id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221017.3N.5 Rolnummer: S.21.0087.N Zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID c. AZ TURNHOUT vzw Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-11-22 Raadplegingen: 679 - laatst gezien 2026-06-17 05:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het is niet discriminerend het toepassingsgebied van het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers uit te breiden tot bepaalde categorieën van personen die niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden, maar die sociaaleconomisch beschouwd “arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst”, zelfs al zijn zij daarbij niet onderworpen aan het gezag van een andere persoon voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdrageplicht - Toepassingsgebied - Uitbreiding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 2, § 1, 1° - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 3, 1° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 11 - Sociale zekerheid - Werknemers - Bijdrageplicht - Toepassingsgebied - Uitbreiding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 2, § 1, 1° - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 3, 1° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Fiches 3 - 4 Anders dan de vennootschapsmandatarissen leveren de mandatarissen in de zin van artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet in feite hun arbeidsprestaties in vrijwel dezelfde voorwaarden als de werknemers; het onderscheid is niet louter gesteund op de rechtsvorm of het doel van de organisatie waarvoor de prestaties worden geleverd, maar op de afhankelijkheidssituatie en de sociaaleconomische toestand van de mandataris die er het gevolg van is. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Uitbreiding - Hoedanigheid van lasthebber - Niet-commerciële organisaties - Handelsvennootschappen - Onderscheid Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 2, § 1, 1° - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 3, 1° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 11 - Sociale zekerheid - Werknemers - Bijdrageplicht - Toepassingsgebied - Uitbreiding - Hoedanigheid van lasthebber - Niet-commerciële organisaties - Handelsvennootschappen - Onderscheid Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 2, § 1, 1° - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 3, 1° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0087.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- AZ TURNHOUT vzw, met zetel te 2300 Turnhout, Steenweg op Merksplas 44, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0897.191.602,
- J.L., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders woonplaats kiezen, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 30 juli
- Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel Ontvankelijkheid
- De verweerder werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid op: - het onderdeel heeft geen belang omdat het arrest onbekritiseerd vaststelt dat voor de periode waarvoor de eiser socialezekerheidsbijdragen vordert, niet de verweerder, maar Eleyas bv was aangesteld als bestuurder van de verweerster en belast was met het dagelijks bestuur; aangezien het dagelijks bestuur van de verweerster niet werd waargenomen door een natuurlijke persoon, maar door een rechtspersoon zijn de voorwaarden voor de toepassing van artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet niet vervuld en kan het geen toepassing vinden op de verweerders; het dictum van het arrest kan worden vervangen door deze rechtsgrond; - de overweging van het arrest dat er, louter op grond van het onbaatzuchtig doel van de vereniging/opdrachtgever, geen objectieve rechtvaardiging is om de sociale lasthebbers zonder meer gelijk te stellen met werknemers en hen zodoende op het vlak van sociale zekerheid anders te behandelen dan lasthebbers van andere organisaties en verenigingen, inzonderheid van vennootschappen, volstaat voor het oordeel dat artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet onwettig is.
- Met de loutere vaststelling dat Eleyas bv werd aangesteld als bestuurder van de verweerster, geeft het arrest niet te kennen dat de verweerder geen lasthebber is van de verweerster noch dat de voorwaarden bepaald in artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet niet vervuld zouden zijn. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.
- Het onderzoek van de tweede grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is niet te scheiden van het onderzoek van de gegrondheid ervan. Ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Artikel 2, § 1, 1°, RSZ-wet bepaalt dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet kan uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd. Artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet bepaalt dat de toepassing van de wet wordt verruimd tot de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen, verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is miskend wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat.
- Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de in artikel 2, § 1, RSZ-wet bedoelde “personen die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst”, de zogenaamde marginale arbeidskrachten uit de privé-sector worden beoogd. Dit zijn de personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers maar die wegens de aard van de door hen gesloten overeenkomst juridisch niet kunnen aangezien worden als arbeidend onder het gezag van een ander persoon. De uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet heeft tot doel deze personen die in sociaal-economisch opzicht in een zelfde toestand verkeren als de werknemers, dezelfde sociale bescherming te verlenen.
- Het is niet discriminerend het toepassingsgebied van het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers uit te breiden tot bepaalde categorieën van personen die niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden, maar die sociaaleconomisch beschouwd “arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst”, zelfs al zijn zij daarbij niet onderworpen aan het gezag van een andere persoon voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.
- De in artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet bepaalde voorwaarden kunnen worden beschouwd als voorwaarden die het mogelijk maken de arbeidsbetrekkingen tussen personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of de dagelijkse leiding van in die bepaling bedoelde verenigingen en organisaties, en die verenigingen en organisaties, gelijk te stellen met die van een arbeidsovereenkomst. Een mandataris in de zin van artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet is socio-economisch afhankelijker van zijn opdrachtgever dan een vennootschapsmandataris die, onder dezelfde voorwaarden, het dagelijks beheer of de dagelijkse leiding van een commerciële vennootschap waarneemt, omdat een sociale mandataris geen eigen financieel belang kan hebben in de organisatie van zijn opdrachtgever, zijnde een sociale niet-commerciële organisatie, noch deze organisatie kan aanwenden voor een eigen zelfstandige activiteit, wat een vennootschapsmandataris, wel kan doen. Hieruit volgt dat, anders dan de vennootschapsmandatarissen de mandatarissen in de zin van artikel 3, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet in feite hun arbeidsprestaties leveren in vrijwel dezelfde voorwaarden als de werknemers. Het onderscheid is dus niet louter gesteund op de rechtsvorm of het doel van de organisatie waarvoor de prestaties worden geleverd, maar op de afhankelijkheidssituatie en de sociaal-economische toestand van de mandataris die er het gevolg van is.
- Deze reden voor het toegepaste onderscheid is objectief en redelijk verantwoord. Het arrest dat anders oordeelt, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 17 oktober 2022 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221017.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div