id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221017.3N.7 Rolnummer: S.21.0027.N Zaak: D. contra Biscuits Bofin n.v. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2022-11-22 Raadplegingen: 675 - laatst gezien 2026-06-17 06:24 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221017.3N.7 Fiche De gedwongen uitvoering van een rechterlijke veroordeling tot betaling aan de werknemer van een aantal loonbedragen, zelfs wanneer die gedwongen uitvoering het volledig brutobedrag betreft, belet de werkgever niet om de werknemersbijdrage in te houden en slechts het netto-gedeelte in handen van de gerechtsdeurwaarder te betalen; hieruit volgt dat de werkgever die die inhouding niet verricht, nalatig is in de zin van artikel 26, eerste lid, RSZ-wet
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Loon - Rechterlijke veroordeling - Gedwongen uitvoering - Brutolonen - Werknemersbijdragen - Verhaal op de werknemer Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 23, § 1, en 26, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0027.N D.D.M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BISCUITS BOFIN nv, met zetel te 2580 Putte, Mechelbaan 690, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.826.764, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder François Meeus, met kantoor te 2800 Mechelen, Leopoldstraat 9, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 november
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 19 september 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 23, § 1, RSZ-wet wordt de werknemersbijdrage door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid verschuldigd, samen met de werkgeversbijdrage. Krachtens artikel 26, eerste lid, RSZ-wet mag de werkgever op de werknemer niet de werknemersbijdrage verhalen, waarvan hij de inhouding te gepasten tijde zou nagelaten hebben te verrichten.
- De gedwongen uitvoering van een rechterlijke veroordeling tot betaling aan de werknemer van een aantal loonbedragen, zelfs wanneer die gedwongen uitvoering het volledig brutobedrag betreft, belet de werkgever niet om de werknemersbijdrage in te houden en slechts het netto-gedeelte in handen van de gerechtsdeurwaarder te betalen. Hieruit volgt dat de werkgever die die inhouding niet verricht, nalatig is in de zin van voormeld artikel 26, eerste lid, RSZ-wet.
- De appelrechters stellen vast dat: - de verweerster bij vonnis van 14 juni 2016 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, werd veroordeeld tot betaling aan de eiser van een aantal loonbedragen, te verminderen met de verplichte inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing; - de gerechtsdeurwaarder op 7 december 2017 een uitvoerend beslag met verkoopdagstelling op 20 januari 2018 betekende aan de verweerster; - het in het beslagexploot opgenomen bevel tot betalen betrekking had op de bruto-hoofdsom vermeld in het vonnis van 14 juni 2016, meer kosten en interest; - de partijen een akkoord bereikten over een afbetaling, waarop de verweerster het brutobedrag in drie schijven betaalde in handen van de gerechtsdeurwaarder, die dit brutobedrag vervolgens overmaakte aan de eiser.
- De appelrechters die vervolgens oordelen dat artikel 26, eerste lid, RSZ-wet geen toepassing vindt en de eiser verplicht is tot terugbetaling aan de verweerster van de werknemersbijdragen, omdat de niet-inhouding van de werknemersbijdragen door de verweerster het gevolg was van het feit dat de gerechtsdeurwaarder het brutobedrag invorderde en dit brutobedrag vervolgens doorstortte aan de eiser, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daarover aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare terechtzitting van 17 oktober 2022 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221017.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221017.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div