id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221004.2N.12 Rolnummer: P.22.0234.N Zaak: GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-14 Raadplegingen: 768 - laatst gezien 2026-06-15 08:35 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Hoewel de in artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde herstelvordering geënt moet zijn op feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezenverklaarde telastlegging, beoogt ze het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe; de rechter moet aldus in het licht van de situatie op het ogenblik van zijn uitspraak, in voorkomend geval rekening houdend met wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot de plaatselijke feitelijke toestand, de verleende vergunningen en het planologische kader, nagaan of het gevorderde herstel nog noodzakelijk is om de gevolgen van het misdrijf te doen verdwijnen; zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van het bewezenverklaarde stedenbouwkundige misdrijf, blijft de herstelvordering geënt op de feiten van dat misdrijf. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiche 2 Wanneer een bevoegde overheid haar herstelvordering op grond van een bewezenverklaard stedenbouwkundig misdrijf met betrekking tot een bepaald onroerend goed ingevolge een nadien aan de overtreder verleende vergunning wijzigt en vervangt door een nieuwe herstelvordering, dient de rechter na te gaan of de in die laatste vordering geformuleerde herstelmaatregel nog noodzakelijk is om de gevolgen van het bewezenverklaarde misdrijf te doen verdwijnen, rekening houdend met de toestand op het ogenblik van zijn uitspraak; uit de loutere omstandigheid dat die nieuwe herstelvordering ook werd ingesteld in een strafprocedure wegens andere stedenbouwkundige misdrijven met betrekking tot datzelfde onroerend goed waarvan de overtreder evenwel wordt vrijgesproken, kan niet worden afgeleid dat diezelfde herstelvordering, in zoverre ze gebaseerd is op het wél bewezenverklaarde misdrijf, zonder voorwerp is; dat laatste is in beginsel slechts het geval wanneer de rechter ofwel oordeelt dat er op het ogenblik van de uitspraak over de herstelvordering geen wederrechtelijke toestand meer is, ofwel dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand op het ogenblik van die uitspraak en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van het bewezenverklaarde misdrijf. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Tekst van de beslissing Nr. P.22.0234.N GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93, eiser tot herstel, eiser, met als raadsman mr. Philippe Declercq, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3320 Hoegaarden, Gemeenteplein 25, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M A J V D S, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 14 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - er werd op 7 november 1990 een gerechtelijk onderzoek opgestart naar stedenbouwmisdrijven, gepleegd op het onroerend goed van de verweerder, gelegen in een recreatiegebied te A. (R.), kadastraal gekend onder sectie ( … ), nr. ( … ) (hierna de zaak I); - bij beschikking van de raadkamer van 7 november 1996 werd de verweerder in deze zaak I naar de correctionele rechtbank verwezen wegens het bouwen van een woning aan een loods in strijd met de bij ministeriële beslissing van 17 april 1987 verleende vergunning (telastlegging A, eerste gedachtestreepje) en wegens het oprichten van een tuinhuisje zonder vergunning (telastlegging A, tweede gedachtestreepje), wegens het in stand houden van de in de telastlegging A vermelde toestand (telastlegging B) en wegens het voortzetten van de werken in strijd met het stakingsbevel (telastlegging C), gepleegd tussen 16 april 1987 en 7 november 1996; - tijdens het voormelde gerechtelijk onderzoek werd door de toenmalige gemachtigde ambtenaar op 2 juli 1991 een herstelvordering ingeleid bij het openbaar ministerie met betrekking tot het oprichten van het tuinhuisje, strekkend tot het herstel in de vorige plaats, terwijl op 27 november 1991 en 10 januari 1995 bijkomende herstelvorderingen werden ingediend, strekkend tot het uitvoeren van aanpassingswerken, bestaande uit het strikt naleven van de voorwaarden zoals opgelegd in de bij ministeriële beslissing van 17 april 1987 verleende bouwvergunning en het onvoorwaardelijke behoud van de recreatieve bestemming; - bij vonnis van de correctionele rechtbank Brussel van 29 mei 1997 werd de verweerder in de zaak I tot een straf veroordeeld wegens de bewezenverklaarde telastleggingen A, B en C, waarbij het herstel werd bevolen overeenkomstig de voormelde herstelvorderingen; - de verweerder en het openbaar ministerie tekenden hoger beroep aan tegen dit vonnis van 29 mei 1997, welke procedure uiteindelijk werd aangeduid als de zaak I met het nummer 2017/CO/1107; - bij schrijven van 1 september 1999 deelde de toenmalige gemachtigde ambtenaar aan het openbaar ministerie mee dat de herstelvorderingen van 27 november 1991 en 10 januari 1995 werden aangepast, in die zin dat het herstel van de plaats in de vorige staat werd gevorderd; - bij tussenarrest van 24 november 1999 verklaarden de appelrechters de hogere beroepen in de zaak I, behalve in zoverre ze betrekking hadden op de burgerlijke partij, ontvankelijk, waarbij