id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 en 21bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Vastlegging van conclusietermijnen - Verjaringsregeling van de strafvordering - Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Beoordeling door de feitenrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 en 21bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Vastlegging van conclusietermijnen - Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Beoordeling door de feitenrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 en 21bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Vastlegging van conclusietermijnen - Verjaringsregeling van de strafvordering - Artikel 6.1, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Beoordeling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 en 21bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1063.N I H-J H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie Brussel, II SWISS FINANCE ASSET MANAGEMENT & TRUST ag, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Hans Van de Wal, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 64/201, waar de eiseres woonplaats kiest, de beide cassatieberoepen tegen
- E H, burgerlijke partij,
- E D, burgerlijke partij,
- L G, burgerlijke partij,
- P H, burgerlijke partij,
- M R, burgerlijke partij,
- J G, burgerlijke partij,
- R D, burgerlijke partij,
- C V, burgerlijke partij,
- R V R, burgerlijke partij,
- D V R, burgerlijke partij,
- J B, burgerlijke partij,
- G P, burgerlijke partij,
- K P, burgerlijke partij,
- G P, burgerlijke partij,
- G P, burgerlijke partij,
- H P, burgerlijke partij,
- L P, burgerlijke partij,
- T P, burgerlijke partij,
- M-T D, burgerlijke partij,
- C L, burgerlijke partij,
- R S, burgerlijke partij,
- L O, burgerlijke partij,
- J B, burgerlijke partij,
- W V G, burgerlijke partij,
- W B, burgerlijke partij,
- M S, burgerlijke partij,
- R H, burgerlijke partij,
- D D B, burgerlijke partij,
- J G, burgerlijke partij,
- W J, burgerlijke partij,
- H D, burgerlijke partij,
- C L, burgerlijke partij,
- M B, burgerlijke partij,
- A G, burgerlijke partij,
- M B, burgerlijke partij,
- J P P, burgerlijke partij,
- H B, burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman voor de verweerders 1, 2, 3, 4, 6, 7, 9, 10 en 11 mr. Luc Deceuninck, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9120 Beveren, Kloosterstraat 87 bus 2, waar deze verweerders woonplaats kiezen, met als raadsman voor de verweerder 21 mr. Stijn De Meulenaer, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9052 Gent, Bollebergen 2A bus 20, waar deze verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 1 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser en eerste middel van de eiseres
- Het middel van de eiser voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: uit de vaststellingen die het arrest bevat, kan het niet afleiden dat de eiser kennis had van de dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep; uit geen enkele van de vaststellingen die zijn vermeld op de pagina’s 99 tot en met 102 van het arrest, kan worden afgeleid dat de eiser kennis had van de dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep; ook de op de pagina’s 96 tot 98 vermelde informatie kan dit besluit niet wettigen; dat geldt ook voor het oordeel dat de dagvaarding rechtsgeldig werd betekend en betreffende de vaststellingen op pagina 102 van het arrest over de raadsman van de eiser en zijn kennis over de procedure in hoger beroep. Het eerste middel van de eiseres voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest grondt het oordeel over de kennis van de eiseres van de dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep op veronderstellingen en deducties; de betekening aan de woonst of aan de zetel van de eiseres volstaat niet als bewijs van de kennis van de dagvaarding; uit de vaststellingen van het arrest kan niet worden afgeleid dat de eiseres daadwerkelijk kennis heeft gehad van de dagvaarding; dat geldt ook voor wat betreft het oordeel dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en betreffende de vaststellingen op pagina 102 van het arrest over de raadsman van de eiser en zijn kennis betreffende de procedure in hoger beroep.
- Krachtens artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering wordt het verzet als ongedaan beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.
