← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Openbaar ministerie - Mondelinge conclusie - Conclusietermijnen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Openbaar ministerie - Mondelinge conclusie - Conclusietermijnen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Mondelinge conclusie - Conclusietermijnen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 8 - 11 Een partij in een strafprocedure, met inbegrip van het openbaar ministerie, is niet verplicht haar verweer of standpunt te verwoorden in een schriftelijke conclusie, ook niet wanneer haar daartoe de gelegenheid is geboden bij een beslissing alvorens recht te doen op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering; het feit dat een partij geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid, belet haar niet om haar verweer te voeren of haar standpunt kenbaar te maken in een louter mondelinge uiteenzetting op de rechtszitting

(1).
(1)Cass. 14 november 2017, AR P.16.0973.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1, AC 2017, nr. 638 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Openbaar ministerie - Conclusietermijnen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Openbaar ministerie - Schriftelijke conclusie - Conclusietermijn - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Openbaar ministerie - Schriftelijke conclusie - Conclusietermijnen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Schriftelijke conclusie - Conclusietermijnen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 12 - 16 Het openbaar ministerie dat uitsluitend mondeling ter rechtszitting vordert kan de andere partijen in het strafproces verrassen door in deze vordering, met kennis van de reeds neergelegde schriftelijke conclusies van die partijen, redelijkerwijze door hen niet te verwachten argumenten aan te voeren met een mogelijke gewichtige impact op de uitkomst van de zaak maar een loutere repliek op het schriftelijke verweer van beklaagden, al is dat een procedureel verweer, maakt nog geen redelijkerwijze niet te verwachten argument van het openbaar ministerie uit; de rechter bepaalt in de regel onaantastbaar of en in welke mate de gezegden van het openbaar ministerie in zijn mondelinge vordering ter rechtszitting vereisen dat andere partijen daarop desgevraagd kunnen repliceren met navolgende conclusies of op navolgende rechtszittingen en de rechter houdt daarbij rekening met alle dienstige omstandigheden, waaronder het belang van de zaak voor de partijen, het procesverloop, het aantal partijen en hun onderscheiden verweermiddelen, het vereiste om de zaak binnen een redelijke termijn af te handelen, het gevaar voor rechtsmisbruik en het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van alle partijen

(1).
(1)Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0729.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.26. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Strafvordering - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Berechting binnen een redelijke termijn - Conclusietermijnen - Verstrijken van de conclusietermijnen - Mondeling requisitoir van het openbaar ministerie - Recht van de andere partijen om te repliceren - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 17 - 19 Noch het feit dat de rechter geen bijkomende conclusietermijn verleent aan de partij die op haar beurt wil repliceren op een mondelinge repliek van het openbaar ministerie op haar schriftelijk verweer, noch de omstandigheid dat de rechter een partij die een andere regeling wenst enkel de gelegenheid geeft haar pleidooi te voeren op dezelfde rechtszitting als deze waarop het openbaar ministerie mondeling heeft gevorderd en hij de pleitduur van die partij op een volgende rechtszitting beperkt tot wat redelijkerwijze moet volstaan voor een bijkomende repliek op die vordering, noch het feit dat de rechter zijn beslissing inhoudelijk niet motiveert of zich daarover slechts kort beraadt, laten toe bij die rechter een gebrek aan onpartijdigheid te vermoeden; de wrakingsrechter oordeelt onaantastbaar in feite of een gebrek aan objectieve of subjectieve onpartijdigheid van de gewraakte rechter kan worden afgeleid uit zijn houding en zijn beslissingen na een verzoek van een partij om te beschikken over bijkomende faciliteiten met het oog op een repliek op de mondelinge vordering van het openbaar ministerie ter rechtszitting
(1).
(1)Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0729.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Strafzaken - Gewettigde verdenking - Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek - Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de magistraat - Beslissing van de rechter tot weigering van een bijkomende conclusietermijn om te repliceren op het openbaar ministerie - Beslissing van de rechter om aan de partij enkel de gelegenheid te geven haar pleidooi te houden op de zitting waarop het openbaar ministerie mondeling heeft gevorderd - Beperking van de pleitduur van de partij op een volgende rechtszitting - Geen inhoudelijke motivering van de beslissing - Kort beraad over de beslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht - Beslissing van de rechter tot weigering van een bijkomende conclusietermijn om te repliceren op het openbaar ministerie - Beslissing van de rechter om aan de partij enkel de gelegenheid te geven haar pleidooi te houden op de zitting waarop het openbaar ministerie mondeling heeft gevorderd - Beperking van de pleitduur van de partij op een volgende rechtszitting - Geen inhoudelijke motivering van de beslissing - Kort beraad over de beslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wraking - Strafzaken - Objectieve of subjectieve onpartijdigheid van de gewraakte rechter - Beslissing van de rechter tot weigering van een bijkomende conclusietermijn om te repliceren op het openbaar ministerie - Beslissing van de rechter om aan de partij enkel de gelegenheid te geven haar pleidooi te houden op de zitting waarop het openbaar ministerie mondeling heeft gevorderd - Beperking van de pleitduur van de partij op een volgende rechtszitting - Geen inhoudelijke motivering van de beslissing - Kort beraad over de beslissing - Beoordeling door de wrakingsrechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0739.N I K N, beklaagde, mede-opgeroepene, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen, II R R, beklaagde, verzoeker tot wraking, eiser, met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Afrikastraat 92, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 23 mei
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  3. Artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Over de wraking wordt binnen acht dagen in laatste aanleg uitspraak gedaan door de rechtbank van eerste aanleg, door het hof van beroep, door het arbeidshof of door het Hof van Cassatie, naar gelang van het geval, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen.”
