← België

D. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen - Onmogelijkheid dit recht onverkort uit te oefenen gelet op de jeugdige leeftijd van de getuige - Miskenning van het recht van verdediging - Voorhanden zijn van compenserende factoren - Draagwijdte - Deskundigenonderzoek betreffende de betrouwbaarheid van de geregistreerde verklaring van de getuige - Gevolg - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Recht van verdediging in strafzaken - Recht op tegenspraak - Recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen - Onmogelijkheid dit recht onverkort uit te oefenen gelet op de jeugdige leeftijd van de getuige - Miskenning van het recht van verdediging - Voorhanden zijn van compenserende factoren - Draagwijdte - Deskundigenonderzoek betreffende de betrouwbaarheid van de geregistreerde verklaring van de getuige - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Recht van verdediging in strafzaken - Recht op tegenspraak - Recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen - Onmogelijkheid dit recht onverkort uit te oefenen gelet op de jeugdige leeftijd van de getuige - Miskenning van het recht van verdediging - Voorhanden zijn van compenserende factoren - Draagwijdte - Deskundigenonderzoek betreffende de betrouwbaarheid van de geregistreerde verklaring van de getuige - Gevolg - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen - Onmogelijkheid dit recht onverkort uit te oefenen gelet op de jeugdige leeftijd van de getuige - Miskenning van het recht van verdediging - Voorhanden zijn van compenserende factoren - Draagwijdte - Deskundigenonderzoek betreffende de betrouwbaarheid van de geregistreerde verklaring van de getuige - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.0674.N R E R D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Haantjeslei 69A, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. E L, burgerlijke partij,
  2. K J, burgerlijke partij,
  3. E L en K J, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon A J, geboren op ( … ), burgerlijke partijen, verweerders, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 april
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  5. Voor wat betreft de verweerders 3 veroordeelt het arrest de eiser tot betaling van een voorschot, stelt het een deskundige aan en stelt het de behandeling van de zaak in voortzetting op een latere rechtszitting. Dit is geen eindbeslissing noch een beslissing waartegen onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld op grond van artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser in hoofdzaak op het audiovisuele verhoor van een vierjarig kind, waarvan de betrouwbaarheid, hoewel die twijfelachtig is, door een gerechtsdeskundige is bevestigd in een niet op tegenspraak uitgevoerd deskundigenonderzoek; indien een getuigenverklaring als doorslaggevend bewijs wordt aangewend, moet de verdediging een zo groot mogelijke tegenspraak worden gegund of moeten er compenserende waarborgen worden geboden om het recht van verdediging te eerbiedigen; ongeacht eisers verweer over het gebrek aan tegenspraak bij het deskundigenonderzoek, steunt het arrest de beslissing toch grotendeels op de getuigenverklaring van het kind.
  7. Het feit dat een beklaagde zijn in artikel 6.3.d EVRM bepaalde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen niet onverkort kan uitoefenen, bijvoorbeeld wegens de jonge leeftijd van de getuige, leidt niet tot de miskenning van het recht van verdediging van die beklaagde wanneer er voor dat gebrek aan tegenspraak voldoende compenserende factoren aanwezig zijn. Dat vereist echter niet dat een deskundigenonderzoek, strekkende tot het adviseren van de rechter over de betrouwbaarheid van de audiovisueel geregistreerde verklaringen van het kind, op tegenspraak ten aanzien van de beklaagde plaatsvindt. De compensatie kan immers ook erin bestaan dat de beklaagde bij de behandeling van zijn zaak voor de vonnisrechter de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van het kind en het advies daarover van de gerechtsdeskundige ongehinderd kan betwisten en tegenspreken. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen wettig heeft kunnen afleiden dat het recht van verdediging al dan niet werd gerespecteerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het arrest (p. 8-10) oordeelt: - de onderzoeksrechter heeft op eisers verzoek in oktober 2020 nog verder bij¬komend onderzoek uitgevoerd. Er werd meer in het bijzonder een deskundige aangesteld om over te gaan tot een toetsing van de waarheidsgetrouwheid van de audiovisuele registratie van de door het kind afgelegde verklaring; - de verdediging heeft de mogelijkheid benut om het audiovisueel verhoor te bekijken en over alle aspecten ervan tegenspraak te voeren; - het hof van beroep benadrukt dat de beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering ten aanzien van de eiser berust op de verder toegelichte gegevens van het strafdossier, de pleidooien, de neergelegde conclusies en stukken en het tegensprekelijk debat ter rechtszitting; - verder heeft de verdediging ter gelegenheid van de tegensprekelijke debatten in eerste aanleg en in hoger beroep haar recht van verdediging ten volle kunnen uitoefenen. Zij kon alle aantijgingen weerleggen en ontkrachten en alle elementen aanvoeren die zij noodzakelijk achtte