- Het staat aan de rechter om onaantastbaar te oordelen of de eiser in verzet kennis had van de dagvaarding.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Nadat het arrest (p. 86-96) een gedetailleerde beschrijving heeft gegeven van de oproepingen, kennisgevingen en betekeningen aan de eisers en hun raadslieden in de loop van de procedure, oordeelt het over de door de eisers ingestelde verzetten tegen het verstekarrest van 9 februari 2022 onder meer als volgt: - de dagvaarding om te verschijnen op de rechtszitting van 27 oktober 2021 werd geldig betekend aan de eiser: de eiser woonde alleszins tot en met maart 2019 te (Zwitserland); volgens de eigenaar van dit pand woonde de eiser daar sinds april 2019 niet meer en de eiser heeft de eigenaar geen nieuwe adresgegevens meegedeeld; bij de Zwitserse autoriteiten stond de eiser geregistreerd met een adres in (Nederland); de eiser heeft zijn beweerde uitschrijving in Zwitserland op geen enkel ogenblik gemeld aan het Belgische gerecht; in zijn akte van hoger beroep heeft de eiser als zijn woonadres Z 36 vermeld; dit is het adres dat zijn advocaat eerder aan het openbaar ministerie had meegedeeld en waarop eerdere aktes om te verschijnen op de rechtszittingen van de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling en de correctionele rechtbank aan hem waren betekend en waarna hij telkens in rechte is verschenen; op het ogenblik van de betekening was er bij het Belgische gerecht nergens ter wereld een ander adres bekend dan dit in Zwitserland; de eiser heeft zich nooit laten inschrijven in Nederland en hij blijkt er evenmin te wonen of te hebben verbleven; de eiser heeft nergens een officieel adres en volgens zijn advocaat zou hij verblijven te Zwitserland; de eiser erkende te kunnen worden bereikt op de zetel van de door hem bestuurde Zwitserse vennootschap (p. 96-98); - de dagvaarding om te verschijnen op de rechtszitting van 27 oktober 2021 werd rechtsgeldig aan de eiseres betekend: de eiseres had als enige bestuurder de eiser; het zeteladres van de eiseres was laatst gevestigd te (Zwitserland); het zeteladres werd niet verplaatst nadat de eiser de woning op dit adres einde maart 2019 zou hebben verlaten; gevraagd naar de rechtstoestand van de eiseres op de rechtszitting van 6 mei 2022 kon haar raadsman geen nadere informatie geven, behoudens dat er geen sprake was van een faillissement en dat de raadsman was aangesteld door een bestuurder en niet door een vereffenaar; op de rechtszitting van 11 mei 2022 verklaarde de raadsman dat de eiseres in staat van vereffening was en dat hijzelf opdracht had op basis van een lastgeving die werd verstrekt vanop een adres in Roermond (Nederland); het zeteladres van de eiseres is steeds en ondanks en tijdens de vereffening hetzelfde gebleven, met name (Zwitserland), zoals dit werd vermeld in de beroepsakte en als laatste adres van de vestiging van de vennootschapszetel in de verzetsakte (p. 98-99); - de eiser had zonder twijfel kennis van de dagvaarding: de eiser was enige bestuurder van de eiseres, die haar zeteladres had te (Zwitserland); zowel de eiser als de eiseres werden geldig op dit adres gedagvaard voor de inleidingszitting in hoger beroep; de raadsman van de eiser voerde op de rechtszitting van 11 mei 2022 aan dat naar Zwitsers recht een bestuurder geacht wordt kennis te nemen van de stukken die het zeteladres bereiken; de dagvaarding werd rechtsgeldig betekend aan het zeteladres van de eiseres, zodat de eiser er ook op deze wijze kennis kon van nemen; de op 14 september 2021 per luchtpost verzonden enveloppe werd teruggestuurd, maar dat geldt niet voor de op dezelfde datum per gewone post verstuurde zending; deze dagvaarding werd betekend op dezelfde wijze als de dagvaarding om te verschijnen op de rechtszitting van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 2 september 2020, zitting waarop de eiser is verschenen; ook de oproepingen voor de rechtszittingen van de raadkamer van 26 maart 2019 en van 18 juni 2019 en van de kamer van inbeschuldigingstelling van 28 oktober 2019 werden op die manier ter kennis gebracht en de eiser werd op die rechtszittingen vertegenwoordigd door zijn raadsman; hij verscheen in persoon op de rechtszitting van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 18 november 2020; hij heeft daarbij nooit betwist kennis te hebben van de oproeping voor het onderzoeksgerecht of de dagvaarding voor het vonnisgerecht; in de procedure in eerste aanleg deed de eiser in conclusies woonstkeuze bij zijn Belgische advocaat, wat hij opnieuw deed in de verklaring van het