← België

J.J.M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.21 Rolnummer: P.22.1273.N Zaak: J.J.M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 770 - laatst gezien 2026-06-18 23:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit de wijze waarop artikel 57 Wet Strafuitvoering, dat aan de rechter de verplichting oplegt om ingeval van afwijzing van een vorig verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht, in zijn vonnis te bepalen vanaf welke tijdstip de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen, waarbij hij voor het bepalen van die wachttermijn rekening moet houden met de in artikel 57, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalde maxima, is geredigeerd, volgt dat het niet-respecteren van de in een eerder afwijzend vonnis bepaalde wachttermijn de niet-ontvankelijkheid van het nieuw verzoek tot gevolg heeft

(1).
(1)Zie Cass. 23 september 2014, AR P.14.1407.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140923.7, AC 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 23 en 57 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 Een veroordeelde tot vrijheidsstraf die de krachtens artikel 57 Wet Strafuitvoering bepaalde wachttermijn voor het indienen van een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit niet heeft gerespecteerd, kan uit het gegeven dat de gevangenisdiensten hem verkeerd zouden hebben ingelicht over die wachttermijn geen recht afleiden op een ontvankelijk verzoek. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.22.1273.N J J M, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 23 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste en tweede onderdeel Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 23 Wet Strafuitvoering en miskenning van de motiveringsplicht: het vonnis steunt de onontvankelijkheid van eisers verzoek om elektronisch toezicht op artikel 57 Wet Strafuitvoering, zonder dat het vonnis aangeeft met die bepaling rekening te hebben gehouden, zodat het vonnis niet naar behoren is gemotiveerd. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 23 Wet Strafuitvoering en miskenning van de motiveringsplicht: het vonnis verklaart eisers verzoek om elektronisch toezicht ten onrechte onontvankelijk wegens schending van de tijdsvoorwaarden; die tijdsvoorwaarden zijn vastgelegd in artikel 23 Wet Strafuitvoering, dat niet verwijst naar artikel 57 Wet Strafuitvoering; artikel 57 Wet Strafuitvoering moet worden beschouwd als een uitzondering op de termijnen van artikel 23 Wet Strafuitvoering, zodat de sanctie van de niet-ontvankelijkheid niet kan worden toegepast; het vonnis is dan ook niet naar behoren gemotiveerd. Artikel 23 Wet Strafuitvoering bepaalt de tijdsvoorwaarden waaraan een veroordeelde moet voldoen om van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht te kunnen genieten en om daartoe een verzoek in te dienen. Deze bepaling heeft als doel te verzekeren dat de veroordeelde een gedeelte van de hem opgelegde vrijheidsstraf ondergaat vooraleer hij om de strafuitvoeringsmodaliteit kan verzoeken en hij die kan verkrijgen. Artikel 57, eerste lid, Wet Strafuitvoering legt aan de rechter de verplichting op om ingeval van afwijzing van een vorig verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht, in zijn vonnis te bepalen vanaf welke tijdstip de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen, waarbij hij voor het bepalen van die wachttermijn rekening moet houden met de in artikel 57, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalde maxima. Aldus wordt vermeden dat de veroordeelde voortdurend en niet weloverwogen verzoeken indient ter verkrijging van de strafuitvoeringsmodaliteit. Uit de wijze waarop artikel 57 Wet Strafuitvoering is geredigeerd, volgt dat het niet-respecteren van de in een eerder afwijzend vonnis bepaalde wachttermijn de niet-ontvankelijkheid van het nieuw verzoek tot gevolg heeft. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. Het vonnis vermeldt uitdrukkelijk dat het artikel 57 Wet Strafuitvoering toepast. In zoverre berusten de onderdelen op een onjuiste lezing van het vonnis en missen ze feitelijke grondslag. Het aangevoerde motiveringsgebrek is voor het overige afgeleid uit de bovenvermelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk. Derde onderdeel Het onderdeel voert schending aan van artikel 23 Wet Strafuitvoering en miskenning van de motiveringsplicht: het vonnis dat oordeelt dat het gegeven dat de gevangenisdiensten de eiser hebben meegedeeld dat hij een verzoek mocht indienen en dat hem daartoe documenten werden overhandigd, geen afbreuk doet aan de onontvankelijkheid van eisers verzoek, is niet naar recht verantwoord; er moet bij de beoordeling rekening worden gehouden met alle omstandigheden; de eiser is in tegenstelling tot de directeur van de gevangenis en zijn griffie geen specialist in het recht of in strafuitvoeringsaangelegenheden; het is wel degelijk de gevangenisgriffie die de eiser heeft verzocht een verzoek in te dienen en die hem heeft bevestigd dat hij zich daartoe in de voorwaarden bevond; de eiser heeft dan ook gehandeld als een normaal en zorgvuldig handelend gedetineerde, minstens heeft hij in rechte gedwaald. Een veroordeelde tot vrijheidsstraf die de krachtens artikel 57 Wet Strafuitvoering bepaalde wachttermijn voor het indienen van een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit niet heeft gerespecteerd, kan uit het gegeven dat de gevangenisdiensten hem verkeerd zouden hebben ingelicht over die wachttermijn geen recht afleiden op een ontvankelijk verzoek. Het onderdeel dat uitgaat op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 oktober 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140923.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.