← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op het doen ondervragen van getuigen - Verhoor van getuigen à décharge - Noodzaak tot verhoor in het belang van de waarheidsvinding - Beoordeling - Criteria - Concrete omstandigheden van de zaak - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 3 - 6 De rechter is niet verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge: het volstaat dat de beklaagde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging; indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij niet meer aangeven of het verzoek van de beklaagde om de getuige ter rechtszitting te horen voldoende is onderbouwd; indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij bovendien onderzoeken of het niet horen van de getuige à décharge op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aantast; uit de weigering een getuige à décharge te horen op de rechtszitting die afdoende is gemotiveerd door de vaststelling dat de getuigenis niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en waarbij de rechter aangeeft dat de weigering het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet aantast, kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Recht op een eerlijk proces - Verhoor van getuigen à décharge - Weigering tot het verhoor van de getuige - Redenen - Vermoeden van onschuld Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.2 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op het doen ondervragen van getuigen - Verhoor van getuigen à décharge - Weigering tot het verhoor van de getuige - Redenen - Vermoeden van onschuld Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.2 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Verhoor van getuigen à décharge - Weigering tot het verhoor van de getuige - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.2 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verhoor van getuigen à décharge - Weigering tot het verhoor van de getuige - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1, 6.2 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.0982.N K J, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Omar Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 13 juni 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis miskent eisers recht van verdediging door M.M. niet te horen als getuige op de rechtszitting; het bestreden vonnis heeft nagelaten het verzoek van de eiser om de getuige te horen te onderzoeken volgens de drieledige test die voortvloeit uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; die drieledige test houdt in dat wordt nagegaan of het verzoek de getuige te horen voldoende gemotiveerd is en relevant voor het voorwerp van de beschuldiging, of de relevantie van de getuigenis is overwogen en de beslissing de getuige niet te horen voldoende is gemotiveerd en of de beslissing de getuige niet te horen de eerlijkheid van de procedure in zijn geheel beschouwd niet heeft ondermijnd; het bestreden vonnis heeft het eerste criterium niet concreet beoordeeld; het tweede criterium is evenmin correct beoordeeld; de redenen die het bestreden vonnis vermeldt om de getuige niet te horen, zijn niet afdoend; aangezien het gevraagde getuigenverhoor het laatste redmiddel is voor de eiser om zijn onschuld aan te tonen, kan de beperkte en kortzichtige motivering van de rechtbank om het verzoek af te wijzen niet volstaan; wat het derde criterium betreft maakt het bestreden vonnis door het verzoek om het getuigenverhoor af te wijzen het de eiser onmogelijk zijn onschuld aan te tonen, zodat zijn recht op een eerlijk proces wel in het gedrang komt. 2. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. 3. Deze verdragsbepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting te horen. 4. Uit deze verdragsbepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter aan wie wordt gevraagd een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dit verzoek moet toetsen aan de hand van de volgende drie criteria:

  1. i)het voldoende onderbouwd zijn van het verzoek tot het horen van de getuige à décharge op de rechtszitting en de relevantie van die getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging;
  2. ii)het voorhanden zijn van afdoende redenen voor de beslissing dat de getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en dus voor de beslissing de getuige niet te horen ter rechtszitting; iii) de impact van de beslissing de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting op het recht van de beklaagde op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd. 5. De beoordeling van de relevantie van de getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging mag niet abstract gebeuren, maar vereist een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak. De rechter moet bijgevolg zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 6. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten, het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert en de ongeloofwaardigheid van de inhoud van een dergelijke geschreven verklaring. Ook kan rekening worden gehouden met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt en voortgang ervan, met de door de beklaagde gevolgde verdedigingsstrategie en de proceshouding van de beklaagde. 7. Het is niet vereist dat de rechter al de voormelde elementen betrekt bij zijn beoordeling over de relevantie van de getuigenis. 