← België

FEDERALE PENSIOENDIENST contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.3 Rolnummer: S.17.0076.N Zaak: FEDERALE PENSIOENDIENST contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2022-11-04 Raadplegingen: 674 - laatst gezien 2026-06-17 05:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De pensioenbonus is een supplement dat bij het met toepassing van de Pensioenwet Werknemers, het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen en artikel 5 van het KB van 23 december 1996 vastgestelde pensioenbedrag wordt gevoegd en er samen één voordeel mee vormt. Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Vrije woorden: Rustpensioen - Pensioenbonus - Verhouding Wettelijke bepalingen: Wet 23 december 2005 betreffende het generatiepact - 23-12-2005 - Art. 7, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 2005021175 KB 1 februari 2007 tot instelling van een pensioenbonus - 01-02-2007 - Artt. 2, 2° en 3°, en 4 - 30 ELI link Pub nr 2007022158 Fiches 2 - 3 Ten aanzien van een migrerende werknemer op wie de Belgische pensioenwetgeving van toepassing is geweest en die na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van minstens 44 kalenderjaren zijn beroepsbezigheid heeft voortgezet, moet het bij artikel 52, lid 1, b), Verordening (EG) nr. 883/2004 bedoelde theoretisch bedrag door het bevoegde Belgische orgaan worden vastgesteld alsof de betrokkene het tijdvak na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van minstens 44 kalenderjaren in België heeft vervuld, met inbegrip van een pensioenbonus van 2 euro per dag effectieve tewerkstelling in de bij artikel 2, 3°, Pensioenbonusbesluit bedoelde referteperiode, ongeacht in welke lidstaat hij zijn beroepsbezigheid heeft voortgezet. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Migrerende werknemers - Rustpensioen - Pensioenbonus - Theoretisch bedrag - Tijdvak Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 2, 5, b), 6 en 52, eerste lid Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Vrije woorden: Migrerende werknemers - Rustpensioen - Pensioenbonus - Theoretisch bedrag - Tijdvak Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 2, 5, b), 6 en 52, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. S.17.0076.N FEDERALE PENSIOENDIENST, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Zuidertoren, Europaesplanade 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen W.V.E., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 14 juni 2017. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Overeenkomstig artikel 7, § 1, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact wordt het pensioenbedrag, vastgesteld in toepassing van artikel 5 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, verhoogd met een bonus, op voorwaarde dat de werknemer die de volle leeftijd van 62 jaar heeft bereikt of een loopbaan van minstens 44 kalenderjaren bewijst, zijn beroepsbezigheid voortzet. Krachtens paragraaf 2, eerste lid, van voormeld artikel bepaalt de Koning, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor pensioenen, thans de Federale Pensioendienst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de bonus, de voorwaarden en de modaliteiten waaronder de bonus wordt toegekend, de tijdvakken die voor de vaststelling van de bonus met een effectieve tewerkstelling worden gelijkgesteld en de voorwaarden waaronder het bedrag van de bonus kan worden geproratiseerd. Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit tot instelling van een pensioenbonus, hierna Pensioenbonusbesluit, bedraagt de bonus 2 euro per dag van bewezen tewerkstelling, zoals bedoeld bij artikel 2, 2°. Krachtens artikel 2, 2°, Pensioenbonusbesluit wordt onder “dagen van effectieve tewerkstelling” verstaan: de voor elk van de kalenderjaren, gelegen in de referteperiode, naar voltijdse dagequivalenten omgezette tijdvakken van effectieve tewerkstelling in de hoedanigheid van werknemer. Deze tijdvakken kunnen, in voorkomend geval, enkel aangevuld worden met tijdvakken bedoeld bij de artikelen 34, 35 en 36 van het algemeen reglement, voor een maximum van 30 voltijdse dagequivalenten per kalenderjaar. Volgens artikel 2, 3°, Pensioenbonusbesluit is de referteperiode het tijdvak dat een aanvang neemt op 1 januari van het jaar tijdens hetwelk de gerechtigde, naar gelang het geval, de volle leeftijd van 62 jaar bereikt of het 44ste kalenderjaar in zijn loopbaan begint, en eindigt op de laatste dag van de maand die voorafgaat aan de maand waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat, en uiterlijk de laatste dag van de maand tijdens welke de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, tenzij hij op dat ogenblik geen loopbaan van 45 jaar bewijst. In dat laatste geval eindigt de referteperiode uiterlijk op 31 december van het jaar waarin het 45ste loopbaanjaar bewezen wordt. Hieruit volgt dat de werknemer die na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van minstens 44 kalenderjaren zijn beroepsbezigheid voortzet, recht heeft op een pensioenbonus van 2 euro per dag effectieve tewerkstelling in de hiervoor omschreven referteperiode. Krachtens artikel 4, in fine, Pensioenbonusbesluit evolueert de bonus onder dezelfde voorwaarden en dezelfde modaliteiten als het pensioen en is hij aan dezelfde inhoudingen onderhevig. 2. Uit de voormelde bepalingen, inzonderheid uit artikel 4, in fine, Pensioenbonusbesluit, volgt dat de pensioenbonus een supplement is dat bij het met toepassing van de Pensioenwet Werknemers, het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen en artikel 5 van het KB van 23 december 1996 vastgestelde pensioenbedrag wordt gevoegd en er samen één voordeel mee vormt. 3. Artikel 52, lid 1, van de verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, hierna Verordening (EG) nr. 883/2004, die krachtens artikel 2 van die verordening van toepassing is op onderdanen van een lidstaat op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, bepaalt dat het bevoegde orgaan het bedrag van het verschuldigde ouderdomspensioen als volgt berekent: “

