← België

MIDDLEGATE EUROPE nv c. BELGISCHE STAAT MIN WERK

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.6 Rolnummer: S.17.0009.N Zaak: MIDDLEGATE EUROPE nv c. BELGISCHE STAAT MIN WERK Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-11-04 Raadplegingen: 507 - laatst gezien 2026-06-16 20:23 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221003.3N.6 Fiche Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 november 2021 volgt dat de artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schenden in zoverre zij de verplichting voor ondernemingen die in een havengebied activiteiten ontplooien, om hiervoor een beroep te doen op erkende havenarbeiders, niet beperken tot het laden en lossen van schepen, maar die verplichting ook opleggen voor andere handelingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEID - BIJZONDERE REGELINGEN (BOUW. DIAMANT. HAVENS. AMBACHTEN EN NERINGEN) Vrije woorden: Havenarbeid - Vrijheid van handel en nijverheid - Beperkingen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid - 08-06-1972 - Artt. 1 en 2 - 02 ELI link Pub nr 1972060806 Tekst van de beslissing Nr. S.17.0009.N MIDDLEGATE EUROPE nv, met zetel te 8380 Brugge (Zeebrugge), Karveelstraat 36, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Sint-Gillis, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, voor wie optreedt de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg, directie van de administratieve geldboeten, met kantoor te 1070 Anderlecht, Ernest Blerotstraat 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 3 november
  1. Het Hof heeft bij arrest van 16 april 2018 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest nr. 168/2021 van 25 november 2021 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord. De verweerder en de eiseres hebben respectievelijk op 13 januari 2022 en 17 januari 2022 een nota neergelegd ter griffie van het Hof. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 5 september 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. I. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat is opgenomen in het arrest van het Hof van 16 april 2018, twee middelen aan. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Bij voormeld arrest van 16 april 2018 heeft het Hof het tweede middel in al zijn onderdelen verworpen en heeft het elke verdere beslissing aangehouden tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de hiernavolgende prejudiciële vraag: “Schenden de artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 23, tweede lid, van de Grondwet en de vrijheid van handel en nijverheid, in zoverre zij de verplichting voor de personen, instellingen of ondernemingen die in een havengebied activiteiten ontplooien, om hiervoor een beroep te doen op erkende havenarbeiders, niet beperken tot het laden en lossen van schepen, maar die verplichting ook opleggen voor handelingen die ook buiten de havengebieden kunnen worden verricht?”
  3. Na bij tussenarrest nr. 94/2019 van 6 juni 2019 twee prejudiciële vragen te hebben gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die door dit Hof werden beantwoord bij arrest van 11 februari 2021 in de zaken C-407/19 en C-471/19, heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest van 25 november 2021 in antwoord op de voormelde prejudiciële vraag gezegd voor recht: “De artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, in zoverre zij van toepassing zijn op de in het bodemgeschil in het geding zijnde activiteiten.”
  4. Met nota van 17 januari 2022 voert de eiseres aan dat het voor haar niet duidelijk is of voor het Grondwettelijk Hof het oordeel dat vanuit het oogpunt van de veiligheid van de haven de activiteit van de eiseres redelijk kan worden gelijkgesteld met het laden en lossen van schepen in strikte zin, ook geldt voor een wegvervoeronderneming buiten het havengebied die dezelfde activiteiten uitvoert, en alzo niet wordt gediscrimineerd omdat zij is gevestigd in een havengebied. Daarom verzoekt de eiseres het Hof, in toepassing van artikel 118 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, aan het Grondwettelijk Hof hiernavolgende uitlegging van zijn arrest van 25 november 2021 te vragen: “Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest van 25 november 2021 beslist dat de artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, niet schenden, in zoverre zij van toepassing zijn op de in het bodemgeschil in het geding zijnde activiteiten te weten het klaarzetten van trailers op een kade voor verscheping, met een daarvoor specifiek bestemd voertuig. Kan het Grondwettelijk Hof verduidelijken of dit geldt ongeacht of die activiteiten uitgevoerd worden door een wegtransportonderneming gevestigd in of buiten een havengebied”.
  5. De door de eiseres ontwaarde onduidelijkheid en haar verzoek om aan het Grondwettelijk Hof uitleg te vragen berust volledig op de stelling dat een “tugmaster” een trekker is en zij daarmee dezelfde activiteit verricht als een wegvervoeronderneming die met een trekker trailers van buiten het havengebied aanvoert en in het havengebied afzet. Die aanvoering vraagt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Aangezien het antwoord op de voorgestelde vraag om uitleg hierdoor niet dienstig kan zijn ter beantwoording van het onderdeel, dient zij niet te worden gesteld.
  6. Uit het antwoord van het Grondwettelijk Hof volgt dat de artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schenden in zoverre zij de verplichting voor ondernemingen die in een havengebied activiteiten ontplooien, om hiervoor een beroep te doen op erkende havenarbeiders, niet beperken tot het laden en lossen van schepen, maar die verplichting ook opleggen voor handelingen zoals verricht door de eiseres. Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 293,45 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 3 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221003.3N.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180416.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.