← België

G. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.19 Rolnummer: P.22.0858.N Zaak: G. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht - Insolventierecht - Handelsrecht - Internationaal privaatrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 1068 - laatst gezien 2026-06-16 19:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 7 De autonomie van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon, zoals vervat in artikel 5 Strafwetboek, alsook het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf beletten dat de rechter de bestuurder van een rechtspersoon veroordeelt tot een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter die aan de rechtspersoon is opgelegd omdat deze laatste de wet heeft overtreden, ook al heeft de bestuurder misdrijven gepleegd die hebben bijgedragen tot die wetsovertreding; noch het feit dat de vennootschap failliet is en de curator de gemeenschappelijke rechten van de gezamenlijke schuldeisers van het faillissement uitoefent, noch het feit dat aan de schuldeisers geen fout kan worden verweten die hen noopt tot het definitief ten laste nemen van het bedrag van die sanctie, doen daaraan afbreuk. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) ADMINISTRATIEVE GELDBOETE IN FISCALE ZAKEN FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI VENNOOTSCHAPPEN - ALLERLEI AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALLERLEI (INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT. AARD VAN DE WET. ENZ) STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Tekst van de beslissing Nr. P.22.0858.N Benny GOOSSENS, met kantoor te 9800 Deinze, Tolpoortstraat 145, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement RECUBO nv, burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen J J R, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Céline Masschelein, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 juni 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband: het arrest oordeelt dat niet is aangetoond dat de totale fiscale schuldenlast van Recubo nv, dan wel het deel van deze schuldenlast dat een gevolg is van de lastens de verweerder bewezen verklaarde tenlasteleggingen, oorzaak zijn van het faillissement van Recubo nv; het onderzoekt echter niet het oorzakelijk verband tussen die telastleggingen en de concrete schade van de eiser bestaande in de verzwaring van het passief; aldus stelt het niet wettig de afwezigheid van dat oorzakelijk verband vast en doet het geen uitspraak over een onderdeel van de rechtsvordering van de eiser. 2. De eiser heeft voor de appelrechter in hoofdorde aangevoerd dat zijn schade bestaat uit het volledige passief van het faillissement van Recubo nv na aftrek van de activa en dat dit faillissement is veroorzaakt door de onoverkomelijke fiscale schuldenlast van Recubo nv, die op zijn beurt is veroorzaakt door de feiten waarvoor de verweerder definitief is veroordeeld bij het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 31 maart 2011, namelijk de onder de telastleggingen B.6, C.6, H.22, I.22 en J.22 omschreven feiten van valsheid en fraude inzake vennootschapsbelastingen en btw ingevolge de deelname van Recubo nv aan een facturenzwendel. Vervolgens onderzoekt het arrest het oorzakelijk verband tussen het faillissement en de fiscale schuldenlast van Recubo nv, zowel in haar totaliteit als in zoverre veroorzaakt door de vermelde feiten gepleegd door de verweerder, en oordeelt het dat dit oorzakelijk verband op basis van de voorgelegde gegevens onvoldoende vaststaat. 3. Overeenkomstig artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek mag de rechter geen uitspraak doen over niet-gevorderde zaken of meer toekennen dan er gevraagd is. 4. Uit de voormelde aanvoeringen van de eiser, zijn in hoofdorde gestelde vordering tot het toekennen van het gehele netto-passief van het faillissement van Recubo nv als schadevergoeding lastens de verweerder en zijn in ondergeschikte orde gestelde vordering om hem als schadevergoeding minstens de bedragen van de aan Recubo nv opgelegde administratieve fiscale sancties toe te kennen, kon de appelrechter wettig afleiden dat eisers vordering in hoofdorde strekte tot de vergoeding van de schade die was veroorzaakt door het feit zelf van het faillissement van Recubo nv ingevolge diens buitensporige fiscale schuldenlast, maar dat eisers vordering niet ertoe strekte te bepalen in hoeverre de fouten van de verweerder zouden hebben bijgedragen tot de omvang van het passief van het faillissement, gesteld dat dit niet was veroorzaakt door die schuldenlast. Daaraan doet geen afbreuk: - het feit dat de eiser in zijn hoedanigheid van curator opkomt voor de collectief geleden schade van de schuldeisers, aangezien die hoedanigheid de rechter niet toelaat het beschikkingsbeginsel te miskennen of aan de eiser een hogere of andere schadevergoeding toe te kennen dan door hem gevraagd; - de aanvoering in eisers appelconclusie dat “in toepassing van art. 1382 B.W. [de eiser] schade heeft veroorzaakt aan de NV RECUBO/de massa der schuldeisers, en zelfs met zijn kennelijk grove fout – minimaal – heeft bijgedragen aan het passief van de faling”. Die loutere aanvoering houdt immers nog geen vordering van de eiser in om hem, bij gebrek aan oorzakelijk verband tussen de fouten van de verweerder en het faillissement van