id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.12 Rolnummer: P.22.0966.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-10-24 Raadplegingen: 930 - laatst gezien 2026-06-18 13:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR Fiches 1 - 3 Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen maar deze verdragsbepalingen kennen aan een inverdenkinggestelde geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting te horen; uit deze verdragsbepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter aan wie wordt gevraagd een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dit verzoek moet toetsen aan de hand van de volgende drie criteria:
- i)het voldoende onderbouwd zijn van het verzoek tot het horen van de getuige à décharge op de rechtszitting en de relevantie van die getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging;
- ii)het voorhanden zijn van afdoende redenen voor de beslissing dat de getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en dus voor de beslissing de getuige niet te horen ter rechtszitting; iii) de impact van de beslissing de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting op het recht van de beklaagde op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd
(1).
(1)EHRM 18 december 2018 (Grote Kamer), nr. 36658/05, Murtazaliyeva t. Rusland. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Ondervragen of doen ondervragen van getuigen à décharge op de rechtszitting - Omvang van dit recht - Toetsing van het verzoek door de rechter - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Ondervragen of doen ondervragen van getuigen à décharge op de rechtszitting - Omvang van dit recht - Toetsing van het verzoek door de rechter - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Ondervragen of doen ondervragen van getuigen à décharge op de rechtszitting - Omvang van dit recht - Toetsing van het verzoek door de rechter - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 De beoordeling van de relevantie van de getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging mag niet abstract gebeuren, maar vereist een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak zodat de rechter zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge moet steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst, waarbij die concrete omstandigheden onder meer betrekking kunnen hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten, het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert en de ongeloofwaardigheid van de inhoud van een dergelijke geschreven verklaring en er ook rekening kan worden gehouden met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt en de voortgang ervan, met de door de inverdenkinggestelde gevolgde verdedigingsstrategie en zijn proceshouding; het is niet vereist dat de rechter al de voormelde elementen betrekt bij zijn beoordeling over de relevantie van de getuigenis noch is de rechter, verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge zodat het volstaat dat de inverdenkinggestelde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging; indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging moet hij niet meer aangeven of het verzoek om de getuige ter rechtszitting te horen voldoende is onderbouwd maar moet hij wel onderzoeken of het niet horen van de getuige à décharge op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aantast
(1).
(1)Cass. 11 september 2018, AR P.18.0217.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.6, AC 2018, nr. 460; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Ondervragen of doen ondervragen van getuigen à décharge op de rechtszitting - Beoordeling van de relevantie van de getuigenis - Onderzoek naar de concrete omstandigheden van de zaak - Begrip - Beslissing van de rechter - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Ondervragen of doen ondervragen van getuigen à décharge op de rechtszitting - Beoordeling van de relevantie van de getuigenis - Onderzoek naar de concrete omstandigheden van de zaak - Begrip - Beslissing van de rechter - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Ondervragen of doen ondervragen van getuigen à décharge op de rechtszitting - Beoordeling van de relevantie van de getuigenis - Onderzoek naar de concrete omstandigheden van de zaak - Begrip - Beslissing van de rechter - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0966.N F B, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Laurent Van De Keere, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 juni 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 en 6.3.d EVRM en artikel 190, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat er geen noodzaak is om eisers verzoek in te willigen om getuigen te identificeren en te verhoren of te laten verhoren, omdat het op geen enkele wijze aannemelijk is dat er onafhankelijke getuigen zijn; de eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat zijn buren getuige moeten zijn geweest van de te laste gelegde feiten, gezien het uur en de plaats van de feiten en het lawaai dat met de feiten gepaard ging; de appelrechters hebben de relevantie van het gevraagde onderzoek niet overwogen; het arrest verklaart de feiten dan ook ten onrechte bewezen omdat niet wordt ingegaan op een voor de uitkomst van de zaak relevant verzoek tot identificatie en verhoor van onafhankelijke getuigen, waarvan het bestaan omstandig aannemelijk wordt gemaakt en zonder die afwijzing afdoende te motiveren. 2. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 6.2 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk. 3. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 4. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. 5. Deze verdragsbepalingen kennen aan een inverdenkinggestelde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting te horen. 6. Uit deze verdragsbepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter aan wie wordt gevraagd een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dit verzoek moet toetsen aan de hand van de volgende drie criteria:
- i)het voldoende onderbouwd zijn van het verzoek tot het horen van de getuige à décharge op de rechtszitting en de relevantie van die getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging;
- ii)het voorhanden zijn van afdoende redenen voor de beslissing dat de getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en dus voor de beslissing de getuige niet te horen ter rechtszitting; iii) de impact van de beslissing de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting op het recht van de beklaagde op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd. 7. De beoordeling van de relevantie van de getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging mag niet abstract gebeuren, maar vereist een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak. De rechter moet bijgevolg zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 8. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten, het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert en de ongeloofwaardigheid van de inhoud van een dergelijke geschreven verklaring. Ook kan rekening worden gehouden met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt en de voortgang ervan, met de door de inverdenkinggestelde gevolgde verdedigingsstrategie en zijn proceshouding. 9. Het is niet vereist dat de rechter al de voormelde elementen betrekt bij zijn beoordeling over de relevantie van de getuigenis. 10. De rechter is niet verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge: het volstaat dat de inverdenkinggestelde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser heeft aangevoerd dat het plausibel is dat er getuigen waren van de vermeende feiten, dat die getuigenverklaringen gelet op de gevoerde betwistingen relevant zijn en dat niet ingaan op zijn verzoek tot identificatie en verhoor van mogelijke getuigen zijn recht op een eerlijk proces miskent. 13. Indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging, dan moet hij niet meer aangeven of het verzoek om de getuige ter rechtszitting te horen voldoende is onderbouwd. 14. Indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging, dan moet hij bovendien onderzoeken of het niet horen van de getuige à décharge op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aantast. 15. Het arrest (p. 11-13) beoordeelt het verzoek van de eiser als volgt: - volgens de eiser werd het gerechtelijk onderzoek door de onderzoeksrechter niet zowel à charge als à décharge gevoerd; er wordt gehekeld dat er geen onafhankelijke getuigen werden verhoord van het incident tussen de verbalisanten en de eiser op 14 december 2021; - P.D. deed op 14 december 2021 bij de politie aangifte van de beschadiging van zijn garagepoort met nummer 7, gelegen op een koer met toegang langs de ( …. ); - hij had de beschadiging reeds op 10 december 2021 vastgesteld en uit voorzorg parkeerde hij sindsdien zijn wagen op een andere plaats; - het incident tussen de verbalisanten en de eiser heeft zich voorgedaan op 14 december 2021 toen de verbalisanten zich op basis van voormelde oproep naar de koer met de garageboxen hadden begeven; - uit niets blijkt dat er onafhankelijke getuigen van het gebeuren zijn geweest en de eiser maakt het tegendeel op geen enkele wijze aannemelijk; - waar de eiser bij de onderzoeksrechter op 15 december 2021 verklaarde: “…Ik heb door prikkeldingen, die express zijn, dat ik mij kwaad maak. U mag het de buren vragen…”, heeft dit onmiskenbaar betrekking op het feit dat het geweten is dat de eiser zich bij het ontvangen van prikkels kwaad maakt, maar dat is vreemd aan de aanwezigheid van enige getuige bij het incident op zich; - er is geen sprake van enige schending van artikel 6 EVRM; - er moet worden vastgesteld dat de eiser tijdens het gerechtelijk onderzoek geen verzoekschrift heeft ingediend overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering strekkende tot het uitvoeren van bijkomend onderzoek. Aldus blijkt dat de appelrechters op basis van de concrete omstandigheden van de zaak eisers verzoek tot het identificeren en het horen van getuigen à décharge hebben getoetst aan de voormelde criteria en verantwoorden zij hun afwijzende beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.12 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div