← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.16 Rolnummer: P.22.0349.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-10-14 Raadplegingen: 826 - laatst gezien 2026-06-15 08:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Uit de samenhang van artikel 59, § 3 Wegverkeerswet, artikel 26 KB Ademtest- en analysetoestellen en de Bijlage 2 bij dat KB volgt dat wanneer een tweede ademanalyse wordt uitgevoerd, een derde ademanalyse moet worden uitgevoerd indien het tweede resultaat hoger of lager is dan de door de nauwkeurigheidsvoorschriften bepaalde maximaal toegelaten afwijking op het resultaat van de eerste analyse en niet op het resultaat van de tweede analyse

(1).
(1)Cass. 6 oktober 2020, AR P.20.0528.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.13, AC 2020, nr. 610, RW 2020-21,
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 59 Vrije woorden: Ademanalyse - Nauwkeurigheidsvoorschriften - Vereiste afwijking voor een derde ademanalyse Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 59, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen - 21-04-2007 - Art. 26 - 40 ELI link Pub nr 2007014149 KB 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen - 21-04-2007 - Bijlage 2 - 40 ELI link Pub nr 2007014149 Fiche 2 De regels die gelden voor de afronding van de nauwkeurigheidsvoorschriften worden omschreven in artikel 4.3.
  2. van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen en niet in punt 3.7 van diezelfde bijlage, dat betrekking heeft op de afronding van het resultaat van de ademanalyse; de bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt onder punt 4.3.
  3. over de afronding dat de fouten worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig; dit betekent dat een meting die op een duizendste nauwkeurig is, moet worden afgerond op een honderdste, namelijk op een hoger cijfer indien het duizendste dit hoger cijfer het dichtst benadert of op een lager cijfer indien het duizendste dit lager cijfer het dichtst benadert
(1).
(1)Cass. 6 oktober 2020, AR P.20.0528.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.13, AC 2020, nr. 610, RW 2020-21,
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 59 Vrije woorden: Ademanalyse - Nauwkeurigheidsvoorschriften - Afronding van de resultaten per honderdsten na de komma - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 59, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen - 21-04-2007 - Art. 26 - 40 ELI link Pub nr 2007014149 KB 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen - 21-04-2007 - Bijlage 2, punten 3.7 en 4.3.4 - 40 ELI link Pub nr 2007014149 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0349.N P A I H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kilian Rabau, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 2 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 59, § 3, Wegverkeerswet en punt 4.3.
  4. van bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen (hierna KB Ademtest- en analysetoestellen): het oordeel dat de foutmarge van 7,5 procent moet worden toegepast op het resultaat van de eerste ademanalyse, dat 0,66 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht (hierna mg/l) bedroeg, en niet op dat van de tweede ademanalyse, dat 0,61 mg/l bedroeg, is niet naar recht verantwoord; na te hebben vastgesteld dat het in mindering brengen van de maximale foutmarge van 7,5 procent op 0,66 mg/l leidt tot een resultaat van 0,61
(05)mg/l, oordelen de appelrechters aldus ten onrechte dat het resultaat van de tweede analyse binnen de foutmarge valt; de maximale foutmarge moet worden toegepast op iedere aanwijzing in plus of in min en dus ook op het resultaat van de tweede ademanalyse; de toepassing in plus van de maximale foutmarge van 7,5 procent op 0,61 mg/l leidt tot een resultaat van 0,656 mg/l, zodat de afwijking tussen de resultaten van de eerste ademanalyse en de tweede ademanalyse de maximale foutmarge van 7,5 procent overschrijden en die tweede ademanalyse als niet-uitgevoerd moet worden beschouwd.
  1. Artikel 59, § 3, Wegverkeerswet bepaalt: “Op verzoek van de in § 1, 1° en 2°, bedoelde personen aan wie een ademanalyse werd opgelegd, wordt onmiddellijk een tweede analyse uitgevoerd en, indien het verschil tussen deze twee resultaten meer bedraagt dan de door de Koning bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, een derde analyse. Indien het eventuele verschil tussen twee van deze resultaten niet meer bedraagt dan de hierboven bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, wordt het laagste resultaat in aanmerking genomen. Indien het verschil groter is, wordt de ademanalyse als niet uitgevoerd beschouwd.”