8. De rechter is niet verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge: het volstaat dat de beklaagde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging. 9. Indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij niet meer aangeven of het verzoek van de beklaagde om de getuige ter rechtszitting te horen voldoende is onderbouwd. 10. Indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij bovendien onderzoeken of het niet horen van de getuige à décharge op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aantast. 11. Uit de weigering een getuige à décharge te horen op de rechtszitting die afdoende is gemotiveerd door de vaststelling dat de getuigenis niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en waarbij de rechter aangeeft dat de weigering het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet aantast, kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid. 12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 13. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het proces-verbaal betreffende de met de telastlegging A geviseerde verkeersovertreding van 17 juni 2019 werd toegestuurd aan de vennootschap-kentekenplaathouder, die daarop niet heeft gereageerd; - daarop heeft de federale politie een kopie van het proces-verbaal met antwoordformulier verzonden aan de eiser, die zaakvoerder is van de vennootschap-kentekenplaathouder; - de eiser heeft na een tussenkomst van de lokale politie Antwerpen op 28 augustus 2019 S.E.B aangeduid als bestuurder van het voertuig waarmee de overtreding werd begaan; - S.E.B. heeft daarop op 21 januari 2020 verklaard dat hij zeker niet de bestuurder was van het voertuig: hij gebruikte soms wel dit voertuig om bestellingen af te geven in de omgeving van Borgerhout, maar reed nooit in de richting Gent; - uitnodigingen aan de vennootschap-kentekenplaathouder en aan de eiser om gelet op de verklaring van S.E.B. alsnog de bestuurder van het voertuig aan te duiden, bleven zonder gevolg; - de eiser heeft op de rechtszitting van de politierechtbank op verzet van 2 juni 2021 een getypte verklaring van M.M. ingediend waarin die op eer verklaarde op 17 juni 2019 bestuurder van het voertuig te zijn geweest waarmee de overtreding werd begaan, alsook een kopie van de verblijfstitel van M.M.; - in een op 28 februari 2022 ingediende conclusie en op de rechtszitting van 9 mei 2022 heeft de eiser voorgehouden dat de aanduiding van S.E.B op een misverstand berustte en dat een andere werknemer, namelijk M.M., de bestuurder van het voertuig was; - de eiser heeft noch tijdens het vooronderzoek noch bij de behandeling voor de eerste rechter gevraagd M.M. als getuige à décharge te horen; - de eiser is de enige zaakvoerder van de vennootschap-kentekenplaathouder; - de eiser heeft niet gereageerd op het verzoek het antwoordformulier met vermelding van de naam van de bestuurder terug te sturen; - de eiser heeft pas, na te zijn gecontacteerd door de lokale politie Antwerpen, de naam van S.E.B. meegedeeld als bestuurder; - nadat gebleken was dat S.E.B ontkende de bestuurder te zijn geweest, is de eiser niet ingegaan op drie verschillende uitnodigingen tot verhoor die hem werden toegestuurd; - pas bij de behandeling van de zaak op verzet voor de politierechtbank van 2 juni 2021, dit is meer dan 23 maanden na de feiten, legt de raadsman van de eiser voor de eerste maal een verklaring van M.M. neer van 25 mei 2021, nadat de eiser verzet aantekende tegen het verstekvonnis van 24 februari 2021, eveneens meer dan 23 maanden na de feiten, verklaring waarin M.M. plots erkent bestuurder van het voertuig te zijn geweest; - de rechtbank twijfelt niet eraan dat de verklaring, die werd opgesteld door de beweerde bestuurder, wiens identiteit dus pas bijna 2 jaar na de feiten werd bekendgemaakt, niet overeenkomt met de werkelijkheid en louter werd opgesteld om de eiser, enig zaakvoerder van de vennootschap-kentekenplaathouder, ter wille te zijn, niet in het minst gelet op het feit dat de eiser op 25 mei 2021, dit is de datum waarop de verklaring van M.M. werd opgesteld, inmiddels verzet had aangetekend tegen het vonnis van de politierechtbank van 24 februari 2021 en dus had vernomen dat hij onder meer werd vervolgd en bij verstek werd veroordeeld wegens een inbreuk op artikel 48 Wegverkeerswet; - de rechtbank ziet dan ook geen enkele reden om over te gaan tot het verhoor van M.M.: uit het voorgelegde stuk van M.M. blijkt dat deze in strijd met de overige dossiergegevens voorhoudt bestuurder te zijn van het voertuig waarmee de overtreding werd begaan; - het niet-horen van M.M. levert geen miskenning op van het recht van verdediging, aangezien de eiser tot driemaal toe de kans kreeg om tijdens het vooronderzoek bijkomend onderzoek te vragen, maar telkenmale niet is ingegaan op de uitnodigingen en aldus zelf de situatie creëerde waarin de identiteit van de door hem als bestuurder aangeduide persoon pas meer dan 23 maanden na de feiten werd bekendgemaakt; - in de gegeven omstandigheden heeft de eiser de waarde van het getuigenverhoor naast en bovenop de geschreven verklaring van M.M. nihil gemaakt. 14. Aldus vermeldt het bestreden vonnis de concrete omstandigheden eigen aan de zaak waaruit het afleidt dat het horen van M.M. als getuige à décharge op de rechtszitting geen relevantie heeft voor het voorwerp van de beschuldiging en stelt het bovendien vast dat het niet-horen van M.M. eisers recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet aantast. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.