de verdere behandeling werd opgeschort in afwachting van de afhandeling van de regularisatieaanvraag; - na te hebben vastgesteld dat de administratieve procedure met betrekking tot de regularisatieaanvraag nog niet was afgehandeld, schortten de appelrechters bij tussenarrest van 27 maart 2002 de verdere behandeling van de zaak I andermaal op; - de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant verleende op 3 maart 2009 een regularisatievergunning aan de verweerder; - er werd navolgend een afzonderlijke strafvordering ingesteld tegen de verweerder, die in de loop van 2016 voor de correctionele rechtbank werd gedagvaard wegens meerdere stedenbouwkundige misdrijven op het voormelde onroerend goed (hierna de zaak II), namelijk wegens het in strijd met de regularisatievergunning van 3 maart 2009 gedeeltelijk verbouwen of gebruiken als woning zonder een fitnessruimte of enige andere recreatieve ruimte te hebben ingericht in de periode tussen 2 maart 2009 en 15 december 2015 (telastlegging A), wegens het zonder vergunning wijzigen van de hoofdfunctie van het gebouw, namelijk van een garage-herstelplaats naar de functie wonen in de periode tussen 2 maart 2009 en 13 mei 2015 (telastlegging B), en wegens het negeren van stakingsbevelen door het gebouw uitsluitend te hebben gebruikt als woning zonder enige recreatiefunctie in de periode tussen 5 februari 2013 en 15 december 2015 (telastlegging C); - in de zaak II werd door de eiser op 18 juli 2016, na een positief advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, thans de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, een herstelvordering ingeleid bij het openbaar ministerie, strekkend tot bouw- of aanpassingswerken en staking van het strijdig gebruik, wat volgens die vordering inhoudt: . het volledig uitvoeren van de vergunning van 3 maart 2009, van de voorwaarden ervan en van het bijhorende goedgekeurde bouwplan; . het staken van het uitsluitend gebruik van het gebouw als woning; het gebouw dient in hoofdzaak gebruikt te worden voor recreatieve doeleinden en mag enkel ondergeschikt dienen als woning van de eigenaar; - de correctionele rechtbank verklaarde bij vonnis van 10 mei 2017 de telastleggingen A, B en C in de zaak II niet bewezen en sprak de verweerder vrij van deze telastleggingen, waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om uitspraak te doen over de herstelvordering van de eiser; - de eiser en het openbaar ministerie tekenden hoger beroep aan tegen het vonnis van 10 mei 2017, welke procedure werd aangeduid als de zaak II met het nummer 2017/CO/713; - de herstelvordering van 18 juli 2016 werd door de eiser voor de appelrechters behalve in de zaak II ook ingesteld in de zaak I; - na de zaken I en II te hebben samengevoegd, oordeelt het bestreden arrest dat: . de strafvordering in de zaak I verjaard en bijgevolg vervallen is, waarbij de feiten, voorwerp van de telastlegging B in de zaak I, niet eens meer strafbaar zijn; . de strafvordering in de zaak I vóór de verjaring ervan bij de strafrechter aanhangig werd gemaakt; . het tuinhuisje niet meer op het perceel staat, zodat de herstelvordering met betrekking tot het tuinhuisje in de zaak I zonder voorwerp is geworden; . het herstel zoals omschreven in de oorspronkelijke herstelvorderingen van 27 november 1991 en 10 januari 1995 in de zaak I met betrekking tot het bouwen van een woning aan de loods in strijd met de vergunning van 17 april 1987, welke vorderingen strekken tot het uitvoeren van aanpassingswerken teneinde het gebouw te laten voldoen aan de voorwaarden van de vergunning van 17 april 1987, wat concreet zou neerkomen op de sloop en heroprichting conform die vergunning, niet meer wordt gevorderd; . de door de eiser na de regularisatievergunning van 3 maart 2009 in de zaak II op 18 juli 2016 ingediende gewijzigde herstelvordering de vorige herstelvorderingen in de zaak I vervangt, waarbij het thans gevorderde herstel de uitvoering beoogt van de voorwaarden van de regularisatievergunning van 3 maart 2009 en een gebruik van het perceel dat overeenstemt met de plannen van aanleg; . de herstelvordering betreffende de door de feiten van de telastleggingen A, B en C veroorzaakte gevolgen in de zaak I zonder voorwerp is; . in de zaak II het beroepen vonnis van 10 mei 2017, na verbetering van een materiële vergissing bij de weergave van de telastleggingen, wordt bevestigd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 161 en 189 Wetboek van Strafvordering en artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het oordeel dat de herstelvordering in de zaak I werd vervangen door de herstelvordering in de zaak II en de herstelvordering in de zaak I met betrekking tot de door de feiten van de telastleggingen A, B en C veroorzaakte gevolgen in de zaak I hierdoor zonder voorwerp is, is niet naar recht verantwoord; de omstandigheid dat de in de zaak II geformuleerde herstelvordering in identieke bewoordingen ook werd gesteld in de zaak I, heeft niet tot gevolg dat de in die laatste zaak gestelde herstelvordering zonder voorwerp zou zijn; een herstelvordering inzake ruimtelijke ordening is pas dan zonder voorwerp wanneer de wederrechtelijke ruimtelijke situatie, veroorzaakt door het stedenbouwmisdrijf, integraal ongedaan werd gemaakt, wat door de appelrechters niet wordt vastgesteld.