  2. Artikel 26 KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt: “Aan de betrokkene moet uitgelegd worden dat hij een tweede ademanalyse mag vragen, dat bij een eventueel verschil tussen de twee resultaten van meer dan de in bijlage 2 bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften een derde ademanalyse wordt uitgevoerd, en dat indien de drie verschillen tussen die drie resultaten groter zijn dan de voormelde nauwkeurigheidsvoorschriften, een bloedproef wordt uitgevoerd.”
  3. De bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt onder punt 3.6: “Meetcyclus De meetcyclus bestaat uit één enkelvoudige geldige meting van de AAC. Een persoon die een ademanalyse moet ondergaan, mag een tweede ademanalyse vragen. Indien het toestel mondalcohol waarneemt, zal een tweede meetcyclus worden uitgevoerd, evenwel met een tussentijd van minimum 15 minuten. Bij een eventueel verschil tussen de twee resultaten, dat groter is dan de voorschriften van punt 4.3, zal een derde ademanalyse uitgevoerd worden. Indien de drie verschillen tussen de drie resultaten groter zijn dan de hoger vermelde nauwkeurigheidsvoorschriften, zal overgegaan worden naar een bloedproef.”
  4. Punt 4.3.
  5. van de bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt de voormelde nauwkeurigheidsvoorschriften als volgt: “Voor de analysatoren in gebruik De maximum toegelaten fouten op iedere aanwijzing zijn in plus of min: - 0,03 mg/l voor iedere ethanolconcentratie lager dan 0,4 mg/l lucht - 7,5 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 0,4 mg/l tot 1,0 mg/l lucht - 15 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 1,0 mg/l tot 2,0 mg/l lucht - 30 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 2,0 mg/l tot 3,0 mg/l lucht.”
  6. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat wanneer een tweede ademanalyse wordt uitgevoerd, een derde ademanalyse moet worden uitgevoerd indien het tweede resultaat hoger of lager is dan de door de nauwkeurigheidsvoorschriften bepaalde maximaal toegelaten afwijking op het resultaat van de eerste analyse en niet op het resultaat van de tweede analyse.
  7. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 59, § 3, Wegverkeerswet en punt 4.3.
  9. van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen: het oordeel dat de maximale foutmarge bij de ademanalyse niet werd overschreden, miskent de afrondingsregels die gelden bij de nauwkeurigheidsvoorschriften en is bijgevolg niet naar recht verantwoord; het in mindering brengen van de maximale foutmarge van 7,5 procent op het eerste analyseresultaat van 0,66 mg/l heeft tot gevolg dat de afwijking maximaal 0,0495 mg/l mocht bedragen, wat moet worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig; de afronding kan aldus zowel 0,049 mg/l als 0,050 mg/l bedragen; ingevolge die onduidelijkheid moet de voor de beklaagde meest gunstige afronding tot de laagste aanvaardbare maximale afwijking worden genomen, dit is dus 0,049 mg/l, zodat de maximale foutmarge wel degelijk werd overschreden en de ademanalyses als niet uitgevoerd moeten worden beschouwd.
  10. De regels die gelden voor de afronding van de nauwkeurigheidsvoorschriften worden omschreven in artikel 4.3.
  11. van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen en niet in punt 3.7 van diezelfde bijlage, dat betrekking heeft op de afronding van het resultaat van de ademanalyse.
  12. De bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt onder punt 4.3.
  13. over de afronding dat de fouten worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig. Dit betekent dat een meting die op een duizendste nauwkeurig is, moet worden afgerond op een honderdste, namelijk op een hoger cijfer indien het duizendste dit hoger cijfer het dichtst benadert of op een lager cijfer indien het duizendste dit lager cijfer het dichtst benadert.
  14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Met het oordeel dat het in mindering brengen van de maximale foutmarge van 7,5 procent op 0,66 mg/l leidt tot een resultaat van 0,61
(05)mg/l, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat het resultaat van de tweede analyse, zijnde 0,61 mg/l, binnen de foutmarge valt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.