hoger beroep en in de verzetsakte, waardoor hij etaleerde dat hij kon worden bereikt op het adres van die Belgische raadsman, wat die aanvaardde; de raadsman mr. D. had wel degelijk kennis van de inleiding van de beroepsprocedure op de rechtszitting van 27 oktober 2021, gezien zijn medewerkster op die rechtszitting is verschenen en hij nadien over het verloop van de rechtszitting een fax zond; uit de separate procedure op rechtstreekse dagvaarding van de eisers door onder meer de verweerder 21 blijkt dat de eiser aangaf zich te herinneren dat hij in de voorliggende procedure hoger beroep had ingesteld en dat de raadsman mr. D. zijn tussenkomst voor de rechtstreeks gedaagden had gemeld op 11 januari 2022, dit is precies de datum van de behandeling van de voorliggende zaak door het hof van beroep; in de afzonderlijke procedure liet de eiser geen verstek, waardoor hij te kennen gaf dat hij kennis had van de met het exploot van 15 november 2021 betekende dagvaarding op het adres (Zwitserland); er bestaat geen enkel verschil in de betekening tussen het exploot van het openbaar ministerie in de voorliggende zaak en het exploot van de verweerder 21 in de separate zaak, zoals er ook geen verschil bestaat tussen de betekening van de dagvaarding van het openbaar ministerie om te verschijnen voor de eerste rechter waar de eiser in persoon verscheen en werd bijgestaan door een advocaat en de betekening van de dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep; het is niet geloofwaardig dat de reden voor de niet-verschijning het gebrek aan mandaat of de onmogelijkheid van een contact tussen de eiser en zijn raadsman is; uit de separate procedure blijkt dat er contact was tussen de eiser en zijn raadsman ergens tussen 15 november 2021 en 11 januari 2022 ertoe leidend dat de raadsman mr. D. wel zijn tussenkomst meldde aan de correctionele rechtbank te Turnhout, maar diezelfde dag niet ten gronde kwam pleiten in de appelprocedure; in werkelijkheid bleef de advocaat van de eiser achter de schermen de beroepsprocedure opvolgen namens zijn cliënt wat blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen het openbaar ministerie en mr. D.; het is ongeloofwaardig dat een advocaat verder een strafprocedure blijft opvolgen waarvoor zijn ex-cliënt – met wie er beweerdelijk een “onmogelijkheid” tot communicatie zou zijn geweest, leidend tot het zich zonder instructie verklaren door de advocaat – hem geen enkel mandaat heeft gegeven (p. 99-103); - de eiseres had zonder twijfel kennis van de dagvaarding: de eiseres had haar zeteladres te (Zwitserland); zowel de eiser als de eiseres werden geldig op dit adres gedagvaard voor de inleidingszitting in hoger beroep; de op 14 september 2021 per luchtpost verzonden enveloppe werd teruggestuurd, maar dat geldt niet voor de op dezelfde datum per gewone post verstuurde zending; de dagvaarding werd betekend op dezelfde wijze als de dagvaarding om te verschijnen op de rechtszitting van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 2 september 2020, zitting waarop de eiseres was vertegenwoordigd door een raadsman; de eiseres betwist dus haar kennis van de dagvaarding niet; de eiseres is anders dan de eiser niet verschenen voor de onderzoeksgerechten en zij stelt daarover in haar conclusie dat zij ervoor opteerde dat zij haar verweer zou voeren voor de correctionele rechtbank, zodat de eiseres bijgevolg niet voorhoudt dat zij in 2019 geen kennis had van de oproepingen voor de onderzoeksgerechten; in de procedure in eerste aanleg berichtte mr. D. als advocaat van de eiseres het openbaar ministerie op het adres van de eiseres; het was diezelfde advocaat die hoger beroep instelde namens de eiseres tegen het beroepen vonnis daarbij in de akte van hoger beroep opnieuw hetzelfde zeteladres vermeldend als dat waarop de eiseres reeds was gedagvaard; de raadsman van de eiseres had kennis van de inleiding in de appelprocedure aangezien zijn medewerkster op die rechtszitting is verschenen en hij daags nadien een faxbericht verstuurde; uit de separate procedure op rechtstreekse dagvaarding van de eisers door onder meer de verweerder 21 blijkt dat de eiseres aangaf zich te herinneren dat zij in de voorliggende procedure hoger beroep had ingesteld en dat de raadsman mr. D. zijn tussenkomst voor de rechtstreeks gedaagden had gemeld op 11 januari 2022, dit is precies de datum van de behandeling van de voorliggende zaak door het hof van beroep; in de afzonderlijke procedure liet de eiseres geen verstek, waardoor zij te kennen gaf dat zij kennis had van de met het exploot van 15 november 2021 