id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221007.1N.2 Rolnummer: C.21.0525.N Zaak: ARCHITECTS IN MOTION bv contra Gemeente Lille Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2022-10-20 Raadplegingen: 1178 - laatst gezien 2026-06-15 08:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het Hof van Cassatie is in beginsel gehouden zelf een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de schending, door de wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer de appelrechters dit hebben geweigerd en de eiser in zijn cassatiemiddel niet alleen de afwijzing van zijn vraag aanvecht maar tevens de beslissing bekritiseert over het geschil zelf dat voor hem de grond oplevert tot het opwerpen van een prejudiciële vraag. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, §§ 1 en 2, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, §§ 1 en 2, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 3 Gezien de vraag rijst of de wetgever bij verlenging van de verjaringstermijn en de andere termijnen om in rechte op te treden op grondwettig toegelaten wijze een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de rechtzoekende die een vervaltermijn moet naleven bij het instellen van een vordering, en anderzijds degene die een vervaltermijn moet naleven bij het instellen van een rechtsmiddel, bestaat er grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken - 2 - 09-04-2020 - Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2020030581 Nota: Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid, KB nr. 2 van 9 april 2020, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 april 2020, bekrachtigd bij wet van 24 december 2020. Fiches 4 - 7 Verantwoordt niet naar recht zijn beslissing de appelrechter die het hoger beroep niet ontvankelijk verklaart op de grond dat artikel 1 van het KB van 28 april 2020 geen ongrondwettig onderscheid inzake verlenging van termijnen bevat, zijn beslissing niet naar recht. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken - 2 - 09-04-2020 - Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2020030581 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken - 2 - 09-04-2020 - Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2020030581 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken - 2 - 09-04-2020 - Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2020030581 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken - 2 - 09-04-2020 - Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2020030581 Nota: Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid, KB nr. 2 van 9 april 2020, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 april 2020, bekrachtigd bij wet van 24 december 2020; GwH, arrest 16 februari 2023. Tekst van de beslissing Nr. C.21.0525.N ARCHITECTS IN MOTION bv, met zetel te 2300 Turnhout, Parklaan 146, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0414.377.664, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. GEMEENTE LILLE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met zetel te 2275 Lille, Rechtestraat 44, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.502.794, 2. AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF LILLE, met zetel te 2275 Lille, Rechtestraat 44, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0879.926.689, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 september 2021. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 8.17 en 8.18 van Boek VIII (Bewijs) van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1051, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1 § 1 (zoals van toepassing zowel vóór als ná de wijziging bij Koninklijk Besluit van 28 april 2020) en § 2, eerste lid van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken (hierna: KB nr. 2); - artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 28 april 2020 tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken (hierna: verlengings-KB); - de artikelen 26 § 1 en § 2, eerste en derde lid van de Bijzondere wet van 26 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof; - het algemeen rechtsbeginsel inzake overmacht; - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangevochten beslissing De appelrechters verklaren het hoger beroep van eiseres onontvankelijk, op grond van volgende motieven: “I. Anders dan [eiseres] beweert, werd in het vonnis d.d. 24 juni 2013 niets geoordeeld over de ontvankelijkheid of de tijdigheid van de door [tweede verweerster] tegen [eiseres] ingestelde vordering en daarover werd enkel uitspraak gedaan door de eerste rechter in het eindvonnis d.d. 24 februari 2020 dat op 14 april 2020 aan [eiseres] betekend werd. Daaruit volgt dat, indien het hoger beroep tegen dit eindvonnis d.d. 24 februari 2020 door dit Hof van beroep laattijdig