← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 Rolnummer: P.22.0652.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-10-14 Raadplegingen: 976 - laatst gezien 2026-06-18 19:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 De rechter op verzet kan een verzet tegen een verstekvonnis maar onontvankelijk verklaren wegens laattijdigheid, indien vaststaat dat de betrokkene behoorlijk werd ingelicht over de termijn om verzet aan te tekenen; de rechter op verzet oordeelt onaantastbaar of dit het geval is; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Cass. 22 maart 2022, AR P.21.1502.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13 met concl. OM; Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0327.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.13; Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0148.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.4, AC 2020, nr. 302; Cass. 26 november 2019, AR P.19.0556.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10, AC 2019, nr. 624; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0490.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2, AC 2017 nr. 428; Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, AC 2016, nr. 168 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., T. Strafr. 2016, 236 noot T. DECAIGNY; Cass. 23 februari 2011, AR P.10.2047.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2, AC 2011, nr. 161, T. Strafr. 2011, 207 noot C. VAN DEUREN, RW 2012-13, 216 noot B. DE SMET; Zie ook EHRM 24 mei 2007, Da Luz Dominguez Ferreira t/België, EHRM 29 juni 2010, Hakimi t/België, §34-37 en EHRM 1 maart 2011, Faniel t/België, www.echr.coe.int, §30; GwH 11 oktober 2018, arrest 134/2018, www.const-court.be; K. VEECKMANS, “Informatieplicht tijdens de buitengewone verzetstermijn”, T. Strafr. 2021, 221-226; B. DE SMET, Verstek en verzet in strafzaken, Larcier, 2020, 78-82; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1663-1666; C. VANDEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 1428-
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Strafzaken - Veroordeling bij verstek - Verzet - Informatie over het verzet bij de betekening van de verstekbeslissing - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Informatie over het verzet bij de betekening van de verstekbeslissing - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0652.N M L M V H, beklaagde, gedetineerd, eiser, met als raadsman David Frejlich, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 21 april 2022 (nr. 591). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de door artikel 40, laatste lid, Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving van 17 mei 2021 aan de eiser betreffende het hem met het verstekvonnis van 26 oktober 2020 opgelegde verval een behoorlijke en regelmatige mededeling is van zijn recht op verzet tegen het verstekvonnis van 26 oktober 2020; uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een veroordeelde, zeker indien hij niet werd bijgestaan door een raadsman, onmiddellijk en op betrouwbare en officiële wijze in kennis moet worden gesteld van de rechtsmiddelen en de termijnen die gelden voor het instellen van het verzet; het recht op verzet en de termijn zijn in de kennisgeving van 17 mei 2021 slechts vermeld in kleine letters en dit onder een randnummer c, bijna op het einde van het kennisgevingsformulier; bovendien vermeldt de kennisgeving met de in vet aangebrachte mededeling dat wijziging aan de uitspraak van het rijverbod niet mogelijk is en dat de verstekbeslissing een definitieve beslissing is, wat onjuist is; een dergelijke misleidende, tegenstrijdige en onjuiste mededeling is geen behoorlijke en regelmatige kennisgeving van het recht op verzet.
  3. De artikelen 10 en 11 Grondwet zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  4. De rechter op verzet kan een verzet tegen een verstekvonnis maar onontvankelijk verklaren wegens laattijdigheid, indien vaststaat dat de betrokkene behoorlijk werd ingelicht over de termijn om verzet aan te tekenen.
  5. De rechter op verzet oordeelt onaantastbaar of dit het geval is.
  6. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Van het verstekvonnis van 26 oktober 2020 werd voor wat betreft het uitgesproken verval aan de eiser overeenkomstig artikel 40, laatste lid, Wegverkeerswet op 17 mei 2021 kennis gegeven. Het kennisgevingsformulier vermeldt na de informatie over het uitgesproken verval en verjaringstermijn in vette druk dat “Wijzigingen aan de uitspraak van het rijverbod NIET mogelijk (zijn)”. Onderaan het formulier is in een klein lettertype vermeld: “Tevens werd de veroordeelde eraan herinnerd dat: (…) c) Hij/zij tegen een veroordeling bij verstek het rechtsmiddel van verzet kan aantekenen binnen de vijftien dagen na huidige kennisgeving via gerechtsdeurwaardersexploot of verklaring aan de gevangenisdirecteur van de strafinrichting bij de rechtbank waar het verstek werd uitgesproken.”
  9. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de door de eiser ondertekende kennisgeving vermeldt in fine uitdrukkelijk “Tevens werd de veroordeelde eraan herinnerd dat: (…) c) Hij/zij tegen een veroordeling bij verstek het rechtsmiddel van verzet kan aantekenen binnen de vijftien dagen na huidige kennisgeving via gerechtsdeurwaardersexploot of verklaring aan de gevangenisdirecteur van de strafinrichting bij de rechtbank waar het verstek werd uitgesproken”; - deze vermelding is in voldoende duidelijke en leesbare bewoordingen opgesteld; - door het verstrijken van de gewone termijn voor verzet krijgt de verstekbeslissing kracht van gewijsde en is de veroordeling bijgevolg uitvoerbaar. Het betreft echter een kracht van gewijsde onder voorbehoud van het aantekenen van buitengewoon verzet. Elke mogelijke twijfel die bij een leek zou kunnen rijzen bij het lezen van de kennisgeving over de mogelijkheid om nog een rechtsmiddel aan te wenden tegen het betreffende vonnis, wordt met de hierboven aangehaalde duidelijke vermelding aan het einde van de kennisgeving volledig weggenomen; - de kennisgeving is in haar geheel beschouwd niet misleidend.
  10. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat met de kennisgeving van 17 mei 2021 de eiser werd geïnformeerd over de termijn om verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis van 26 oktober 2020 en dat het door de eiser op 25 oktober 2021 ingestelde verzet laattijdig is en om die redenen niet ontvankelijk. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.