id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onregelmatig verkregen bewijsmateriaal - Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Beoordelingscriteria - Klacht met burgerlijkepartijstelling - Regelmatigheid of ontvankelijkheid van de klacht - Invloed op de ontvankelijkheid van de strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Klacht met burgerlijkepartijstelling - Regelmatigheid of ontvankelijkheid van de klacht - Invloed op de ontvankelijkheid van de strafvordering - Onregelmatigheid van het verkregen bewijsmateriaal - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0695.N I P C I G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen Léon Stynenstraat 75c, waar de eiser woonplaats kiest, II PROGETEM bv, met zetel te 9830 Sint-Martens-Latem, Meersstraat 28, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Stéphanie Muylaert, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Coupure Links 5, waar de eiseres woonplaats kiest, beide cassatieberoepen tegen
- GASCO GROUP nv, met zetel te 2830 Willebroek, Antwerpsesteenweg 45, burgerlijke partij,
- MEBROM TECHNOLOGY nv, met zetel te 2830 Willebroek, Antwerpsesteenweg 45, burgerlijke partij, met als raadman mr Céline Masschelein, advocaat bij de balie Gent, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 maart
- De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie gelijkluidende middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest verklaart de als misdrijf omschreven feiten onder de telastleggingen A.1, A.2, A.3, B.2.a-u en C.2.a-u niet bewezen en verklaart de daarop gesteunde burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 1 niet gegrond. In zoverre gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 17 IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 63 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest neemt ten onrechte aan dat de onregelmatigheid, bestaande in het kennisnemen van e-mails van de eiser I zonder zijn toelating en het gebruik ervan in een auditverslag dat mee ten grondslag ligt aan de klacht met burgerlijkepartijstelling van de verweersters, een zogenaamde onregelmatigheid in de bewijsvoering betreft, die in beginsel geen aanleiding geeft tot de onontvankelijkheid van de strafvordering maar enkel tot bewijsuitsluiting, tenzij de onregelmatigheid het recht van verdediging in die mate heeft miskend dat zelfs de bewijsuitsluiting niet meer toelaat om een normale en adequate verdediging in de zin van artikel 6 EVRM te voeren en er aan deze toestand niet meer kan worden geremedieerd; een klacht met burgerlijkepartijstelling is echter geen bewijsmiddel, maar een rechtshandeling waarmee de verweersters hier de strafvordering op gang hebben gebracht; bij afwezigheid van een eigen vordering van het openbaar ministerie tot het opstarten van een gerechtelijk onderzoek vormt de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering de grondslag voor de ontvankelijkheid van de strafvordering; bij de vaststelling dat onregelmatigheden ten grondslag liggen aan de klacht met burgerlijkepartijstelling dringt zich dan ook de vraag op naar de regelmatigheid of ontvankelijkheid van die klacht en derhalve naar de ontvankelijkheid van de strafvordering; onregelmatigheden die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de strafvordering kunnen niet worden beoordeeld aan de hand van de regels voor de beoordeling van onrechtmatig verkregen bewijs; minstens laat het arrest, door niet vast te stellen dat de begane onregelmatigheid niet van invloed is op de regelmatigheid van de klacht met burgerlijkepartijstelling en derhalve ook niet op de ontvankelijkheid van de strafvordering, alsook bij gebrek aan nadere vaststellingen, het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
- Een klacht met burgerlijkepartijstelling is geen bewijsmiddel. Bijgevolg kan noch de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van die klacht, noch de daarop gesteunde ontvankelijkheid van de strafvordering worden beoordeeld aan de hand van de criteria voor het weren van onregelmatig verkregen bewijsmateriaal, zoals bepaald in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Wanneer een partij echter de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering afleidt uit de beweerde onregelmatigheid of niet-ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijkepartijstelling, die zij op haar beurt afleidt uit het feit dat die klacht steunt op onregelmatig verkregen bewijsmateriaal, staat het wel degelijk aan de rechter om die bewijsverkrijging te toetsen aan de voormelde criteria en om daaruit het passende gevolg af te leiden voor de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijkepartijstelling en de ontvankelijkheid van de strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest beoordeelt op grond van voormeld artikel 32 de door de eisers aangevoerde onregelmatigheid in de bewijsverkrijging, vervat in het auditverslag waarop de klacht met burgerlijkepartijstelling van de verweersters mede is gebaseerd. Die onregelmatigheid, waaruit de eisers de niet-ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijkepartijstelling en van de strafvordering hebben afgeleid, bestaat erin dat in het auditverslag sprake is van e-mails van de eiser I op zijn professionele e-mailadres, waarvan de opstellers via back-ups van de informaticasystemen van de verweersters kennis hebben genomen zonder te beschikken over eisers voorafgaande en ondubbelzinnige toestemming.
