijn van één maand. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat de helft van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 126,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250430.2F.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250521.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.