  4. Die bepaling beoogt voor de rechter die over de wraking uitspraak moet doen een tegensprekelijke procedure te organiseren zowel ten aanzien van de wrakende partij als ten aanzien van de overige partijen in het hoofdgeding, welke behoorlijk dienen te worden opgeroepen. Al die partijen hebben het recht om voor de rechter die over het wrakingsverzoek uitspraak doet, mondeling of door geschriften opmerkingen te maken over de in de wrakingakte aangevoerde middelen, over de antwoorden van de gewraakte magistraat onderaan de wrakingsakte en over de conclusie van het openbaar ministerie. Uit die bepaling volgt evenwel niet dat niet-wrakende partijen, beklaagden in de procedure te gronde, cassatieberoep kunnen instellen tegen de beslissing waarbij het wrakingsverzoek van een andere beklaagde wordt afgewezen. Het cassatieberoep van de eiser I is niet ontvankelijk.
  5. De middelen van de eiser I hebben geen betrekking op de ontvankelijkheid van zijn cassatieberoep en behoeven bijgevolg geen antwoord. Middel van de eiser II
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: geconfronteerd met de handelwijze van het openbaar ministerie, dat geen gebruik heeft gemaakt van de hem verleende conclusietermijn maar enkel in zijn mondelinge vordering op de rechtszitting van 20 april 2022 heeft geantwoord op eisers bij schriftelijke conclusie gevoerde verweer, hebben de gewraakte rechters na slechts een kort beraad ongemotiveerd geweigerd de eiser II een bijkomende conclusietermijn toe te staan en hebben zij zijn pleitduur op de tweede pleitdatum van 25 april 2022 eenzijdig beperkt tot tien minuten, hoewel eisers advocaat had aangegeven dat hij niet wilde pleiten op de eerste pleitdatum van 20 april 2022 maar zijn ganse pleidooi met inbegrip van de repliek op de mondelinge vordering van het openbaar ministerie wilde voeren op de rechtszitting van 25 april 2022; aldus hebben de gewraakte rechters de verdedigingsmogelijkheden van de eiser II drastisch ingeperkt en zich vooringenomen betoond over eisers verweer met betrekking tot de schuld; het arrest kan uit de vastgestelde feiten niet wettig afleiden dat deze houding van de gewraakte rechters geen miskenning inhoudt van hun objectieve en subjectieve plicht tot onpartijdigheid, waardoor hun wraking wegens gewettigde verdenking is vereist; ook is de beslissing onvoldoende gemotiveerd en beantwoordt zij eisers verweer niet.
  7. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  8. Volgens artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek kan iedere rechter worden gewraakt wegens gewettigde verdenking. Er is gewettigde verdenking indien de aangevoerde feiten bij de verzoeker tot wraking, de partijen en derden de verdenking kunnen wekken dat de magistraat niet langer op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen. Die verdenking moet evenwel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot bewijs van het tegendeel wordt de rechter bovendien vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen.
  9. Het behoort tot het normale procesverloop voor de strafrechter dat het openbaar ministerie op de rechtszitting waarop de zaak voor behandeling is vastgesteld, mondeling de toepassing van de wet vordert en zijn standpunt over de zaak weergeeft, met inbegrip van zijn eventuele repliek op het hem op dat moment gekende verweer van de andere partijen, waarna de beklaagden in mondelinge pleidooien hun verweer kunnen voeren en daarbij zo nodig het standpunt van het openbaar ministerie kunnen weerleggen. Niets vereist dat het openbaar ministerie zijn vordering reeds uitbrengt vooraleer aan partijen conclusietermijnen worden toegestaan op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering.
  10. Een partij in een strafprocedure, met inbegrip van het openbaar ministerie, is niet verplicht haar verweer of standpunt te verwoorden in een schriftelijke conclusie, ook niet wanneer haar daartoe de gelegenheid is geboden bij een beslissing alvorens recht te doen overeenkomstig artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering. Het enkele feit dat een partij geen conclusie heeft neergelegd, belet niet dat zij haar verweer voert of haar standpunt kenbaar maakt in een louter mondelinge uiteenzetting op de rechtszitting.
