id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.12 Rolnummer: P.22.0711.N Zaak: U. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 820 - laatst gezien 2026-06-15 06:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 6 Een verdachte die de taal van de rechtspleging onvoldoende begrijpt, heeft op grond van artikel 6.3.e EVRM een recht op kosteloze bijstand van een tolk tijdens het gehele onderzoek en vanaf het eerste politieverhoor, behalve wanneer er in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak dwingende redenen bestaan om dit recht te beperken; de vertolking moet echter niet noodzakelijk plaatsvinden naar de moedertaal van de verdachte, maar kan ook plaatsvinden naar een taal die de verdachte voldoende begrijpt en spreekt om zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen en de rechter oordeelt onaantastbaar of dat het geval is, rekening houdend met alle concrete omstandigheden eigen aan de voorliggende situatie; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Fiches 7 - 10 Het enkele feit dat een politieverhoor niet audiovisueel is geregistreerd, belet de rechter niet om uit andere concrete omstandigheden die hij vaststelt, af te leiden dat de beklaagde de taal waarin de politie hem met behulp van een tolk heeft ondervraagd en waarin hij verklaringen heeft afgelegd, voldoende beheerst om zijn recht van verdediging effectief te kunnen uitoefenen. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Fiches 11 - 12 Voor de toepassing van artikel 28, § 1, 2°, Wet Politieambt, dat bepaalt dat de politieambtenaren bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie, een veiligheidsfouillering kunnen doen bij een persoon die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke vrijheidsbeneming, teneinde zich ervan te vergewissen dat die persoon geen wapen draagt of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor de openbare orde, speelt het geen rol of de aard van het misdrijf dat aanleiding geeft tot de gerechtelijke vrijheidsbeneming, gewoonlijk al dan niet gepaard gaat met het gebruik van een wapen; een verdenking van winkeldiefstal volstaat dan ook opdat de verbalisanten zich ervan kunnen vergewissen of de verdachte geen wapen draagt. Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 28, § 1, 2° - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 28, § 1, 2° - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiche 13 Voor de toepassing van artikel 43, eerste lid, Strafwetboek, dat bepaalt dat de verbeurdverklaring van zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf wordt uitgesproken, behoudens wanneer dit tot gevolg zou hebben dat de veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, kan de rechter onder meer rekening ermee houden dat hij, in weerwil van de ernst van de feiten, de hoofdgevangenisstraf met uitstel van tenuitvoerlegging heeft opgelegd; dat uitstel kan immers een impact hebben op de financiële situatie van de veroordeelde. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0711.N I A U, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Lore Gyselaers, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3580 Beringen, Paalsesteenweg 81, waar de eiseres woonplaats kiest. II B S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Emmanuel Ruchat, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eiser voor de telastlegging A.3, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a en 6.3.e EVRM en de artikelen 47bis en 112ter Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de eiseres, die tijdens het politieverhoor werd bijgestaan door een tolk Russisch-Nederlands hoewel zij het Litouws als moedertaal heeft, rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een advocaat; het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiseres ook op haar tijdens dat verhoor afgelegde verklaringen; de eiseres is echter het Russisch onvoldoende machtig om een verklaring af te leggen; de politie en de appelrechters hebben dat niet afdoende geverifieerd; er is ook geen opname van het audiovisuele verhoor van de eiseres ter griffie neergelegd, zodat uit niets blijkt dat de eiseres het Russisch wel voldoende machtig was.
