← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 2 - 5 Uit de omstandigheid dat de toepassing van de in artikel 215 Wetboek van Strafvordering bedoelde evocatie ertoe leidt dat aan de beklaagde een aanleg wordt ontnomen, kan als zodanig niet worden afgeleid dat diens recht op een eerlijk proces of recht van verdediging zou zijn miskend; de loutere omstandigheid dat het appelgerecht na evocatie uitspraak doet over de grond van de zaak naar aanleiding van het hoger beroep van de beklaagde tegen een vonnis dat zijn verzet tegen een hem veroordelend verstekvonnis ontvankelijk verklaart en de heropening van het debat beveelt, houdt geen miskenning in van de relatieve werking van het door de beklaagde aangetekende verzet

(1).
(1)Cass. 2 maart 2021, AR P.20.1057.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.22 met concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering - Evocatie - Ontnemen van een aanleg aan de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering - Evocatie - Ontnemen van een aanleg aan de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Artikel 215 Wetboek van Strafvordering - Evocatie - Hoger beroep van de beklaagde tegen een vonnis dat zijn verzet tegen een hem veroordelend verstekvonnis ontvankelijk verklaart en de heropening van het debat beveelt - Relatieve werking van het door de beklaagde aangetekende verzet - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Relatieve werking van het door de beklaagde aangetekende verzet - Artikel 215 Wetboek van Strafvordering - Hoger beroep van de beklaagde tegen een vonnis dat zijn verzet tegen een hem veroordelend verstekvonnis ontvankelijk verklaart en de heropening van het debat beveelt - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0749.N V R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 20 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 215 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht en de relatieve werking van het verzet: na te hebben vastgesteld dat de initiële dagvaarding van de eiser om te verschijnen voor de correctionele rechtbank ten onrechte werd betekend op een referentieadres te Luik en eisers verstek dat heeft geleid tot het hem veroordelend verstekvonnis van 25 november 2019 niet aan de eiser te wijten was, konden de appelrechters naar aanleiding van eisers hoger beroep tegen het op verzet gewezen vonnis van 8 februari 2021, waarin eisers verzet ontvankelijk werd verklaard en werd geoordeeld dat het verstekvonnis niet nietig was en het debat moest worden heropend, de zaak ten gronde niet blindelings evoceren; de appelrechters dienden immers na te gaan of de onregelmatige dagvaarding niet heeft geleid tot een flagrante miskenning van eisers recht van verdediging, alsook of de vastgestelde onregelmatigheid niet kon worden hersteld door de eiser toe te laten zich ten gronde te verdedigen voor de correctionele rechtbank, zoals overigens ook voorzien in het vonnis op verzet van 8 februari 2021; het komt het appelgerecht toe om na te gaan of een vormverzuim, rekening houdend met de zaak in haar geheel, heeft geleid tot een onherroepelijke aantasting van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging, dan wel of dat verzuim niet kan worden hersteld, in welk geval het beroepen vonnis niet moet worden vernietigd en er niet moet worden overgegaan tot evocatie; de appelrechters gaan niet na of de in het beroepen vonnis op verzet van 8 februari 2021 bevolen heropening van het debat geen gepaster herstel inhield van het vormverzuim maar gaan zonder meer, en zonder zelf de heropening van het debat over de grond van de zaak te bevelen, over tot evocatie, waardoor ook de relatieve werking van eisers verzet tegen het verstekvonnis van 25 november 2019 wordt miskend. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: de appelrechters maken ten onrechte abstractie van de onregelmatige dagvaarding van de eiser en laten na de gevolgen ervan te toetsen op eisers recht van verdediging in globo beschouwd, waarbij zij overgaan tot evocatie zonder de gevolgen ervan na te gaan op de reeds vastgestelde miskenning van eisers recht van verdediging.
  3. Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, de rechter in hoger beroep mede over de zaak zelf beslist.
  4. Wanneer een beklaagde hoger beroep instelt tegen een vonnis dat geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering maar louter oordeelt dat het verzet van de beklaagde tegen het hem bij verstek veroordelend vonnis ontvankelijk is en dat dit verstek aan hem te wijten was en dat voor het overige het debat heropent teneinde de zaak ten gronde te behandelen, is de rechter in hoger beroep die dat vonnis tenietdoet of wijzigt door te beslissen dat het verstek ingevolge de onregelmatigheid van de betekening van de dagvaarding niet aan de beklaagde te wijten was, bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering ertoe verplicht de zaak aan zich te trekken en te beslissen over de grond van de zaak. De rechter in hoger beroep vermag in dat geval de onregelmatigheid niet te herstellen door de zaak voor verdere behandeling ten gronde naar de eerste rechter te verwijzen.