  11. Wel kan het openbaar ministerie dat uitsluitend mondeling ter rechtszitting vordert, de andere partijen in het strafproces verrassen door in deze vordering, met kennis van de reeds neergelegde schriftelijke conclusies van die partijen, redelijkerwijze door hen niet te verwachten argumenten aan te voeren met een mogelijke gewichtige impact op de uitkomst van de zaak. Een loutere repliek op het schriftelijke verweer van beklaagden, al is dat een procedureel verweer, maakt echter nog geen redelijkerwijze niet te verwachten argument van het openbaar ministerie uit.
  12. De rechter bepaalt in de regel onaantastbaar of en in welke mate de gezegden van het openbaar ministerie in zijn mondelinge vordering ter rechtszitting vereisen dat andere partijen daarop desgevraagd kunnen repliceren met navolgende conclusies of op navolgende rechtszittingen. De rechter houdt daarbij rekening met alle dienstige omstandigheden, waaronder het belang van de zaak voor de partijen, het procesverloop, het aantal partijen en hun onderscheiden verweermiddelen, het vereiste om de zaak binnen een redelijke termijn af te handelen, het gevaar voor rechtsmisbruik en het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van alle partijen.
  13. Hieruit volgt dat het feit dat de rechter geen bijkomende conclusietermijn verleent aan de partij die op haar beurt wil repliceren op een mondelinge repliek van het openbaar ministerie op haar schriftelijk verweer, bij die rechter nog geen gebrek aan onpartijdigheid laat vermoeden. Hetzelfde geldt wanneer de rechter een partij enkel de gelegenheid geeft haar pleidooi te voeren op dezelfde rechtszitting als deze waarop het openbaar ministerie mondeling heeft gevorderd en hij de pleitduur van die partij op een volgende rechtszitting beperkt tot wat redelijkerwijze moet volstaan voor een bijkomende repliek op die vordering. Dat de betrokken partij een andere regeling wenst, is niet bepalend.
  14. Ook het feit dat de rechter zijn beslissing inhoudelijk niet motiveert of zich daarover slechts kort beraadt, wijst nog niet op een gebrek aan onpartijdigheid.
  15. De wrakingsrechter oordeelt onaantastbaar in feite of een gebrek aan objectieve of subjectieve onpartijdigheid van de gewraakte rechter kan worden afgeleid uit zijn houding en zijn beslissingen na een verzoek van een partij om te beschikken over bijkomende faciliteiten met het oog op een repliek op de mondelinge vordering van het openbaar ministerie ter rechtszitting. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Het arrest oordeelt in essentie als volgt: - de gewraakte rechters hebben enkel hun rechtsprekende functie uitgeoefend over de vragen van de eisers om hen een bijkomende conclusietermijn toe te staan en hen toe te staan langer dan tien minuten te pleiten op de rechtszitting van 25 april 2022; - de eisers tonen geen afdoend en duidelijk feit aan waaruit kan worden afgeleid dat de gewraakte rechters wegens gewettigde verdenking niet meer in staat zouden zijn het geschil te beslechten; - dit blijkt ook niet uit het feit dat de gewraakte rechters hebben beslist “na zéér kort en openbaar beraad ter terechtzitting” en dat “enige motivering voor de weigering van de verzochte bijkomende conclusietermijn ontbreekt”; - het speelt geen rol of die beslissingen juridisch zijn bij te treden, dan wel of zij door de eisers negatief worden geïnterpreteerd; - de gewraakte rechters hebben aan de eisers de mogelijkheid geboden uitgebreid te pleiten op de rechtszitting van 20 april 2022 en hebben hen, in het licht van de mondelinge vordering van het openbaar ministerie op die rechtszitting, toegelaten die pleidooien nog kort (gedurende maximaal 10 minuten) aan te vullen op de rechtszitting van 25 april 2022; - die beslissingen van de gewraakte rechters sporen met de beslissingen die door de anders samengestelde AC8 kamer reeds waren genomen op de rechtszitting van 20 januari 2022; - dat de gewraakte rechters de volgorde van de pleidooien overeenkomstig de normale gang van zaken hebben bepaald in overeenstemming met de volgorde waarin de beklaagden werden gedagvaard, verandert daaraan niets.
  18. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat geen werkelijke of schijnbare partijdigheid blijkt uit de houding en de beslissingen van de gewraakte rechters na eisers’ verzoeken om de vermelde faciliteiten, zodat het wrakingsverzoek ongegrond is. Met die redenen beantwoordt het arrest ook het in het middel vermelde verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 89,71 euro, waarvan de eiser I 44,85 euro is verschuldigd en de eiser II 44,86 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 september 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120410.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.26 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.24 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.