id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.1 Rolnummer: S.17.0010.N Zaak: J. contra RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2022-11-04 Raadplegingen: 1073 - laatst gezien 2026-06-18 14:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De wet van 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven strekt ertoe ervoor te zorgen dat de beoogde militairen bij hun terugkeer naar het burgerleven voldoen aan de voorwaarden inzake wachttijd en bijdragebetaling om uitkeringsgerechtigd te zijn in de werkloosheidsverzekering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering voor werknemers, sector uitkeringen, en de moederschapsverzekering; uit de strekking van voormelde wet en de toepassingsvoorwaarden die zij bepaalt, volgt dat deze wet slechts van toepassing is op militairen die na haar inwerkingtreding naar het burgerleven zijn teruggekeerd. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING Vrije woorden: Militair - Terugkeer naar het burgerleven - Wachttijd en bijdragebetaling - Wet 6 februari 2003 - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Wet 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven - 06-02-2003 - Artt. 14, 15 en 16, § 1 - 40 ELI link Pub nr 2003007066 Wet 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben - 28-06-1960 - Artt. 1, 2 en 4, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1960062807 Thesaurus CAS: MILITAIR Vrije woorden: Terugkeer naar het burgerleven - Werkloosheidsuitkeringen - Recht op uitkering - Wachttijd en bijdragebetaling - Wet 6 februari 2003 - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Wet 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven - 06-02-2003 - Artt. 14, 15 en 16, § 1 - 40 ELI link Pub nr 2003007066 Wet 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben - 28-06-1960 - Artt. 1, 2 en 4, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1960062807 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Militair - Terugkeer naar het burgerleven - Werkloosheidsuitkering - Recht op uitkering - Wachttijd en bijdragebetaling - Wet 6 februari 2003 - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Wet 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven - 06-02-2003 - Artt. 14, 15 en 16, § 1 - 40 ELI link Pub nr 2003007066 Wet 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben - 28-06-1960 - Artt. 1, 2 en 4, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1960062807 Fiches 4 - 5 De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn; hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent; de rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten en handelingen die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of verweer. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Gerechtelijk recht - Rechtspleging - Taak van de rechter - Ambtshalve aanvullen van redenen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 774 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) - Recht van verdediging - Taak van de rechter - Ambtshalve aanvullen van redenen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 774 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. S.17.0010.N L.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 15 november
- Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2 van de wet van 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben, werden de in aanmerking komende militairen beschouwd als over de hele duur van hun militaire prestaties zonder onderbreking onder de toepassing te hebben gevallen van de RSZ-wet, wat de werkloosheidsverzekering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering betreft, wanneer zij, binnen dertig dagen na hun ontslag de hoedanigheid van werknemer hadden verkregen of zich bij de RVA als werkzoekende hadden gemeld of ongeschikt tot het verrichten van arbeid waren geworden in de zin van de reglementering inzake de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. Krachtens artikel 1 van voormelde wet van 28 juni 1960 kwamen hiervoor in de regel enkel de militairen in aanmerking die, zonder erom te hebben verzocht, om enige reden in het burgerleven waren teruggekeerd. Op grond van artikel 4, § 4, van voormelde wet van 28 juni 1960 diende de Minister van Landsverdediging daartoe aan de betrokken militairen, de dag dat zij uit het leger weggingen, een attest van ontslag af te geven dat zij binnen de dertig werkdagen na hun ontslag dienden te bezorgen aan een van de mutualiteiten en, zo zij om werkloosheidsuitkeringen verzochten, aan een van de uitbetalingsinstellingen van werkloosheidsuitkeringen. Tevens diende de Minister van Landsverdediging daartoe, op grond van artikel 4, § 2, van voormelde wet van 28 juni 1960, ten behoeve van de in aanmerking komende militairen een bedrag te storten aan de RSZ, voor ieder van de twaalf maanden die aan het ontslag voorafgingen, berekend op 2 pct. van hun laatste per maand vastgestelde brutobezoldiging.
- Voormelde wet van 28 juni 1960 werd met ingang van 14 oktober 2003 opgeheven door artikel 24 van de wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen.