- Een verdachte die de taal van de rechtspleging onvoldoende begrijpt, heeft op grond van artikel 6.3.e EVRM een recht op kosteloze bijstand van een tolk tijdens het gehele onderzoek en vanaf het eerste politieverhoor, behalve wanneer er in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak dwingende redenen bestaan om dit recht te beperken. De vertolking moet echter niet noodzakelijk plaatsvinden naar de moedertaal van de verdachte, maar kan ook plaatsvinden naar een taal die de verdachte voldoende begrijpt en spreekt om zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen. De rechter oordeelt onaantastbaar of dat het geval is, rekening houdend met alle concrete omstandigheden eigen aan de voorliggende situatie. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Het enkele feit dat een politieverhoor niet audiovisueel is geregistreerd, belet de rechter niet om uit andere concrete omstandigheden die hij vaststelt, af te leiden dat de beklaagde de taal waarin de politie hem met behulp van een tolk heeft ondervraagd en waarin hij verklaringen heeft afgelegd, voldoende beheerst om zijn recht van verdediging effectief te kunnen uitoefenen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de vaststellingen van het arrest (p. 12-15) die het onderdeel aanhaalt, in het bijzonder het feit dat de eiseres haar verklaring met bijstand van de tolk zonder voorbehoud of opmerking heeft afgelegd, dat uit haar antwoorden blijkt dat zij de vragen heeft begrepen en dat er geen effectieve communicatieproblemen zijn vastgesteld bij enige beklaagde, kunnen de appelrechters wettig afleiden dat de eiseres het Russisch voldoende beheerst opdat haar verhoor in die taal regelmatig is afgenomen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door het proces-verbaal nr. 002989/2021 van 21 maart 2021 en de e-mail van inspecteur H van 6 augustus 2021 te interpreteren in die zin dat het louter de bedoeling was het verhoor van de eiseres op te nemen, maar dit door omstandigheden onafhankelijk van ieders wil niet is gebeurd, terwijl uit de bewoordingen van dat proces-verbaal en die e-mail uitdrukkelijk blijkt dat het verhoor wel degelijk werd opgenomen, hetgeen als dusdanig aan de eiseres en de overige verdachten werd meegedeeld “ter controle van de wijze waarop het verhoor werd afgenomen”, maar door een technisch defect niet kon worden bewaard, geven de appelrechters van het proces-verbaal en de e-mail een uitlegging die met de inhoud ervan niet verenigbaar is; op het moment van het verhoor mocht de eiseres immers redelijkerwijze ervan uitgaan dat zij, gelet op de opname, geen uitdrukkelijke bemerkingen diende te laten acteren in het proces-verbaal; het niet maken van opmerkingen kan dus geenszins worden geïnterpreteerd als zouden er geen opmerkingen zijn, laat staan als zou de eiseres hebben begrepen wat er werd gezegd en vertaald.
- De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen.
- Met de bekritiseerde redenen geeft het arrest van het proces-verbaal nr. 002989/2021 en van de e-mail van inspecteur H van 6 augustus 2021 een uitlegging die met de bewoordingen van die stukken niet onverenigbaar is. Het feit dat het arrest uit die stukken niet het door de eiseres gewenste gevolg afleidt, verandert daaraan niets. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiseres
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 322 “e.v.” Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiseres wetens en willens deel uitmaakte van een bende opgericht om winkeldiefstallen te plegen, terwijl de eiseres wordt vrijgesproken van alle feiten van winkeldiefstal; het arrest, dat op grond van het recht van verdediging geen gebruik mag maken van eiseres’ verklaringen, motiveert niet en alleszins niet op een geïndividualiseerde wijze waaruit het afleidt dat de eiseres de bewuste wil had om deel van de bende uit te maken en een modus operandi is overeengekomen met de andere beklaagden.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 322 “e.v.” Strafwetboek, zonder de als geschonden aangevoerde bepalingen verder aan te wijzen, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het evenmin ontvankelijk.
- Het arrest (p. 17-19) stelt als objectieve bewijselementen vast dat alle vier beklaagden zijn aangekomen in hetzelfde voertuig met een Litouwse kentekenplaat, dat het veiligheidspersoneel werd gealarmeerd door de handelwijze van bepaalde beklaagden en dat alle beklaagden in het bezit waren van specifieke materialen (magneten, haken of speciaal geprepareerde zakken) om de alarmtags van de winkelwaren te verwijderen of de buit met alarmtag de winkel uit te smokkelen. Uit die bewijselementen, vervolledigd met een verwijzing naar de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de beklaagden over onder meer hun aanwezigheid ter plaatse, leidt het arrest af dat de betrokkenen een modus operandi hadden afgesproken om op het gepaste moment de ongeoorloofde bedrijvigheid, namelijk winkeldiefstallen, te plegen. Aldus vermeldt het arrest waarom het oordeelt dat de eiseres wetens en willens deel uitmaakte van de bende en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser, die tijdens het politieverhoor werd bijgestaan door een tolk Russisch-Nederlands hoewel hij het Litouws als moedertaal heeft, rechtsgeldig is verhoord omdat het een algemeen gekend gegeven is dat veel Litouwers ook Russisch spreken; ook het feit dat de eiseres een cursus Russisch heeft gevolgd, toont niet aan dat de eiser het Russisch afdoende begrijpt; er is hier geen sprake van een algemeen bekend feit, noch is er over de vermelde gegevens tegenspraak gevoerd; het politieverhoor moest bijgevolg als bewijselement worden geweerd.