  5. Uit de omstandigheid dat de toepassing van de in artikel 215 Wetboek van Strafvordering bedoelde evocatie ertoe leidt dat aan de beklaagde een aanleg wordt ontnomen, kan als zodanig niet worden afgeleid dat diens recht op een eerlijk proces of recht van verdediging zou zijn miskend. Zo ook houdt de loutere omstandigheid dat het appelgerecht na evocatie uitspraak doet over de grond van de zaak naar aanleiding van het hoger beroep van de beklaagde tegen een vonnis dat zijn verzet tegen een hem veroordelend verstekvonnis ontvankelijk verklaart en de heropening van het debat beveelt, geen miskenning in van de relatieve werking van het door de beklaagde aangetekende verzet.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - na te zijn verwezen naar de correctionele rechtbank bij beschikking van de raadkamer van 10 mei 2019, werd de eiser gedagvaard om te verschijnen voor de correctionele rechtbank op de rechtszitting van 28 oktober 2019 bij gerechtsdeurwaardersexploot dat op 23 juli 2019 werd betekend aan een referentieadres van de eiser te Luik; - de eiser werd bij vonnis van 25 november 2019, dat ten aanzien van de eiser bij verstek werd gewezen, veroordeeld tot onderscheiden straffen wegens meerdere misdrijven, waarbij de toewijzing aan de Staat werd bevolen van de door hem betaalde borgsom; - de eiser heeft op 4 december 2020 verzet aangetekend tegen het voormelde verstekvonnis van 25 november 2019; - het beroepen vonnis van 8 februari 2021 verklaart eisers verzet tegen het verstekvonnis van 25 november 2019 ontvankelijk en oordeelt dat het referentieadres in de initiële dagvaarding geen afbreuk doet aan de aan¬hangig¬making van de zaak door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, dat het verstekvonnis bijgevolg niet nietig is en het verstek aan de eiser te wijten is, waarna het debat wordt heropend met het oog op de behandeling van de zaak ten gronde.
  8. De appelrechters verklaren eisers hoger beroep tegen het op verzet gewezen vonnis van 8 februari 2021 ontvankelijk en veroordelen de eiser op grond van de bewezenverklaarde misdrijven tot een straf, waarbij zij onder meer oordelen dat: - het referentieadres te Luik aan geen enkele realiteit beantwoordde en de betekening van de dagvaarding op 23 juli 2019 niet rechtsgeldig is gebeurd op dit adres, zonder dat hieraan afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat die dagvaarding slechts een dagstelling betreft en de zaak aanhangig werd gemaakt door de verwijzingsbeschikking van 10 mei 2019; - eisers vraag tot nietigverklaring van het verstekvonnis van 25 november 2019 zonder voorwerp is, aangezien dit verstekvonnis ingevolge het ontvankelijk en niet ongedaan verklaarde verzet van de eiser vervallen is en als niet bestaande moet worden beschouwd; - uit de vaststelling dat de eiser niet rechtsgeldig werd gedagvaard om te verschijnen voor de eerste rechter, volgt dat er op 25 november 2019 ten onrechte een vonnis bij verstek ten aanzien van de eiser werd verleend, aangezien het verstek niet aan hem te wijten was; - het hof van beroep ingevolge deze wijziging van het beroepen vonnis ertoe verplicht is de zaak aan zich te trekken en over de zaak zelf uitspraak te doen; - bij de behandeling van de zaak voor het hof van beroep op de rechtszitting van 2 maart 2022 de eiser werd gewezen op de draagwijdte van artikel 215 Wetboek van Strafvordering en hij de gelegenheid heeft gehad zich ook over de zaak zelf te verdedigen; - uit hetgeen voorafgaat volgt dat eisers recht van verdediging niet werd miskend; - de kosten van het verzet in eerste aanleg ten laste van de Staat blijven en er vooralsnog geen grond bestaat om de door de eiser gestelde borgsom toe te wijzen aan de Staat.
  9. Op grond van de voormelde redenen, waaruit blijkt dat het arrest het beroepen vonnis wijzigt in zoverre het, anders dan dit vonnis, oordeelt dat het verstek van de eiser in eerste aanleg niet aan deze laatste te wijten was, is de beslissing van de appelrechters dat eisers recht van verdediging niet is miskend en dat moet worden overgegaan tot evocatie, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Hierdoor maken de appelrechters ook geen abstractie van de onregelmatige dagvaarding noch verzuimen zij hierdoor de gevolgen na te gaan van die onregelmatigheid voor eisers recht van verdediging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.