voor de verdediging van de eiser; - bij de beoordeling of eisers recht van verdediging al dan niet werd miskend, dient de strafprocedure in haar geheel te worden bekeken. Gegeven wat voorafgaat, werden eisers recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces tijdens de gehele duur van het strafproces gerespecteerd, zodat er geen sprake is van enige onontvankelijkheid van de strafvordering. Op grond van die redenen, die niet worden tegengesproken door enige andere reden van het arrest, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat eisers recht van verdediging, met inbegrip van zijn recht op tegenspraak, is gerespecteerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. In zoverre het middel voor het overige aanvoert dat er ernstige twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de verklaring van het kind, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart geen rekening te houden met de inhoud van de vóór het audiovisueel verhoor door de verweerders 1 en 2 opgenomen filmpjes, onder meer vervat in het navolgend proces-verbaal nr. 002843/20 van 21 april 2020, waarbij zijzelf hun zoon vragen stellen over hetgeen bij de eiser is gebeurd; de eiser had echter gevraagd om wel met deze filmpjes rekening te houden bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van het kind; het arrest sluit zodoende bewijsmateriaal uit, wat door niemand is gevraagd, en beoordeelt de betrouwbaarheid van de verklaring van het kind en dus ook de schuldvraag op grond van een onvolledig strafdossier; de rechter moet zijn beslissing baseren op het ganse strafdossier met inbegrip van de gegevens à décharge en mag de bewijskracht van het vermelde proces-verbaal niet miskennen door het buiten beschouwing te laten; de eiser heeft gevraagd rekening te houden met de uiterst suggestieve en derhalve veelzeggende vraagstelling door de verweerders 1 en 2; de deskundige heeft geen kennis van die gegevens gekregen; minstens verklaart het arrest niet waarom het die gegevens niet mee beoordeelt.
  11. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  12. Artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek vereist niet dat de strafrechter de beoordeling van de schuld van een beklaagde steunt op het ganse strafdossier, noch verbiedt het de rechter om bepaalde bewijsstukken buiten beschouwing te laten. De strafrechter beoordeelt integendeel vrij en onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarop hij zijn overtuiging grondt en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.
  13. Met de beslissing een stuk buiten beschouwing te laten, miskent de rechter de bewijskracht van dat stuk niet, noch schendt hij artikel 6 EVRM.
  14. De appelrechter moet enkel zijn eigen beslissing met redenen omkleden en moet niet motiveren waarom hij de feiten anders beoordeelt dan de eerste rechter.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Met de beslissing tot het weren van de filmpjes die de verweerders 1 en 2 hebben bijgebracht als bewijselement ten laste van de eiser, geeft het arrest gevolg aan eisers kritiek op dit bewijselement. Voor het overige blijkt uit de redenen waarop de appelrechters de schuldigverklaring van de eiser steunen dat zij enkel rekening houden met de door henzelf uit het audiovisueel verhoor afgeleide elementen, de vergelijking van die elementen met de e-mail van 9 april 2020 van de verweerder 1, waarvan zij vaststellen dat die dateert van vóór de filmpjes, en het advies van de gerechtsdeskundige dat zij bijtreden. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht, zonder dat het de uitsluiting van het door de verweerders bijgebrachte bewijsmateriaal nog verder dient te motiveren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest steunt het oordeel dat er geen sprake is van een totale impotentie bij de eiser en dat de beschreven orale penetratie mogelijk was enkel op het verslag van dr. De Win van 19 juni 2020; het houdt geen rekening met het verslag van dr. Van Noten van 1 juli 2020, waarbij een ernstige erectiele dysfunctie en een buried penis werd vastgesteld; met het oordeel op basis van het verslag van dr. De Win dat een orale penetratie wel degelijk mogelijk zou zijn, miskent het arrest de bewijswaarde van het verslag van dr. Van Noten, waarin wordt besloten dat er geen erectie mogelijk was zonder inspuiting van een sterke dosis erectiebevorderend middel, waarbij nergens wordt opgeworpen of aangenomen dat de eiser over dergelijk middel zou beschikken, laat staan het tijdens de vermeende feiten zou hebben ingespoten; daarnaast negeert het hof van beroep de medische vaststelling van de buried penis; ingevolge het verslag van dr. Van Noten is de bewezen verklaarde seksuele handeling materieel onmogelijk; het arrest is niet verenigbaar met dat verslag; minstens motiveert het arrest niet waarom het de medische vaststellingen van dr. Van Noten niet betrekt in de beoordeling of hoe deze vaststellingen in verhouding zijn te brengen met de feitelijkheden zoals omschreven in het arrest.
  18. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen.
  19. Het arrest verwijst voor de bekritiseerde beslissing niet naar het verslag van dr. Van Noten en kan bijgevolg de bewijskracht van dat verslag niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  20. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.