← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.15 Rolnummer: P.22.1075.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 726 - laatst gezien 2026-06-15 06:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Het vonnis dat een beklaagde veroordeelt om in een bij besluit van de gouverneur afgebakende zone geen mondmasker te hebben gedragen en daarbij in de omschrijving van de enige telastlegging melding maakt van de artikelen 182 en 187 Wet Civiele Veiligheid en de artikelen 25 en 26 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, vermeldt aldus de wetsbepalingen die de bestanddelen van het bewezen verklaard misdrijf bepalen, alsook de uitgesproken straf, zonder dat vereist is dat het veroordelend vonnis bovendien de datum vermeldt van het besluit waarbij de gouverneur een door artikel 25, tweede lid, 6°, MB 28 oktober 2020 bedoelde zone vastlegt of een artikel van dit gouverneursbesluit. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 182 en 187 - 61 ELI link Pub nr 2007000663 MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 28-10-2020 - Artt. 25 en 26 - 01 ELI link Pub nr 2020010455 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1075.N P F M D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 17 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis laat na te vermelden door welk besluit van de gouverneur en door welke bepaling van dit besluit het niet dragen van een mondmasker is strafbaar gesteld.
  3. Artikel 6 EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief.
  4. Uit de artikelen 163, eerste lid, 172, tweede lid, 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt voor de rechter in politie- en correctionele zaken de verplichting in een veroordelend vonnis melding te maken van de wetsbepalingen die de bestanddelen van het misdrijf bepalen, alsook die de straf bepalen die wordt uitgesproken.
  5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. De eiser wordt veroordeeld om te Blankenberge in een bij besluit van de gouverneur afgebakende zone geen mondmasker te hebben gedragen.
  7. Het bestreden vonnis vermeldt in de omschrijving van de enige telastlegging: - artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (hierna Wet Civiele Veiligheid), dat bepaalt dat de minister of zijn gemachtigde in geval van dreigende omstandigheden de bevolking ter verzekering van haar bescherming, kan verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn, en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats kan aanwijzen, alsook om dezelfde reden iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden; - artikel 187 Wet Civiele Veiligheid, waarvan het eerste lid bepaalt dat weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 182 zijn bevolen, in vredestijd wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26,00 tot 500,00 euro, of met één van die straffen alleen; - artikel 25 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna MB 28 oktober 2020), waarvan het tweede lid, 6°, bepaalt dat eenieder in elk geval verplicht is om de mond en de neus te bedekken met een mondmasker of elk ander alternatief in de winkelstraten, de marken, en elke private of publieke druk bezochte plaats, die wordt bepaald door de bevoegde lokale overheid en afgebakend met een aanplakking die de tijdstippen preciseert waarop de verplichting van toepassing is; - artikel 26 MB 28 oktober 2020, dat bepaalt dat inbreuken op artikel 25 worden bestraft met de in artikel 187 Wet Civiele Veiligheid bepaalde straffen. Aldus vermeldt het bestreden vonnis de wetsbepalingen die de bestanddelen van het bewezen verklaard misdrijf bepalen, alsook de uitgesproken straf, zonder dat vereist is dat het veroordelend vonnis bovendien de datum vermeldt van het besluit waarbij de gouverneur een door artikel 25, tweede lid, 6°, MB 28 oktober 2020 bedoelde zone vastlegt of een artikel van dit gouverneursbesluit. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: het bestreden vonnis laat na te vermelden waarom de geldboete niet geheel met uitstel van tenuitvoerlegging werd uitgesproken.
  9. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt voor de strafrechter de verplichting om indien om uitstel van tenuitvoerlegging wordt verzocht en dit wettelijk mogelijk is, nauwkeurig de redenen te vermelden waarom die maatregel niet wordt toegekend, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. De rechter kan aan die motiveringsplicht voldoen door de redenen te vermelden waarom een effectieve straf geheel of gedeeltelijk noodzakelijk is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser heeft gevraagd een straf volledig met uitstel uit te spreken. Het oordeelt dat: - de op te leggen bestraffing niet van aard is om de sociale re-integratie of de reclassering op disproportionele wijze in het gedrang te brengen; - bij het bepalen van de bestraffing rekening wordt gehouden met de ernst van de feiten, de specifieke omstandigheden, het strafverleden en de persoonlijke situatie van de eiser; - de eiser een man is van 67 jaar oud, met een strafregister dat drie voorgaande veroordelingen vermeldt van enige tijd geleden en voor niet-gelijkaardige feiten; - thans moet worden vastgesteld dat de eiser de ter bescherming van de volksgezondheid ingestelde verplichting een mondmasker te dragen niet heeft nageleefd; - de door de eerste rechter opgelegde geldboete, namelijk een geldboete van 60,00 euro, verhoogd met de opdeciemen 480,00 euro bedragend, waarvan de helft met uitstel voor een periode van drie jaar, passend is en wordt bevestigd. Aldus vermeldt het bestreden vonnis op nauwkeurige wijze de redenen om deze geldboete niet geheel met uitstel van tenuitvoerlegging uit te spreken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  11. Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis verwijst voor de schuldbeoordeling naar het invulformulier dat door de eiser zou zijn ondertekend, terwijl de eiser dit formulier niet heeft ondertekend.
  12. Uit het bestreden vonnis blijkt niet dat de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het invulformulier enige impact heeft gehad op de schuldbeoordeling of op de bestraffing. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.