Recubo nv, minstens een schadevergoeding toe te kennen gelijk aan de aangroei van het passief veroorzaakt door die fouten, zulks naast en boven de in ondergeschikte orde reeds gevraagde schadevergoeding gelijk aan de administratieve fiscale sancties opgelegd aan Recubo nv. Bovendien blijkt uit eisers verdere aanvoeringen dat zijn hier bedoelde aanspraak in werkelijkheid steunt op de toepasselijkheid voor de strafrechter van artikel 530, § 1, Vennootschappenwet, wat het arrest (p. 9) verwerpt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 5. Voor het overige kan het arrest, op grond van de feiten die het vaststelt, wettig oordelen dat het niet vaststaat dat de bewezen verklaarde fouten van de verweerder het faillissement van Recubo nv hebben veroorzaakt en de op die grond door de eiser in hoofdorde gevorderde schadevergoeding verwerpen. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers aanvoeringen dat met toepassing van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek de verweerder schade heeft veroorzaakt aan Recubo nv of de massa der schuldeisers en dat de eiser zelf met zijn kennelijk grove fout minimaal heeft bijgedragen aan het passief van het faillissement. 7. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het arrest, door het preciseren van eisers in hoofdorde gestelde vordering en het verwerpen van de door hem aangevoerde rechtsgrond van artikel 530, § 1, Vennootschappenwet, de in het onderdeel vermelde aanvoeringen wel degelijk beantwoordt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 4 Zevende Protocol EVRM, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf: het arrest verklaart de door de eiser in ondergeschikte orde gevorderde schadevergoeding, bestaande uit de openstaande btw-boete en de belastingverhogingen van 20 procent in de aanvullende aanslagen van de vennootschapsbelasting van Recubo nv, ten onrechte ongegrond enkel omdat het gevorderde bedrag een aan Recubo nv opgelegde administratieve fiscale sanctie met een strafrechtelijk karakter uitmaakt, die wegens het persoonlijke karakter van de straf niet bij de verweerder kan worden gerecupereerd; die omstandigheden staan immers niet in de weg van de vergoedingsplicht van de verweerder ten aanzien van de door de eiser vertegenwoordigde faillissementsboedel voor de schade die hij door zijn fout aan die boedel heeft toegebracht. 9. De autonomie van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon, zoals vervat in artikel 5 Strafwetboek, alsook het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf beletten dat de rechter de bestuurder van een rechtspersoon veroordeelt tot een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter die aan de rechtspersoon is opgelegd omdat deze laatste de wet heeft overtreden, ook al heeft de bestuurder misdrijven gepleegd die hebben bijgedragen tot die wetsovertreding. Noch het feit dat de vennootschap failliet is en de curator de gemeenschappelijke rechten van de gezamenlijke schuldeisers van het faillissement uitoefent, noch het feit dat aan de schuldeisers geen fout kan worden verweten die hen noopt tot het definitief ten laste nemen van het bedrag van die sanctie, doen daaraan afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. Het arrest (p. 24-25) oordeelt voor wat betreft de administratieve fiscale geldboete in het kader van de onterechte btw-aftrek: “Het hof van beroep van Gent legde in zijn arrest van 5 april 2016 een administratieve geldboete op van €232.540,10. In de aangifte van schuldvordering van 21 september 2017 van de FOD Financiën m.b.t. het faillissement van nv RECUBO bedroeg de vordering nog 232.540 euro. Deze boete, opgelegd aan nv RECUBO, heeft een strafkarakter. (…) Deze administratieve boete werd door het hof van beroep van Gent aan nv RECUBO opgelegd, waarbij het hof (van beroep) wees op het hoger belang dat nv RECUBO had bij de fraude in vergelijking tot [de verweerder]. De fraude verschafte nv RECUBO geld om haar werknemers in het zwart te betalen en op die manier haar personeel gunstig te stemmen en zo haar activiteiten en groei veilig te stellen. De fraude was voornamelijk in het belang en het voordeel van nv RECUBO, en er kon geen twijfel over bestaan dat de vennootschap met [de verweerder] wetens en willens heeft meegewerkt aan een georganiseerde en omvangrijke fraudezwendel, aldus nog het hof (van beroep) te Gent. In deze omstandigheden oordeelt het hof (van beroep) dat de door [de eiser] gevorderde B.T.W.- boete, los van de vaststelling dat zij niet in haar totaliteit in verband staat met de feiten van de tenlasteleggingen (z. hoger), niet als een schade kan worden beschouwd die voor vergoeding in aanmerking komt. Het betreft immers een straf die aan nv RECUBO zelf werd opgelegd. Gelet op het persoonlijk karakter van een straf kan deze niet, weze het onder het mom van schadevergoeding wegens een fout bestaande in het plegen van de feiten van de tenlasteleggingen, gerecupereerd worden bij [de verweerder].” Het arrest (p. 25-26) oordeelt in dezelfde zin voor wat betreft de belastingverhoging in het kader van de vennootschapsbelasting. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 140,11 euro, waarvan 105,11 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.19 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250506.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.