verklaard wordt, de daarin vervatte veroordeling lastens [eiseres] definitief geworden is (kracht van gewijsde heeft). II. Verder stelt [eiseres] ten onrechte dat de corona pandemie voor haar overmacht zou opleveren om binnen de wettelijk toegelaten termijn hoger beroep in te stellen: daarbij gaat [eiseres] er immers aan voorbij dat het vonnis aan één van haar bestuurders betekend werd op 14 april 2020 en dat de wetgever net omwille van die Covid-19 pandemie door het Volmachtenbesluit nr. 2 de normale termijn om hoger beroep in te stellen (artikel 1051 Ger.W.), te weten één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis, in onderhavige zaak verlengd heeft tot en met 3 juni 2020, zodat [eiseres] over voldoende tijd beschikte om de nodige acties te nemen om (zelfs per e-deposit) tijdig hoger beroep in te stellen. Verder ontkent de advocaat van [tweede verweerster] in syntheseconclusies alle beweringen die de advocaat van [eiseres] in syntheseconclusie uit omtrent beweerde gemaakte afspraken i.v.m. de tijdigheid van dit hoger beroep en staat het in ieder geval vast dat zonder enige redelijke uitleg of verklaring tussen de dag van betekening en de dag van het instellen van hoger beroep, nog "geruisloos" (zonder enige actie, overleg of briefwisseling die alleszins niet vermeld of overgelegd wordt) 63 dagen verliepen. III. Om de hierna volgende redenen oordeelt dit Hof van beroep dat het door [eiseres] gehekeld onderscheid in het K.B. van 28 april 2020 wat betreft de verlenging van de termijnen zoals bepaald in het K.B. nr. 2 van 9 april 2020 klaarblijkelijk de artikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheids- en non discriminatiebeginsel) niet schendt, zodat krachtens artikel 26 §2 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof de geopperde prejudiciële vragen niet aan het Grondwettelijk Hof dienen gesteld te worden. Immers: - reeds in het K.B. nr. 2 van 9 april 2020, waarvan de wettigheid niet wordt in vraag gesteld, wordt er een onderscheid gemaakt tussen de in artikel 1, §1 vermelde termijnen ("de verjaringstermijnen en de andere termijnen om een vordering in rechte in te stellen") en de in artikel 1, §2, eerste lid vermelde termijnen (met uitzondering van de strafprocedures, tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen en de tuchtprocedures, "...de termijnen van rechtspleging of om een rechtsmiddel in de zin van artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek aan te wenden"); - in hetzelfde K.B. nr. wordt in beide voormelde paragrafen vermeld dat de in paragraaf 1 bedoelde periode, waarnaar in artikel 1, §2 verwezen wordt, "in voorkomend geval" kunnen verlengd worden, zodat de wetgever reeds in het K.B. nr. 2 er van uitging dat deze verlenging niet "meteen verworven" was en enkel in voorkomend geval voor de te bepalen termijnen, zoals reeds onderscheiden in het K.B. nr. 2, bij K.B. konden verlengd worden; - er is een duidelijk en proceseconomisch en -organisatorisch verantwoord onderscheid tussen de in de artikelen 1, §1 en artikel 1, §2, tweede lid van voormeld K.B. nr. 2 vermelde termijnen, zodat deze bepalingen geen juridisch vergelijkbare, laat staan gelijkaardige, rechtssituaties viseren. De normaal aandachtige rechtszoekende kon er dan ook niet van uitgaan dat een eventueel door de wetgever later toe te stane verlenging meteen ook op dezelfde wijze voor alle in voormeld artikel 1 van het K.B. nr2 bepaalde termijnen zou gelden. IV. Op grond van alle hoger vermelde overwegingen oordeelt dit Hof van beroep dan ook dat het door [eiseres] ingesteld hoger beroep omwille van de laattijdigheid ervan (overschrijding van de reeds ingevolge Covid-19 pandemie wettelijk verlengde beroepstermijn) onontvankelijk is, zodat [eiseres] de kosten van dit hoger beroep t.o.v. [verweersters] dient te betalen” (bestreden arrest p. 7-9) Grieven (…) Derde onderdeel Krachtens artikel 26 § 1 van de Bijzondere wet van 26 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent, onder meer, de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II “De Belgen en hun rechten”, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. Krachtens artikel 26 § 2, eerste en derde lid van diezelfde Wet moet het rechtscollege waarvoor een prejudiciële vraag wordt opgeworpen, het Grondwettelijk Hof in beginsel verzoeken op deze vraag uitspraak te doen; het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in Cassatie, is er evenwel niet toe gehouden een opgeworpen prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof indien de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt. Deze bepaling bevat een uitzondering op de principiële verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag, en dient derhalve restrictief te worden geïnterpreteerd. Bij de minste twijfel is het