betekende dagvaarding op het adres (Zwitserland); er bestaat geen enkel verschil in de betekening tussen het exploot van het openbaar ministerie in de voorliggende zaak en het exploot van de verweerder 21 in de separate zaak, zoals er ook geen verschil bestaat tussen de betekening van de dagvaarding van het openbaar ministerie om te verschijnen voor de eerste rechter waar de eiseres werd vertegenwoordigd door een advocaat en de betekening van de dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep; het is niet geloofwaardig dat de reden voor de niet-verschijning het gebrek aan mandaat of de onmogelijkheid van een contact tussen de eiseres en haar raadsman is; uit de separate procedure blijkt dat er contact was tussen de eiseres en haar raadsman ergens tussen 15 november 2021 en 11 januari 2022 ertoe leidend dat de raadsman mr. D. wel zijn tussenkomst meldde aan de correctionele rechtbank te Turnhout, maar diezelfde dag niet ten gronde kwam pleiten in de appelprocedure; in werkelijkheid bleef de advocaat van de eiseres achter de schermen de beroepsprocedure opvolgen namens zijn cliënte wat blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen het openbaar ministerie en mr. D.; het is ongeloofwaardig dat een advocaat verder een strafprocedure blijft opvolgen waarvoor zijn ex-cliënt – met wie er beweerdelijk een “onmogelijkheid” tot communicatie zou zijn geweest, leidend tot het zich zonder instructie verklaren door de advocaat – hem geen enkel mandaat heeft gegeven; de bewering van de eiseres dat zij geen kennis had van de dagvaarding omdat deze niet aan haar werd betekend en omdat er niemand voor haar het exploot van ontvangst heeft afgetekend overtuigt niet; het exploot werd immers in Zwitserland betekend, haar advocaat bevestigde aan het openbaar ministerie dat de oproepingen voor de raadkamer mochten worden verzonden naar het adres in Zwitserland en in de beroepsakte werd ook dit adres opgegeven (p. 106-110); - de eiser maakt geen gewag van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek en hij maakt dit in elk geval niet aannemelijk: het gegeven dat de eiser vanaf april 2019 in werkelijkheid op een ander adres zou hebben verbleven dan hetgeen hij te kennen gaf aan de gerechtelijke overheden in zijn akte van hoger beroep van 9 februari 2021, zodat de dagvaarding in hoger beroep hem beweerdelijk niet zou hebben bereikt op het adres te (Zwitserland), wat het hof van beroep niet geloofwaardig acht, geldt niet als wettige reden van verschoning of overmacht; het was de eigen keuze van de eiser om na het door hem ingestelde hoger beroep op een ander adres te verblijven dan het in de akte van hoger beroep vermelde adres en zonder daarbij de gerechtelijke overheden in kennis te stellen van een eventuele adreswijziging (p. 103-104); - de eiseres maakt geen gewag van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van haar verstek en zij maakt dit in elk geval niet aannemelijk: het was de eigen keuze van de eiseres om haar zetelplaats te behouden op een adres waar haar enige bestuurder – de eiser – vanaf april 2019 niet meer zou hebben gewoond, in de bewust tot stand gebrachte situatie waarbij de eiseres gedomicilieerd bleef op het adres (Zwitserland) en waarbij zij haar eigen vereffening verzweeg in de akte van verzet, ligt een bewijs voor van haar wil om zich aan het gerecht te onttrekken; diezelfde wil ligt ook ten grondslag aan het niet-verschijnen van de eiseres in de verstekprocedure (p. 110); - in de bewust tot stand gebrachte situatie waarbij de eiser nergens ter wereld officieel is ingeschreven of gedomicilieerd en vaag bleef over zijn werkelijke verblijfplaats, is een duidelijk bewijs te zien voor de wil van de eiser om zich te onttrekken aan het gerecht en diezelfde wil om zich aan het gerecht te onttrekken ligt ten grondslag aan het niet verschijnen van de eiser in de verstekprocedure (p. 104); - de eiser had niet alleen kennis van de dagvaarding, maar hij begreep ook de draagwijdte ervan, wat blijkt uit de inhoud van de conclusies die hij neerlegde in de separate procedure op rechtstreekse dagvaarding voor de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout: de eiser was in de voorliggende procedure in eerste aanleg verschenen en hij tekende zelf hoger beroep aan, zodat hij wist dat er een appelprocedure zou volgen, waarvoor hij behoorlijk opgeroepen was (p. 104); - de eiser kon voldoende de gevolgen inschatten van zijn beslissing om afwezig te blijven en hij is desondanks en zonder redelijke verantwoording niet komen opdagen op de rechtszitting van 11 januari 2022 (p. 104).