- Krachtens artikel 6.3.1, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een meerwaarde te betalen en of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken.
- De herstelvordering strekt ertoe als bijzondere vorm van teruggave in de zin van artikel 44 Strafwetboek en de artikelen 161 en 189 Wetboek van Strafvordering een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en die het algemeen belang schaadt.
- Hoewel de in artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde herstelvordering geënt moet zijn op feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezenverklaarde telastlegging, beoogt ze het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe. De rechter moet aldus in het licht van de situatie op het ogenblik van zijn uitspraak, in voorkomend geval rekening houdend met wijzigingen die zich hebben voorgedaan met betrekking tot de plaatselijke feitelijke toestand, de verleende vergunningen en het planologische kader, nagaan of het gevorderde herstel nog noodzakelijk is om de gevolgen van het misdrijf te doen verdwijnen.
- Zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van het bewezenverklaarde stedenbouwkundige misdrijf, blijft de herstelvordering geënt op de feiten van dat misdrijf.
- Wanneer een bevoegde overheid haar herstelvordering op grond van een bewezenverklaard stedenbouwkundig misdrijf met betrekking tot een bepaald onroerend goed ingevolge een nadien aan de overtreder verleende vergunning wijzigt en vervangt door een nieuwe herstelvordering, dient de rechter na te gaan of de in die laatste vordering geformuleerde herstelmaatregel nog noodzakelijk is om de gevolgen van het bewezenverklaarde misdrijf te doen verdwijnen, rekening houdend met de toestand op het ogenblik van zijn uitspraak. Uit de loutere omstandigheid dat die nieuwe herstelvordering ook werd ingesteld in een strafprocedure wegens andere stedenbouwkundige misdrijven met betrekking tot datzelfde onroerend goed waarvan de overtreder evenwel wordt vrijgesproken, kan niet worden afgeleid dat diezelfde herstelvordering, in zoverre ze gebaseerd is op het wél bewezenverklaarde misdrijf, zonder voorwerp is. Dat laatste is in beginsel slechts het geval wanneer de rechter ofwel oordeelt dat er op het ogenblik van de uitspraak over de herstelvordering geen wederrechtelijke toestand meer is, ofwel dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand op het ogenblik van die uitspraak en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van het bewezenverklaarde misdrijf.
- Het arrest oordeelt dat de strafvordering in de zaak I verjaard is en dat de telastleggingen in de zaak II niet bewezen zijn en de verweerder hiervan wordt vrijgesproken. Met betrekking tot de herstelvordering oordeelt het arrest dat: - het herstel, geformuleerd in de vorderingen van 27 november 1991 en 10 januari 1995 op grond van de telastlegging A, eerste gedachtestreepje in de zaak I, die aldus bewezen wordt geacht, zijnde het bouwen van een woning aan een loods in strijd met de vergunning van 17 april 1987, niet meer wordt gevorderd; - de eiser in de zaak II een gewijzigde herstelvordering heeft ingesteld die de uitvoering beoogt van de regularisatievergunning van 3 maart 2009 en een gebruik van het perceel dat overeenstemt met de plannen van aanleg; - gelet op de vrijspraak in de zaak II, het hof van beroep niet bevoegd is om uitspraak te doen over de gewijzigde herstelvordering; - de gewijzigde herstelvordering in de zaak II de vorige herstelvorderingen in de zaak I vervangt en de herstelvordering in de zaak I bijgevolg zonder voorwerp is.
- Uit de vrijspraak van de verweerder in de zaak II en uit de overige vaststellingen van het arrest blijkt niet dat: - de toestand van het goed thans niet meer wederrechtelijk is; - er tussen de actuele wederrechtelijke stedenbouwkundige toestand, in zoverre bewezen, en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de bewezen telastlegging A, eerste gedachtestreepje, in de zaak I, geen oorzakelijk verband bestaat.
- Het oordeel dat de gewijzigde herstelvordering, die behalve in de zaak II ook werd gesteld in de zaak I, zonder voorwerp is, is dan ook niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie en behoeven bijgevolg geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de herstelvordering van de eiser in de zaak I (2017/CO/1107) op grond van de telastlegging A, eerste gedachtestreepje, zonder voorwerp verklaart. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de helft van de kosten ten laste van het Vlaams Gewest. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten op 455,07 euro, waarvan 238,32 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 4 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221004.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div