rechtscollege verplicht de prejudiciële vraag te stellen, nu het zichzelf niet in de plaats kan stellen van het Grondwettelijk Hof en het zich de bevoegdheden van dat Hof niet kan toe-eigenen. Eiseres heeft de appelrechters verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van de corona-termijnregeling zoals vervat in artikel 1 KB nr. 2 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de vervaltermijn om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijkt vanaf de datum van de bekendmaking van dit besluit (9 april 2020) tot en met 17 mei 2020, van rechtswege wordt verlengd tot één maand na afloop van die termijn (hetzij nieuwe vervaldag 17 juni 2020), daar waar de vervaltermijn om een rechtsmiddel in de zin van artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek aan te wenden slechts van rechtswege wordt verlengd tot één maand na afloop van een periode die verstrijkt vanaf 9 april 2020 tot en met 3 mei 2020 (hetzij nieuwe vervaldag 3 juni 2020). Immers, indien de regeling inzake beroepstermijnen aan een identieke corona-regeling zou zijn onderworpen als de regeling inzake vorderingen in rechte, zou het hoger beroep van eiseres, ingesteld op 17 juni 2020, wel degelijk ontvankelijk zijn geweest, aangezien de initiële beroepstermijn verstreek op 14 mei 2020. De appelrechters overwegen evenwel dat “het door [eiseres] gehekeld onderscheid in het K.B. van 28 april 2020 wat betreft de verlenging van de termijnen zoals bepaald in het K.B. nr. 2 van 9 april 2020 klaarblijkelijk de artikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheids- en non discriminatiebeginsel) niet schendt, zodat krachtens artikel 26 §2 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof de geopperde prejudiciële vragen niet aan het Grondwettelijk Hof dienen gesteld te worden”. Zij overwegen dat er “een duidelijk en proceseconomisch en -organisatorisch verantwoord onderscheid [is] tussen de in de artikelen 1, §1 en artikel 1, §2, tweede lid van voormeld K.B. nr. 2 vermelde termijnen, zodat deze bepalingen geen juridisch vergelijkbare, laat staan gelijkaardige, rechtssituaties viseren. De normaal aandachtige rechtszoekende kon er dan ook niet van uitgaan dat een eventueel door de wetgever later toe te stane verlenging meteen ook op dezelfde wijze voor alle in voormeld artikel 1 van het K.B. nr2 bepaalde termijnen zou gelden”. Nochtans is de motivering van de appelrechters op dit punt niet van dien aard om elke redelijke twijfel dienaangaande uit te sluiten, in het bijzonder nu het wel degelijk gaat om vergelijkbare categorieën (procedurele vervaltermijnen) die verschillend worden behandeld (van rechtswege verlenging tot 17 juni indien initiële vervaldag in de periode 9 april – 17 mei vs. van rechtswege verlenging tot 3 juni indien initiële vervaldag in de periode 9 april – 3 mei). Concreet worden termijnen inzake rechtsmiddelen die vervallen in de periode 4 mei – 17 mei (zoals in onderhavige zaak) niét van rechtswege verlengd tot 17 juni, daar waar termijnen inzake vorderingen in rechte die vervallen in diezelfde periode wél van rechtswege worden verlengd tot 17 juni. Het ligt niet zonder meer voor de hand dat het onderscheid tussen een vordering in rechte en een rechtsmiddel voldoende is om een dergelijk verschil in behandeling te rechtvaardigen. Door te weigeren de prejudiciële vraag van eiseres te stellen aan het Grondwettelijk Hof, en zelf de grondwettigheidstoetsing door te voeren die voorbehouden is aan het Grondwettelijk Hof, schenden de appelrechters de artikelen 26 § 1 en 26 § 2, eerste en derde lid van de Bijzondere wet van 26 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Door voorts te oordelen dat kennelijk geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, hoewel wel degelijk sprake is van een onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën (procedurele vervaltermijnen), schenden de appelrechters de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 § 1 van KB nr. 2, zoals gewijzigd bij het verlengings-KB, evenals artikel 1 § 2 eerste lid van KB nr. 2. Daarbij verzoekt eiseres Uw Hof om te doen wat de appelrechters ten onrechte hebben verzuimd te doen, en de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden artikel 1 § 1 en § 2, eerste lid van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 april 2020 tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre deze bepalingen tot gevolg hebben dat de vervaltermijn om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijkt vanaf 4 mei 2020 tot en met 17 mei 2020, van rechtswege wordt verlengd tot 17 juni 2020, daar waar de vervaltermijn om een rechtsmiddel in de zin van artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek aan te wenden die verstrijkt in diezelfde periode, niét van rechtswege wordt verlengd?” III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Derde onderdeel Ontvankelijkheid 1. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel aan: aangezien aan de bekrachtiging van het koninklijk besluit van 28 april 2020 bij wet van 24 december 2020 geen retroactiviteit werd toegekend, was dit koninklijk besluit op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep op 17 juni 2020 opgenomen in een reglementair besluit; bijgevolg diende het onderdeel dat aanvoert dat de in dit koninklijk besluit opgenomen termijnverlenging het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel miskent, om te voldoen aan artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek, de schending aan te voeren van artikel 159 Grondwet. 2. Het koninklijk besluit van 28 april 2020 werd bekrachtigd bij wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), die in werking trad op 15 januari 2021. De appelrechters maken in hun arrest van 14 september 2021 toepassing van artikel 1, § 2, van het op dat ogenblik reeds bekrachtigde koninklijk besluit van 28 april 2020. Zij passen aldus een wetskrachtige norm toe en niet een reglementair besluit. Het onderdeel dat het arrest verwijt toepassing te hebben gemaakt van deze bepaling omdat zij strijdig zou zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, diende derhalve niet de schending aan te voeren van artikel 159 Grondwet. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 3. Wanneer de appelrechters hebben geweigerd om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending, door de wet, van de artikelen 10 en 11 Grondwet, en de eiser in het cassatiemiddel niet alleen de afwijzing van zijn vraag aanvecht, maar tevens de beslissing bekritiseert over het geschil zelf, dat voor hem de grond oplevert tot het opwerpen van een prejudiciële vraag, is het Hof in beginsel gehouden zelf die vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 4. Krachtens artikel 1, § 1, van het KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, worden in afwijking van de wettelijke en reglementaire bepalingen en onverminderd de door de bevoegde overheid getroffen of te treffen regelingen, de verjaringstermijnen en de andere termijnen om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijken vanaf de datum van de bekendmaking van dit besluit tot en met 3 mei 2020, einddatum die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit kan worden aangepast, van rechtswege verlengd tot één maand na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode. Krachtens paragraaf 2 worden in de ingeleide of nog in te leiden rechtsplegingen voor de hoven en rechtbanken de termijnen van rechtspleging of om een rechtsmiddel in de zin van artikel 21 Gerechtelijk Wetboek aan te wenden die verstrijken gedurende de in paragraaf 1 bedoelde, in voorkomend geval verlengde periode, en waarvan het verstrijken tot verval of tot een andere sanctie leidt of zou kunnen leiden indien niet tijdig wordt gehandeld, van rechtswege verlengd tot één maand na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode. 5. Krachtens artikel 1 van het KB van 28 april 2020 tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij het KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken worden in artikel 1, § 1, van het KB nr. 2 van 9 april 2020, uitsluitend voor wat betreft de toepassing van § 1, de woorden “3 mei 2020” vervangen door de woorden “17 mei 2020”. De Koning heeft geen reden gegeven waarom deze verlenging enkel geldt voor wat betreft de toepassing van § 1. De vraag rijst of de wetgever bij de verlenging van deze termijn op grondwettig toegelaten wijze een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de rechtzoekende die een vervaltermijn moet naleven bij het instellen van een vordering, en anderzijds degene die een vervaltermijn moet naleven bij het instellen van een rechtsmiddel. Er bestaat grond om het Grondwettelijk Hof de in het dictum vermelde vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: “Schenden artikel 1, § 1, en § 2, eerste lid, van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 april 2020 tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, bekrachtigd bij wet van 24 december 2020, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze bepalingen tot gevolg hebben dat de vervaltermijn om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijkt vanaf 4 mei 2020 tot en met 17 mei 2020, van rechtswege wordt verlengd tot 17 juni 2020, terwijl de vervaltermijn om een rechtsmiddel in de zin van artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek aan te wenden die verstrijkt in diezelfde periode, niet van rechtswege wordt verlengd?” Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221007.1N.2 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.