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat: - de eisers zonder twijfel kennis hadden van de dagvaarding en zonder geldige reden afwezig bleven tijdens de verzetsprocedure; - de eisers opzettelijk hebben verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen; - de eisers duidelijk de intentie hadden om zich aan het gerecht te onttrekken, waarbij voor de eiser aansluit dat hij zijn werkelijke verblijfplaats doorheen de procedure heeft verhuld; - het verzet van de eisers, die enkel en alleen verstek hebben laten gaan om op die manier tijd te rekken en de verjaring van de strafvordering na te streven en zich aan het gerecht te onttrekken, ongedaan is. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: door op de inleidingszitting aan de eiseres slechts een korte conclusietermijn van amper één maand toe te kennen en de pleitzitting vast te stellen op 6 mei 2022, werd het recht van verdediging van de eiseres miskend en ondergeschikt gemaakt aan het vermijden van de verjaring van de strafvordering; een nakende verjaring mag geen afbreuk doen aan het recht op een eerlijk proces.
- De rechter die bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering wordt verzocht om conclusietermijnen te bepalen mag bij de beoordeling van die vraag en het vastleggen van de termijnen rekening houden met de verjaringsregeling voor de strafvordering en het gegeven dat in het concrete strafdossier de verjaring dreigend is.
- De rechter dient bij de beoordeling van dat verzoek en bij het vastleggen van de termijnen niettemin erover te waken dat het recht op een eerlijk proces wordt gerespecteerd.
- De rechter oordeelt daarover onaantastbaar in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak en bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de aard en de complexiteit van de zaak, de aan de orde zijnde betwistingen en de stand van de rechtspleging.
- Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - nadat het dossier door de onderzoeksrechter voor eindvordering was meegedeeld, zijn er contacten geweest tussen mr. D. die optrad als raadsman voor de eisers; - de eisers, alsook mr. D., werden opgeroepen voor de rechtszittingen van de raadkamer van 26 maart 2019 en 18 juni 2019; - mr. D. is op de rechtszitting van de raadkamer van 18 juni 2019 verschenen voor de eiser; - de eisers werden opgeroepen voor de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling en op de rechtszitting van 28 oktober 2019 is mr. D. verschenen voor de eiser; - voor de eisers werden door hun raadslieden in de procedure voor de eerste rechter conclusies ingediend; - op de rechtszitting van 18 november 2020 verscheen de eiser in persoon en werd hij bijgestaan door mr. D. en werd de eiseres vertegenwoordigd door een raadsman mr. S.; - het wat betreft de eisers op tegenspraak gewezen beroepen vonnis dateert van 13 januari 2021; - de door de eisers ingestelde hogere beroepen middels mr. D. dateren van 9 februari 2021 en het hoger beroep van het openbaar ministerie van 10 februari 2021; - de zaak werd in hoger beroep bij verstek voor wat betreft de eisers behandeld op de rechtszitting van 11 januari 2022 en het verstekarrest werd gewezen op 9 februari 2022; - de eisers hebben op 24 februari 2022 verzet aangetekend tegen het verstekarrest; - door sommige verweerders werden in de procedure op verzet reeds op 29 maart 2022 conclusies ingediend; - op de inleidingszitting op verzet van 30 maart 2022 hebben de appelrechters op vraag van de eisers conclusietermijnen toegekend (voor de eisers tot 4 mei 2022) en de behandeling van de zaak vastgesteld op 6 mei 2022; - de appelrechters hebben de eisers bij het bepalen van de conclusietermijnen uitdrukkelijk uitgenodigd standpunt in te nemen over de kwestie van het ongedaan verzet; - door diverse verweerders werden op 4 april 2022, 5 april 2022, 6 april 2022 en 12 april 2022 conclusies ingediend; - de eisers hebben hun conclusies ingediend op 4 mei 2022; - de zaak werd behandeld op de rechtszittingen van 6 mei 2022 en 13 mei 2022; - alle partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het indienen van de conclusies en volgens het arrest werden alle ingediende conclusies bij het beraad betrokken. In het licht van deze concrete omstandigheden en in het bijzonder het gegeven dat de eisers en hun raadslieden gelet op het procedureverloop met het dossier vertrouwd waren, konden de appelrechters, zonder miskenning van het recht op een eerlijk proces van de eisers, de conclusietermijn voor de eisers vastleggen op 4 mei 2022 en de pleitzitting op 6 mei
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 482,41 euro, waarvan de eiser I 241,20 euro is verschuldigd en de eiseres II 241,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div