- Het arrest (p. 23-25) steunt het oordeel dat de eiser het Russisch voldoende beheerste om met behulp van een tolk regelmatig in die taal te worden ondervraagd niet enkel op de redenen die het middel aanvoert, maar ook op een geheel van andere redenen die het middel niet in de kritiek betrekt. Het middel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 17 IVBPR en de artikelen 28 en 34 Wet Politieambt: het arrest oordeelt ten onrechte dat de veiligheidsfouillering van de eiser regelmatig was omdat aan de verbalisanten melding was gedaan van een winkeldiefstal en zij dienvolgens redelijke gronden hadden om te denken dat degenen die voor deze winkeldiefstal in aanmerking konden komen, drager van een wapen konden zijn; het is geenszins een algemeen bekend feit dat winkeldiefstal gepaard gaat met het gebruik van wapens.
- Overeenkomstig artikel 28, § 1, 2°, Wet Politieambt kunnen de politieambtenaren bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie, een veiligheidsfouillering doen bij een persoon die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke vrijheidsbeneming, teneinde zich ervan te vergewissen dat die persoon geen wapen draagt of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor de openbare orde.
- Voor de toepassing van artikel 28, § 1, 2°, Wet Politieambt speelt het geen rol of de aard van het misdrijf dat aanleiding geeft tot de gerechtelijke vrijheidsbeneming, gewoonlijk al dan niet gepaard gaat met het gebruik van een wapen. Een verdenking van winkeldiefstal volstaat dan ook opdat de verbalisanten zich ervan kunnen vergewissen of de verdachte geen wapen draagt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 17 IVBPR en artikel 29 Wet Politieambt: het arrest oordeelt ten onrechte dat het de verbalisanten vrij stond het voertuig van de eiser te doorzoeken omdat zij redelijke gronden hadden om te denken dat het voertuig werd gebruikt om een misdrijf te plegen; het aanvankelijk proces-verbaal vermeldt als aanwijzingen enkel het terugvinden van magneten en haken en de melding van de veiligheidsagenten aan de politie dat het verdachte gedrag van de beklaagden erin bestond dat zij meerdere winkels binnen en buiten liepen om dan telkens kleren naar een voertuig met Litouwse kentekenplaat te brengen; aldus waren er in het aanvankelijk proces-verbaal onvoldoende aanwijzingen voor een doorzoeking van eisers voertuig.
- Overeenkomstig artikel 29, eerste lid, 1°, Wet Politieambt kunnen politieambtenaren overgaan tot het doorzoeken van een voertuig indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig werd, wordt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen.
- Op grond van de redenen die het arrest (p. 21-23) vermeldt, waaronder de verdachte handelingen van de beklaagden zoals aangegeven door het veiligheidspersoneel en het aantreffen van specifiek materiaal voor het plegen van winkeldiefstallen bij elk van de betrokkenen, kan het arrest wettig oordelen dat het voertuig waarvan de contactsleutel bij de eiser werd aangetroffen en waarmee de betrokkenen ter plaatse waren gekomen, werd of kon worden gebruikt om winkeldiefstallen te plegen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiser
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 322, 323 en 324 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest kan uit zijn vaststellingen niet wettig afleiden dat aan alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf bendevorming is voldaan; uit het strafdossier komt niet naar voren dat er een zekere organisatie van een vereniging bestond aangezien bijna alle personen verklaarden dat zij elkaar niet kenden; de wil om van de vereniging deel uit te maken volgt evenmin uit de vaststellingen van het arrest; daarbij verwijst het arrest veelal naar gegevens die geen betrekking hebben op de eiser zelf.
- Artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bevat voor de strafrechter met betrekking tot de schuldigverklaring van een beklaagde geen verdergaande motiveringsplicht dan de vermelding van de feiten waaraan de beklaagde schuldig wordt verklaard. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 27-29) leidt het bestaan van de bende waarvan de eiser wetens en willens lid was onder meer af uit de volgende gegevens: - het feit dat de beklaagden allen met hetzelfde voertuig ter plaatse kwamen; - het gebruik van een overeengekomen modus operandi om winkeldiefstallen te plegen: ofwel het alarm verwijderen, ofwel de buit met alarmtag de winkel uitsmokkelen; - de vaststelling dat alle beklaagden beschikten over de specifieke materialen om deze op voorhand overlegde modus operandi toe te passen; - in de koffer van het voertuig BMW waarmee de beklaagden ter plaatse waren trof de politie zogenaamde geprepareerde winkelzakken aan, dit zijn winkeltassen die gemodificeerd worden om er winkeldiefstallen mee te kunnen plegen; - het feit dat alle beklaagden een duidelijk vooraf overeengekomen maar fictief verhaal opdisten ter verklaring van hun aanwezigheid op de plaats der feiten en de aanwezigheid van de geprepareerde zakken.
- Op grond van die feiten, die slaan op de eiser, kan het arrest wettig oordelen dat de eiser wetens en willens lid was van de bende die was ingericht om winkeldiefstallen te plegen. Aldus is de beslissing ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Vijfde middel van de eiser Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 43 Strafwetboek: het arrest beveelt de verbeurdverklaring van eisers voertuig omdat het voertuig door de leden van de bende werd gebruikt om vanuit het buitenland naar België af te zakken om winkeldiefstallen te plegen; nochtans blijkt uit het strafdossier dat de eiser samen met de eiseres naar België is gekomen; de twee andere personen kenden noch de eiser noch de eiseres; de eiser was niet op de hoogte van wat zij in de koffer hebben geplaatst; op basis van het strafdossier kan het arrest niet vaststellen dat het voertuig heeft gediend tot het plegen van een misdaad of een wanbedrijf.
- Het onderdeel verplicht in zijn geheel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 43 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de verbeurdverklaring van eisers voertuig geen disproportionele straf uitmaakt, rekening houdend met de ernst van de feiten en de gunst die werd verleend met betrekking tot de hoofdstraf; het feit dat de hoofdgevangenisstraf geheel met uitstel van tenuitvoerlegging is opgelegd, motiveert echter niet waarom de verbeurdverklaring niet disproportioneel is.
- Overeenkomstig artikel 43, eerste lid, Strafwetboek wordt de verbeurdverklaring van zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf uitgesproken, behoudens wanneer dit tot gevolg zou hebben dat de veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen. Voor de toepassing van die bepaling kan de rechter onder meer rekening ermee houden dat hij, in weerwil van de ernst van de feiten, de hoofdgevangenisstraf met uitstel van tenuitvoerlegging heeft opgelegd. Dat uitstel kan immers een impact hebben op de financiële situatie van de veroordeelde. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Bovendien oordeelt het arrest (p. 38) niet enkel zoals het middel vermeldt, maar ook: “(…) Rekening houdend met de ernst van de feiten en de gunst die verleend werd met betrekking tot de hoofdstraf, is de verbeurdverklaring van het voertuig geen disproportionele straf. Immers, dit onderdeel van de straf zal van aard zijn [de eiser] er in de toekomst van te weerhouden nog misdrijven in België te komen plegen terwijl het hem - in tegenstelling tot wat het geval zou zijn indien hem een effectieve hoofdstraf zou worden opgelegd – niet in de weg staat zijn werk en zijn leven weer te hernemen.”
- Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de verbeurdverklaring van eisers voertuig voor hem geen disproportionele straf is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 238,21 euro, waarvan de eiseres I 119,10 euro is verschuldigd en de eiser II 119,11 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div