- Het arrest oordeelt op grond van de criteria vermeld in voormeld artikel 32 dat deze onregelmatigheid in de bewijsverkrijging niet moet leiden tot het weren van het onregelmatig verkregen bewijs en verwerpt op die grond eisers’ vermelde verweer. Aldus laat het arrest het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 492bis Strafwetboek: het arrest steunt de beslissing “dat de feiten omschreven onder de tenlastelegging C.l.a-p te aanzien zijn als misbruik van vennootschapsgoederen in de zin van artikel 492bis Sw., ten nadele van [de verweerster 2]” op het oordeel dat “De omvang van de onder de tenlasteleggingen C.1.a-p bedoelde betalingen verhoudingsgewijs van die aard [is] dat de benadeling van de vermogensbelangen van Mebrom (oud) of [de verweerster 2] betekenisvol was”; het stelt echter niet vast of er al dan niet ook sprake is van een betekenisvolle benadeling van de vermogensbelangen van de schuldeisers of de vennoten van die rechtspersonen; aldus beslist het arrest niet wettig dat er sprake is van feiten van misbruik van vennootschapsgoederen in de zin van artikel 492bis Strafwetboek; minstens laat het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen bij gebrek aan nadere vaststellingen en door niet vast te stellen dat er ook sprake was van een betekenisvolle benadeling van de schuldeisers of de vennoten van de verweerster
- Aan de uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende verplichting de constitutieve bestanddelen van een misdrijf te vermelden, is voldaan indien de strafrechter het feit bewezen verklaart in de bewoordingen van de strafwet. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de strafrechter de wettelijk bepaalde constitutieve bestanddelen niet te herhalen of specifiek in te vullen in zijn motivering over de schuldvraag.
- Het arrest verklaart lastens de eisers het feit bewezen dat in de telastlegging C is omschreven in de bewoordingen van de strafwet, namelijk als volgt: “Bij inbreuk op artikel 492bis Strafwetboek, als bestuurder van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik te hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de vennootschap, wetende dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en die van zijn schuldeisers of vennoten.”
- Het arrest dat het in die bewoordingen omschreven feit bewezen verklaart zonder in zijn motivering over de schuldvraag uitdrukkelijk het constitutief bestanddeel te hernemen dat de schade zich ook moet uitstrekken tot de vermogensbelangen van de schuldeisers of de vennoten van de rechtspersoon, maar ook zonder in enige reden te kennen te geven dat aan dit constitutief bestanddeel niet is of moet worden voldaan, schendt niet noch artikel 149 Grondwet noch artikel 492bis Strafwetboek, maar laat het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers’ verweer dat er geen rechtsgrond is voor het toekennen van nalatigheidsinteresten op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 2, die volgens haar eigen boekhouding reeds in 2008 teniet is gegaan door compensatie.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het (nr. 2.2.6.b, p. 17-18) oordeelt ook dat de wederzijdse rechten of verbintenissen van de verweerster 2 en de eiser I in verband met hun wederzijdse schuldvorderingen in rechte nog niet vaststaan, ongeacht het feit dat die compensatie reeds voorkomt in de financiële rapportering van de verweerster
- Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 260,91 euro, waarvan de eiser I 95,45 euro is verschuldigd en de eiseres II 95,46 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div