  1. a)krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving alleen als uitsluitend op grond van de nationale wetgeving is voldaan aan de voorwaarden die recht geven op een uitkering (autonoom pensioen);
  2. b)door eerst een theoretisch bedrag en vervolgens het werkelijke bedrag (uitkering pro rata) als volgt te berekenen:
  3. i)het theoretische bedrag van de uitkering is gelijk aan de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke krachtens de wetgevingen van de andere Lid-Staten vervuld zijn, zouden zijn vervuld overeenkomstig de wetgeving die het orgaan op de datum van vaststelling van de uitkering toepast. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het theoretische bedrag;
  4. ii)vervolgens stelt het bevoegde orgaan het werkelijke bedrag van de pro rata-uitkering vast door op het theoretische bedrag het verhoudingsgetal van de duur van de tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke v??r het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, en van de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen welke v??r het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgevingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld.” Krachtens artikel 52, lid 3, Verordening (EG) nr. 883/2004 is de betrokkene gerechtigd om van het bevoegde orgaan van elke lidstaat het hoogste uitkeringsbedrag te ontvangen dat overeenkomstig het bepaalde in lid 1, onder
  5. a)en b), berekend is. 4. Overeenkomstig artikel 5, b), Verordening (EG) nr. 883/2004 houdt de bevoegde lidstaat, indien de wetgeving van die lidstaat bepaalde rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen, rekening met soortgelijke feiten of gebeurtenissen die zich in een andere lidstaat voordoen alsof zij zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan. Krachtens artikel 6 Verordening (EG) nr. 883/2004 houdt het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving het verkrijgen, het behoud, de duur of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, voor zover nodig, rekening met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, alsof die tijdvakken overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld. 5. Uit de voormelde bepalingen volgt dat ten aanzien van een migrerende werknemer op wie de Belgische pensioenwetgeving van toepassing is geweest en die na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van minstens 44 kalenderjaren zijn beroepsbezigheid heeft voortgezet, het bij artikel 52, lid 1, b), Verordening (EG) nr. 883/2004 bedoelde theoretisch bedrag door het bevoegde Belgische orgaan moet worden vastgesteld alsof de betrokkene het tijdvak na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van minstens 44 kalenderjaren in België heeft vervuld, dus met inbegrip van een pensioenbonus van 2 euro per dag effectieve tewerkstelling in de bij artikel 2, 3°, Pensioenbonusbesluit bedoelde referteperiode, ongeacht in welke lidstaat hij zijn beroepsbezigheid heeft voortgezet. Het bij artikel 52, lid 1, b), Verordening (EG) nr. 883/2004 bedoelde werkelijke bedrag van de pro-rata-uitkering moet vervolgens door het bevoegde Belgische orgaan worden vastgesteld door het hiervoor bepaalde theoretisch bedrag te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller bestaat uit de duur van alle krachtens de Belgische wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken en de noemer uit de totale duur van de verzekeringstijdvakken die krachtens de wetgevingen van alle betrokken lidstaten zijn vervuld. 6. Noch uit de bepalingen van artikel 7 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact en de artikelen 2 tot 4 Pensioenbonusbesluit, noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat de pensioenbonus een van het rustpensioen te onderscheiden voordeel is waarvoor een afzonderlijke berekening met toepassing van artikel 52 Verordening (EG) nr. 883/2004 moet worden gemaakt. De voormelde bepalingen van de Verordening (EG) nr. 883/2004 zouden zich overigens daartegen verzetten. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de pensioenbonus een van het rustpensioen onderscheiden voordeel is waarop bij een migrerende werknemer een afzonderlijke berekening overeenkomstig de in Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalde regels mag worden gemaakt, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. 7. Aangezien de door de eiser voorgestane berekeningswijze niet uit de toepasselijke nationale bepalingen volgt en evident strijdig is met het Unierecht, inzonderheid met artikel 52 Verordening (EG) nr. 883/2004, dient de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 439,52 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 3 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.