- Krachtens artikel 15 van voormelde wet van 6 februari 2003, thans Wet houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven genoemd, worden de bij artikel 14 bedoelde militairen, onverminderd de rechten waarop zij zich eventueel kunnen beroepen krachtens een gunstiger regeling van sociale zekerheid, voor de duur van hun prestaties, beschouwd zonder onderbreking onderworpen te zijn geweest aan de bepalingen van de RSZ-wet, met betrekking tot de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid alsook de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, met inbegrip van de sector uitkeringen, en aan de bepalingen betreffende de moederschapsverzekering, indien zij, overeenkomstig de ter zake geldende regels, binnen dertig dagen na hun terugkeer naar het burgerleven, de hoedanigheid verkregen hebben van aan de RSZ-wet onderworpen werknemer of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven zijn of het bewijs leveren dat zij gedurende deze termijn ongeschikt zijn om arbeid te verrichten in de zin van de reglementering inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, of zich bevinden in een periode van moederschapsverlof overeenkomstig titel V van de ZIV-wet. Krachtens artikel 14 van voormelde wet van 6 februari 2003 zijn de bepalingen van de artikelen 14 tot 18 in de regel van toepassing op elke militair die om enige reden naar het burgerleven is teruggekeerd en die door zijn statuut niet onderworpen is aan de bepalingen van de RSZ-wet die betrekking hebben op de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en op de sector uitkeringen van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. Artikel 16, § 1, van voormelde wet van 6 februari 2003 verplicht het ministerie van Landsverdediging tot het storten bij de RSZ, ten behoeve van de bij artikel 14 bedoelde militairen, van de door de werkgever en de werknemer verschuldigde bijdragen voor de periode die overeenstemt met het aantal werkdagen dat de belanghebbende, gelet op de leeftijdsgroep waartoe hij behoort, moet bewijzen om gerechtigd te zijn op de werkloosheidsuitkeringen krachtens de ter zake geldende reglementering, evenals van de door de werkgever en werknemer verschuldigde bijdragen, berekend voor een periode van zes maanden, om de belanghebbende recht te geven op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, en op de moederschapsverzekering.
- Uit de voormelde bepalingen volgt dat de wet van 6 februari 2003 ertoe strekt ervoor te zorgen dat de beoogde militairen bij hun terugkeer naar het burgerleven voldoen aan de voorwaarden inzake wachttijd en bijdragebetaling om uitkeringsgerechtigd te zijn in de werkloosheidsverzekering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering voor werknemers, sector uitkeringen, en de moederschapsverzekering. Uit de strekking van voormelde wet van 6 februari 2003 en de toepassingsvoorwaarden die zij bepaalt, volgt dat deze wet slechts van toepassing is op militairen die na haar inwerkingtreding naar het burgerleven zijn teruggekeerd.
- Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de bepalingen van de wet van 6 februari 2003, krachtens artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek en het daarin neergelegd algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerking van de wet, ook van toepassing zijn op gewezen militairen die onder de gelding van de wet van 28 juni 1960 naar het burgerleven zijn teruggekeerd wanneer de aanvraag om werkloosheidsuitkeringen is ingediend na de inwerkingtreding van de wet van 6 februari 2003, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het arrest stelt vast dat de verweerder de vraag van de eiser om toegelaten te worden tot de werkloosheidsuitkeringen in het kader van brugpensioen heeft geweigerd omdat hij “niet de vereiste 38 jaar beroepsloopbaan kon aantonen die overeenkomstig de (…) cao van 16 maart 2012 [gesloten in het Paritair Subcomité voor het stads- en streekvervoer van het Vlaamse Gewest] vereist is” doordat zijn prestaties als beroepsmilitair niet meetellen voor de berekening van zijn beroepsloopbaan. Het zegt voor recht dat “er geen rekening moet gehouden worden met [deze prestaties als beroepsmilitair van [de eiser]” en bevestigt derhalve de bestreden administratieve beslissing.
- Uit die redenen blijkt dat de appelrechters eisers recht op werkloosheidsuitkeringen hebben beoordeeld met toepassing van de voormelde cao van 16 maart
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters geen rekening hebben gehouden met artikel 3 van de voormelde cao van 16 maart 2012, mist het feitelijke grondslag.
- De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. De rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten en handelingen die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of verweer.
- De partijen voerden in hun conclusies aan dat de eiser van 1 april 2008 tot en met 17 december 2014 in dienst was van de Vlaamse Vervoersmaatschappij ‘De Lijn’, dat hij onder de toepassing viel van de voormelde cao, gesloten in het Paritair Comité voor het Stads- en Streekvervoer van het Vlaamse Gewest en dat hij een beroepsloopbaan van 34,05 jaren aantoonde, zijn dienstjaren in het leger niet meegerekend. Zij voerden betwisting over het in aanmerking komen van eisers prestaties als beroepsmilitair om de vereiste beroepsloopbaan van 38 jaar aan te tonen. Tot staving van hun vordering of verweer, voerden zij aldus in het bijzonder de tewerkstelling van de eiser aan in een onderneming die ressorteert onder het Paritair Comité voor het Stads- en Streekvervoer van het Vlaamse Gewest.
- Krachtens artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag is dit besluit niet van toepassing op de ontslagen werknemers die waren tewerkgesteld in de ondernemingen die onder het toepassingsgebied vallen van het Paritair Comité voor het Stads- en Streekvervoer.
- Uit die bepaling volgt dat de door de partijen ingeroepen tewerkstelling van de eiser niet tot de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 gebood. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, waren de appelrechters zodoende niet gehouden, ter beslechting van het geschil, rekening te houden met voormeld koninklijk besluit van 3 mei 2007 om te onderzoeken of de eiser niet wordt gediscrimineerd ten opzichte van de werknemers op wie dit besluit van toepassing is. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 140,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 3 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240613.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260108.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div