id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221004.2N.14 Rolnummer: P.22.0588.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-10-14 Raadplegingen: 895 - laatst gezien 2026-06-18 18:17 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Uit artikel 37quinquies, § 1, tweede zin, Strafwetboek dat bepaalt dat de rechter die een werkstraf oplegt binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen in een gevangenisstraf of in een geldboete voorziet die van toepassing kan worden ingeval die werkstraf niet wordt uitgevoerd, volgt dat indien voor de feiten van de bewezen verklaarde telastleggingen geen gevangenisstraf kan worden opgelegd, het vonnis dat aan een beklaagde een werkstraf oplegt, niet in een gevangenisstraf kan voorzien voor het geval de werkstraf niet zou worden uitgevoerd. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0588.N J M P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Omar Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 6 april 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: de eiser betwistte voor de appelrechters zijn schuld aan de telastlegging B, met name het negeren van een rood verkeerslicht; het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers conclusie waarin hij de appelrechters verzocht om het openbaar ministerie uit te nodigen om het lichtplan te voegen betreffende het verkeerslicht waarvan hij het rode licht zou hebben genegeerd. 2. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. Uit artikel 6.1 EVRM kan geen verdergaande motiveringsverplichting worden afgeleid. 3. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - uit het relaas van de vaststellingen blijkt dat de verbalisanten het feit dat de eiser het rode verkeerslicht voorbijreed, afleiden uit het feit dat zijzelf op datzelfde ogenblik vaststelden dat het verkeerslicht voor hen van groen naar oranje omschakelde; - deze gevolgstrekking kan niet van een bijzondere bewijswaarde genieten, maar blijft uiteraard wel een bewijselement dat de rechtbank mee in overweging neemt en waarvan zij soeverein de geloofwaardigheid beoordeelt die zij eraan hecht; - de eiser beperkt zich ertoe te ontkennen dat hij door het rood is gereden; - het feit dat hij op rustige wijze het kruispunt opreed en dat de overgang van rood naar groen plaatsvindt op enkele seconden tijd, volstaat niet om enigszins aannemelijk te maken dat de vaststellingen van de verbalisanten niet correct kunnen zijn; - de rechtbank hecht in dit geval meer geloof aan de effectieve vaststellingen van de verbalisanten dan aan eisers verweer; - wanneer de verbalisanten vaststellen dat op de Bergensesteenweg het licht voor hen van groen op oranje overging en op datzelfde moment een voertuig uit de Georges Wittouckstraat komt gereden en links afslaat, bestaat er niet de minste twijfel dat het licht voor dat voertuig zich nog in de rode fase moet hebben bevonden. Met deze redenen, waarmee het bestreden vonnis te kennen geeft dat verdere onderzoeksdaden niet noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding, beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eiser. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 62 Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de appelrechters erkennen dat het aanvankelijk proces-verbaal HV.94.LQ.406406/20 van 17 mei 2020 geen bijzondere bewijswaarde geniet, maar leggen niettemin aan de eiser een niet toelaatbare negatieve bewijslast op door na te laten het desbetreffende lichtplan bij het dossier te laten voegen; hierdoor is het voor de eiser onmogelijk om aan te tonen dat hij niet door het rode licht is gereden. 5. De rechter die op grond van feitelijke gegevens waarvan hij de bewijswaarde vrij apprecieert, oordeelt dat het verweer van een beklaagde niet geloofwaardig is, legt aan die beklaagde geen bewijslast op en miskent evenmin het vermoeden van onschuld. Daaruit kan evenmin een miskenning van het recht op een eerlijk proces of van het recht van verdediging worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 6. Met de redenen vermeld in antwoord op het eerste middel stelt het bestreden vonnis de feitelijke gegevens vast op grond waarvan het onaantastbaar oordeelt dat eisers schuld aan de hem ten laste gelegde feiten vaststaat. Het bestreden vonnis legt hierbij aan de eiser geen bewijslast op, maar verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 37quinquies, § 1, tweede zin, Strafwetboek 7. Artikel 37quinquies, § 1, tweede zin, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die een werkstraf oplegt binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen in een gevangenisstraf of in een geldboete voorziet die van toepassing kan worden ingeval die werkstraf niet wordt uitgevoerd. 8. Het bestreden vonnis legt door bevestiging van het beroepen vonnis aan de eiser voor de feiten van de telastlegging A (inbreuk op artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet, strafbaar met een geldboete van 200,00 tot 2.000,00 euro), B (inbreuk op de artikelen 5 en 61.1.1°, Wegverkeersreglement en artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet, strafbaar met een geldboete van 30,00 tot 500,00 euro) en C (inbreuk op artikel 10.1.1°, Wegverkeersreglement en artikel 29, § 1, derde lid, Wegverkeerswet, strafbaar met een geldboete van 20,00 tot 250,00 euro) samen een werkstraf op van 250 uren en zegt dat bij niet-uitvoering de werkstraf zal worden vervangen door een gevangenisstraf van zes maanden. Voor de feiten van de bewezen verklaarde telastleggingen A, B en C kan evenwel geen gevangenisstraf worden opgelegd, zodat het bestreden vonnis dan ook niet in een gevangenisstraf kan voorzien voor het geval de werkstraf niet zou worden uitgevoerd. Door dit toch te doen, schendt het bestreden vonnis de vermelde bepaling. Ambtshalve onderzoek voor het overige 9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn voor in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het voor de aan de eiser opgelegde werkstraf in een gevangenisstraf van zes maanden voorziet voor het geval de werkstraf niet wordt uitgevoerd. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 150,37 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 4 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221004.2N.14 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.