← België

B. contra GEMEENTE HOEILAART

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.7 Rolnummer: F.21.0092.N Zaak: B. contra GEMEENTE HOEILAART Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 833 - laatst gezien 2026-06-17 05:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche De omstandigheid dat een EU-ambtenaar niet door middel van een aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting bijdraagt tot de gemeentefinanciën, laat niet toe hem anders te behandelen dan de in het bevolkingsregister ingeschreven inwoners wat betreft de andere gemeentebelastingen. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: Belasting op toegang tot containerpark - EU-ambtenaar - Andere behandeling dan de eigen onderdanen - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Protocol (Nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie - 08-04-1965 - Art. 11 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0092.N N. B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GEMEENTE HOEILAART, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1560 Hoeilaart, Jan van Ruusbroecpark, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.562.092, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat, 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 november

  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 9 september 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 12, eerste lid, van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door haar betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Krachtens het tweede lid van die bepaling zijn die ambtenaren en overige personeelsleden vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Hieruit volgt dat de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie eveneens vrijgesteld zijn van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting of een algemene gemeentebelasting, maar dat zij in de regel wel onderworpen kunnen worden aan gemeentelijke belastingen, zoals de belasting op de huisvuilophaling, een verhaalbelasting of een indirecte gemeentebelasting.
  3. Krachtens artikel 4, lid 3, al. 2 en 3, VEU treffen de lidstaten alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. Krachtens artikel 11, sub b, van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie zijn de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der lidstaten, tezamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie. Uit het geheel van die bepalingen volgt dat de ambtenaren en personeelsleden van de Europese Unie vrijgesteld zijn van elke verplichting tot inschrijving in de bevolkingsregisters in de lidstaten waar de instellingen van de Europese Unie werkzaam zijn.
  4. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 18 maart 1986 in de zaak C-85/85 volgt uit de samenhang van artikel 5 EEG-Verdrag, thans artikel 4, lid 3, al. 2 en 3, VEU, en artikel 12, sub b, van het Protocol nr. 7, thans artikel 11, sub b van dat Protocol, dat de lidstaten gehouden zijn om elke maatregel te vermijden die in strijd is met de bepalingen van het Unierecht, zodat een maatregel ingevolge waarvan de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie rechtstreeks of zijdelings zouden gedwongen worden om hun inschrijving in het bevolkingsregister te verzoeken, onwettig is. Het Hof van Justitie oordeelde in dit arrest dat van zulke indirecte dwang sprake is, wanneer een lidstaat de ambtenaren en de personeelsleden van de Europese Unie nadelige gevolgen zou laten ondervinden van het feit dat zij niet zijn ingeschreven in de bevolkingsregisters. De omstandigheid dat een EU-ambtenaar niet door middel van een aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting bijdraagt tot de gemeentefinanciën, laat niet toe hem anders te behandelen dat de in het bevolkingsregister ingeschreven inwoners wat betreft de andere gemeentebelastingen.
  5. De appelrechter stelt vast dat: - het geding betrekking heeft op de aankoop door de eiser van een toegangskaart van 30 euro voor de toegang tot het recyclagepark van de verweerster, meer bepaald die van de Intercommunale Interrand; - men op grond van het litigieuze belastingreglement verplicht is een dergelijke toegangskaart te kopen indien men niet is ingeschreven in het bevolkingsregister van de verweerster en niet over een elektronische identiteitskaart beschikt; - het tarief van de contantbelasting 30 euro bedraagt per jaar; - die contantbelasting niet gevraagd wordt van inwoners van de gemeente die beschikken over een elektronische identiteitskaart die tevens kan gebruikt worden om toegang te krijgen tot het containerpark.
  6. De appelrechter oordeelt dat: - de bestreden belasting geen algemene belasting is die door iedereen te betalen is die in gelijke omstandigheden verkeert, maar een verhaalbelasting is, geheven omwille van de keuze een recyclagepark te gebruiken op het grondgebied van de verweerster; - het belastingreglement in zijn geheel genomen erop wijst dat de verhaalbelasting zowel geheven wordt ter verkrijging van de toegangskaart als, voor de belastbare doelgroepen, ter verkrijging van de toegang tot het recyclagepark om er vuil te storten; - de verhaalbelasting kan worden vermeden en niets belet dat de personen die niet in het bevolkingsregister zijn ingeschreven, zich van hun afval ontdoen op een andere wijze dan via dit recyclagepark, zoals bijvoorbeeld door gebruik te maken van andere betalende diensten van afvalophaling; - het feitelijk onjuist is dat de enige wijze waarop de kwestieuze belasting kan vermeden worden, een inschrijving in het bevolkingsregister van de verweerster is, vermits deze belasting ook vermeden kan worden door afval dat normaal in het recyclagepark kan worden achtergelaten, te doen ophalen of achter te laten in een andere georganiseerde dienstverlening hoe ook, weze het door een commerciële en niet door de overheid georganiseerde dienstverlening en wellicht tegen betaling; - het feit dat personen die beschikken over een elektronische identiteitskaart door hun inschrijving in het bevolkingsregister niet zomaar zonder meer zijn vrijgesteld van deze verhaalbelasting, vermits zij door de afdracht van een aanvullende belasting op de personenbelasting in principe bijdragen aan de financiering van de gemeente.
  7. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de door de eiser aangevoerde discriminatie of overtreding van verdragsbepalingen niet bewezen is, schendt artikel 4, lid 3, al. 2 en 3, VEU en artikel 11, sub b, van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Eric Van Dooren en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.